DE NACHT DAT DE DOOD TOESLOEG EN GEWOON KEIHARD DOORGING
• Frank Roger •
Inspecteur Bonham fronste het voorhoofd toen hij zijn
telefoon hoorde rinkelen, en hij nam de hoorn op met de
zekerheid dat er slecht nieuws aankwam.
"Inspecteur?"
"Ja," zei hij, met een stem waarin berusting doorklonk.
"Ik vrees dat we er nog eentje gevonden hebben, ditmaal in
Cromwell Street. Als u zo snel mogelijk hierheen wil
komen?"
"Ik kom onmiddellijk. Is dit weer zo'n, hoe zal ik het
zeggen, bijzonder geval?"
"Nee, Inspecteur, dit lijkt een eerder onschuldig geval te
zijn. Hij strompelt maar wat rond en jaagt toevallig
voorbijkomende kinderen en bejaarden de stuipen op het
lijf. Ik neem aan dat hij binnen enkele minuten in elkaar
zakt voor hij kans gezien heeft om voor ernstige problemen
te zorgen. Maar we hebben in ieder geval een ploeg nodig om
alles op te ruimen."
"Natuurlijk," zei inspecteur Bonham. "We komen eraan. Hou
een oogje in het zeil."
Al spoedig waren ze onderweg naar de plaats van de misdaad.
Toch jammer dat een dergelijk incident moet gebeuren in een
keurig deel van de stad als Cromwell Street, dacht Bonham
toen ze door het nachtelijke stadslandschap scheurden. De
drie leden van de "opruimings"-ploeg zwegen, zodat hij zijn
gedachten de vrije loop kon laten. Hij was getraind om de
confrontatie aan te gaan met alle soorten misdadigers,
zelfs het ergste type van seriemoordenaars, maar niets had
hem voorbereid op de weerzinwekkende gruwel die dit stadje
de laatste weken had geteisterd.De eerste maal dat iemand
de term "serie-reanimator" had gebruikt had hij dit idee
vol minachting weggelachen, nog steeds overtuigd van het
feit dat ze hier te maken hadden met een grappenmaker
behept met een ziekelijk gevoel voor humor. Maar de
lijkschouwingen hadden geen ruimte voor twijfel gelaten:
alle slachtoffers waren onlangs overleden personen, van wie
de dood officieel was geregistreerd, en die via een of
andere onpeilbare methode weer tot leven waren gewekt en
losgelaten op een niets vermoedende wereld, tot men zich
over hen ontfermde, of, zoals vaak het geval was, tot ze
ineen zegen.
De meeste van de weer tot leven gewekte lijken waren eerder
onschuldig geweest, maar de aanblik ervan was voor vele
voorbijgangers te veel gebleken. Sommigen waren
flauwgevallen, of waren misselijk geworden bij het zien van
een weer tot leven gewekte man die op straat rondhobbelde,
met verteerde vingers om zich heen tastte, onduidelijke
geluiden gromde, schaamteloos pronkte met zijn misvormde en
rondbengelende lichaamsdelen, en een spoor achterliet van
verrot vlees, gestold bloed en verschrompelde organen. Ze
werden allen zonder onderscheid gedreven door de drang die
hen bezeten had voor hun dood. Sommige van de
"gereanimeerden" waren er slecht aan toe geweest, ten
gevolge van rigor mortis of voortschrijdende ontbinding, en
waren al snel door hun knieën gezakt en hadden liggen
stuiptrekken tot ze "opgeruimd" werden en herbegraven.
Er waren echter een paar vervelende gevallen geweest.
Bonham kon zich nog levendig het hoertje herinneren, dat
gedood was door een klant die haar niet had kunnen betalen.
Nadat ze weer tot leven gewekt was ging ze weer
koortsachtig op zoek naar nieuwe klanten, en stortte haar
verminkte lichaam op jongemannen die haar pad kruisten,
waarbij ze hen iedere zin in sex ontnam voor tenminste een
paar maanden. Toen de opruimingsploeg uiteindelijk op het
toneel verscheen had ze zicht juist op een pizzabesteller
geslingerd, en dit met zo'n kracht dat haar wulpse vormen
compleet uit elkaar gevallen waren, wat een surrealistische
dimensie verleende aan het tafereeltje. Een lid van de
ploeg had het beschreven als "een man, van kop tot teen
bedekt in veelkleurige smurrie, en zittend als middenin een
pizza van gigantische afmetingen."
Dan was er het geval geweest van een dronkaard, het
slachtoffer van een overdosis, die enkel uit de dood
herrezen was (met enige hulp van de anonieme reanimator) om
cafés binnen te glippen en de drankjes van de klanten te
pikken. Toen hij ze naar binnen goot vloeide het bier weer
weg uit een hele reeks lichaamsopeningen, wat een
walgelijke stank produceerde en voor een afschuwelijke
troep zorgde. Zijn verschijning had niet bepaald geleid tot
een verhoogd barbezoek in het stadje.
Het meest genante geval was echter dat geweest van een
verkoper van verzekeringen die omgekomen was in een
auto-ongeluk. Eenmaal weer tot leven gewekt sloop hij rond,
en sloeg de voorbijgangers met ontzetting met zijn
gruwelijk verhakkelde lichaam. Hij duwde hen papier dat hij
van de straat had opgeraapt in het gezicht, als waren het
documenten die hij hen ter ondertekening aanbood, en
beroofde hen vervolgens van hun geld. Ze hadden hem enkel
kunnen stoppen met het lastig vallen van mensen door hem
volledig te "ontmantelen", maar zelfs dan hadden de
afzonderlijke stukken zich hardnekkig verzet tegen dit
dwarsbomen van het diepgewortelde instinct tot zakendoen.
De misdaden waren al wekenlang het gespreksonderwerp bij
uitstek geweest. Over de man die deze afschuwelijke
wandaden op zijn geweten had was nog weinig of niets
bekend. Inspecteur Bonham koesterde echter nog steeds de
hoop om hem op een dag op heterdaad te betrappen.
Toen ze in Cromwell Street arriveerden zag Bonham het
slachtoffer in het midden van de straat staan, woest
molenwiekend met zijn armen, en gedurig stukken van zijn
lichaam verliezend ten gevolge van deze koortsachtige
inspanningen. "De man was vroeger politie-agent, en regelde
toen het verkeer," vertelde iemand aan Bonham. "Hij is nog
steeds verknocht aan zijn oude baantje, maar nu jaagt hij
de chauffeurs de doodsschrik op het lijf eerder dan het
verkeer soepel te doen verlopen."
"Regelen jullie dit zaakje maar even," zei Bonham toen hij
uit de auto stapte. "Ik denk dat het de moeite loont hier
wat onderzoek te verrichten. Ik ben zo terug." De meeste
weer tot leven gewekte lijken lieten een spoor achter dat
gevolgd kon worden, en dit geval vormde geen uitzondering
op die regel. Met zijn wapen in de aanslag rende Bonham in
de richting van waaruit de arme drommel moest gekomen zijn.
Het spoor van verdroogde stukjes en beetjes die de man
onderweg was kwijtgeraakt voerde hem in een smalle, donkere
steeg. Hij wachtte tot zijn ogen zich hadden aangepast aan
de duisternis, en schuifelde toen behoedzaam verder. Er
bewoog niets, en geen enkel geluid verbrak de drukkende
stilte. Het spoor leidde hem in een zijsteegje, waar Bonham
plots gestopt werd door een metalen hek. Zijn eerste
gedachte was, Hier klopt iets niet. Deze rondhobbelende
ondode man kan onmogelijk over dit hek geklommen zijn.
Ofwel was dit hek hier dus geplaatst na zijn doortocht,
ofwel was hier een vals spoor aangebracht om hem te
misleiden. Misschien was het veiliger om dit geval niet
verder te onderzoeken. Ongetwijfeld zouden er andere kansen
volgen.
Hij stond op het punt de hoop op te geven en
onverrichterzake terug te keren toen een stem hem sissend
aansprak.
"Hé, wacht even. Dit is het moment waarop je zolang gewacht
hebt. Dit is de enige kans van je leven om me bij de kraag
te vatten. Je bent nog nooit zo snel geweest. Je bent nog
nooit zo dichtbij geweest. Gooi die kans nu niet weg. Pak
me maar, als je kan."
Bonham verstijfde, en tuurde in de richting vanwaar de stem
gekomen was. De man bevond zich duidelijk achter het hek.
Die vage vorm, zou dat hem kunnen zijn? Hij richtte er zijn
wapen op, maar vuurde nog niet. Nee, dat waren
vuilnisbakken, of stapels afval. Het was moeilijk om iets
te onderscheiden in deze duisternis.
"Kom me maar halen," plaagde de stem hem, van een eindje
verderop. "Mijn leven ligt in jouw handen. Waarop wacht je
eigenlijk, kerel? Vooruit!"Ik moet over dit verdomde hek
klimmen, besloot Bonham. Misschien krijg ik nooit een
andere kans om de rotzak bij de kladden te grijpen. Nu kan
ik misschien de rekening vereffenen. Ik mag deze
gelegenheid niet door mijn vingers laten glippen. Ik zal
deze verdoemde griezel even laten boeten voor zijn
misdaden. Die arme agent in Cromwell Street, die zichzelf,
hoe onbewust dan ook, tot een parodie van de ordehandhaving
maakte. En al die arme, onschuldige zielen, of het nu
hoertjes waren of verkopers van verzekeringen, die beroofd
waren van de eeuwige rust die ze ten volle verdienden. Deze
misdaden waren zo fundamenteel onrechtvaardig, zo
hartverscheurend oneerbiedig ten opzichte van de meest
essentiële menselijke waarden, zo godvergeten verkeerd en
afschuwwekkend...
Woede welde in hem op, een niet te stoppen getij dat alle
andere gedachten en emoties wegspoelde. Hij greep zijn
wapen stevig beet en dacht, Ik kom je halen, jij onmens. En
ik knal je neer. Wees er maar zeker van dat ik een manier
vind om te rechtvaardigen dat ik je ter plaatse neerknalde.
Je bent al zo goed als dood, kerel. Ik kom eraan.
Inspecteur Bonham begon over het hek te klimmen. Weglopen
heeft geen zin meer, dacht hij. Geniet maar van je laatste
momenten. Want ik ga je doden. Dat laatste woord echode nog
steeds in Bonhams geest (Doden! Doden! Doden!) toen het
metalen hek plots onder stroom gezet werd, en het hoge
voltage dat door zijn lichaam flitste iedere vezel
roosterde. Het laatste dat Bonham hoorde voor de wereld
zwart werd was een waanzinnig gelach dat van vlakbij kwam.
***
Het
zwart loste langzaam op. Inspecteur Bonham voelde zich koud
en levenloos, maar niettemin gedwongen om overeind te
komen. Er is iets met me mis, dacht hij. Het was als een
kater, maar dan wel tien maal erger. Het was alleen geen
echte pijn, maar eerder een verschrikkelijk gevoel van
verdoving en stijfheid, alsof hij jarenlang geslapen had.
Toen hij eindelijk overeind stond keek hij om zich heen.
Zijn blik was troebel, en het bleek onmogelijk om zijn ogen
op iets te richten. Dit duistere steegje kwam hem vaag
bekend voor, maar hij scheen geen duidelijke herinneringen
te bezitten. Ik moet doden, was zo ongeveer de enige
gedachte die uitkwam boven het geruis dat zijn geest vulde.
Doden, doden, doden.
Hij richtte zijn blik naar beneden en merkte dat hij een
wapen in zijn hand hield, en dat die hand volledig verkoold
was. Dat bleek ook het geval met de rest van zijn lichaam.
Wat is er met me gebeurd? dacht hij vaagjes. Een ongeluk of
zo? Om een of andere redenen bleek hij ook al niet te
ademen. Vreemd, dacht hij, heel erg vreemd.
Maar uiteindelijk had dit allemaal geen belang. Het enige
dat telde was de aandrang die nu onweerstaanbaar begon te
worden, een dwingende kracht die zijn geest domineerde.
Doden, doden, doden.Hij nam zijn wapen stevig beet en begon
het steegje uit te wandelen, nog steeds wat stijfjes.
Ik moet doden, dacht hij. Doden, doden, doden.
© Frank Roger
www.frankroger.be