VROUW MET STAART ZOEKT MAN
• John C. Vermeulen •
Een hittegolf van anderhalve dag en vervolgens ging het
uiteraard onweren.
Kort nadat de eerste donderslag over de jachthaven van
Wemeldinge gerommeld was, werd er op de romp van de
Wentelteef geklopt. Dat was de naam van onze boot. Had
niets met mijn vriendin te maken, al dachten sommigen van
wel.
Ik mompelde binnensmonds zoiets als: ‘Ga ergens
anders spelen!’ Maar Evy, mijn vriendin dus, die veel
gastvrijer is dan ik, stak meteen haar hoofd naar buiten.
‘Kom erin,’ hoorde ik haar uitnodigend zeggen.
Het had mij destijds veel meer moeite en vooral dure
etentjes en een hoop leugens gekost om haar die gevleugelde
woorden te ontlokken.
Er klonk gestommel aan dek en Johan verscheen in de
kajuitingang, met zijn kater op de arm. ‘Geen
belet?’ vroeg hij een beetje onzeker toen hij mijn
gezicht zag.
Niet dat ik een echte zure vent zou zijn, hoor. Ik heb
alleen maar zo’n kop.
Johan lag met zijn boot, Vitamine Sea heette het ding,
enkele plaatsen verderop aan dezelfde steiger als wij. Hij
en ik waren niet echt dikke vrienden - ik heb trouwens geen
vrienden, ik heb alleen maar vriendinnen, mannen weten
waarom - maar soms maakten we wel eens een praatje en
dronken we samen een borrel in de cockpit. Zo gaat dat in
jachthavens en op campings en overal waar mensen met
dezelfde wat dwaze hobby bij elkaar hokken. En een
sierlijke vriendin of echtgenote helpt natuurlijk ook om
belangstelling te trekken. Je weet wel; zo eentje die,
terwijl ze wulps een blonde haarlok naar achteren gooit,
van zichzelf zegt: ‘Ik ben het waard.’ Ze komen
eropaf als wespen op een glas bier.
Johan was een wat eenzame man, had ik al gemerkt. Twee jaar
eerder had zijn vrouw hem laten kiezen tussen haar of die
rotboot van hem, zoals zij het noemde. Hij had dat
omgedraaid, voor hem ging de keuze tussen zijn boot en dat
rotwijf. Uiteraard had hij voor zijn boot gekozen, om
redenen die duidelijk zullen zijn voor iedereen die ook een
mooie boot heeft en een vrouw die… nou ja. Laten we
beleefd blijven. Sindsdien bestond zijn enige vaste
gezelschap uit een grote kater die Poescafé heette.
Evy nodigde Johan naar binnen en hij nestelde zich met zijn
lange lijf een beetje moeizaam vanwege een rugkwaal waarvan
wel meer zeilers last hebben, in een hoekje van de kajuit.
Dat hoekje waarvandaan je alles goed kunt overzien en met
een goed uitzicht op de gastvrouw. Ik zit daar zelf ook
graag op andere boten. Vooral als de gastvrouw er ook zo
eentje is van “ik ben het waard”, zoals eerder
omschreven.
Omdat het onweer Johan nerveus scheen te maken, gaf Evy hem
maar meteen een flinke borrel. Overigens een normaal
ritueel onder zeilers. Zeilen is zo’n verdomd
bangelijke bezigheid dat je er best niet aan begint als je
helemaal nuchter bent. Dit indachtig de definitie van
zeilen: doodziek en zeiknat worden terwijl je tegen enorme
kosten heel langzaam nergens heengaat.
Toen de donder opnieuw rommelde, als het geluid van een
trein die door een lange tunnel reed, keek Johan schichtig
naar het plafond van de kajuit. Hij leek bang dat er ieder
ogenblik iets op zijn hoofd zou kunnen vallen. Hij had
Poescafé op zijn schoot gezet en hij zat het beest
voortdurend op een wat mechanische manier te strelen.
Toen hij niet van plan leek uit zichzelf de mond open te
doen, vroeg ik: ‘Wat scheelt eraan, Johantje? Bang
voor de donder?’ Ik probeerde een vertrouwelijk
lachje, alsof ik best begreep dat het kabaal daarboven niet
alleen bij kleine kinderen op hun systeem kon werken.
‘Niet voor de donder, nee,’ antwoordde hij. En
hij voegde er wat raadselachtig aan toe: ‘Toch niet
zolang het alleen maar de donder is…’ Hij
sloeg zijn borrel achterover en keek met de blik van een
hond die voor de vitrine van een slagerswinkel staat, naar
de fles die op de kaartentafel stond. Evy zet de fles
namelijk altijd buiten handbereik van bezoekers. Kwestie
van de verleidingskracht te beperken. Niet dat ze van
Hollandse komaf is, maar we hebben tapijt op de vloer van
de cabine en daar kun je maar beter niet op kotsen.
Poescafé zat ronkend te spinnen. Een onverwachte windvlaag
deed de boot even schudden en ergens begon met een nijdig,
irriterend ritmisch geluid een kabeltje tegen een metalen
mast te tingelen.
Opeens zei Johan: ‘Ik ben als de dood voor de dag dat
die verrekte kat terug zal komen.’ Hij rilde
demonstratief.
Evy en ik wierpen allebei een verwonderde blik naar
Poescafé. Het beest knipoogde slaperig. ‘Een
kat?’ vroeg ik. ‘Is er een kat weg? Had je er
dan nog eentje?’
Johan schudde het hoofd. ‘De kat van die
UFO…’
Ik stond op en pakte de fles van de kaartentafel om
wantrouwig het etiket te bestuderen en aan de hals te
snuffelen. Het leek gewone ouwe klare van de soort die je
op iedere fatsoenlijke boot met een gastvrije schipper
zoals ik kunt vinden.
Ik schonk tegen mijn geloof in Johan nog een flinke neut
uit en pakte er zelf ook een om de communicatie te
vergemakkelijken. Daarna vroeg ik: ‘Je gaat ons hier
toch niet komen vertellen dat jij een vliegende schotel
gezien hebt?’ De bootjeswereld is misschien hét
biotoop van de sterke verhalen, maar er zijn grenzen.
‘Een UFO,’ corrigeerde hij. ‘En ja
verdomme, ik heb er een gezien. Sterker nog...’ Hij
rook aan zijn borrel, diep inhalerend met gesloten ogen
alsof hij coke aan het snuiven was. ‘...Ik ben er
zelfs binnenin geweest!’
Ik had zulke verhalen gelezen, over hele families die door
groene mannetjes ontvoerd waren en die dan allerlei enge
experimenten hadden moeten ondergaan en zo, maar ik had nog
nooit eerder zo’n halve gare in levende lijve
ontmoet. ‘En er zat een kat in dat ding?’
informeerde ik belangstellend.
Hij keek geïrriteerd. ‘Spotten, hè? Nou ja, je hoeft
me niet te geloven, hoor. Je hoeft zelfs niet naar me te
luisteren, ik hou verder m’n bek wel. Ik heb het
verhaal trouwens nog niet eerder verteld, aan geen mens. En
nu weet ik ook weer waarom niet. Ze kunnen allemaal de pot
op! Laat ze maar lachen hè, Poescafé? Wij weten het
onze.’ Hij krabde achter het rechteroor van de
genoeglijk ronkende kater.
‘Kom nou, Johan,’ drong mijn vriendin aan.
‘Wie a zegt moet ook b durven zeggen.’ Ze was
gek op verhalen waar een mysterieus luchtje aanzat, en daar
hoorden vliegende schotels ook bij. Met of zonder kat erin.
‘Wie a zegt moet ook b zeggen?’ Johan trok een
gezicht. ‘Waarom eigenlijk? Om de geiten een plezier
te doen misschien?’
‘Toe nou, vertel op, please, please?’
Als het nodig is kan Evy erg overtuigend smeken en die
eenzame Johan trapte er natuurlijk in. Zijn blik dwaalde
even naar haar ietwat strakzittende T-shirt, sprong daar
schichtig en schuldbewust weer van weg en schakelde
vervolgens op oneindig. Hij zweeg nog even, vermoedelijk om
de dramatische spanning wat op te voeren. Na dit hele
ritueel begon hij:
‘Het gebeurde op een avond, midden april dit jaar. Je
moet weten dat ik altijd redelijk vroeg in het seizoen
begin te varen om te kunnen gaan vissen vooraleer de grote
massa zondagvaarders op het water verschijnt. Ik lag voor
anker op mijn gewone stek bij de Galgenplaat. De dag was al
bijna om en de twee andere vissers die daar gelegen hadden,
waren reeds naar de haven teruggevaren. Er viel niet veel
te vangen die dag, maar het was een mooie vroege
voorjaarsavond. Het was niet koud en er was geen zuchtje
wind. Dus was ik niet gehaast om voor het donker terug naar
Wemeldinge te koersen. Waarom zou ik ook? Er zit toch nooit
iemand op me te wachten.’
Hij trok een gezicht dat waarschijnlijk bedoeld was om
meevoelen op te wekken, maar dat werkte niet zo goed. Bij
mij niet althans. Venten!
‘Ik zat samen met Poescafé in de cockpit een paar
scholletjes schoon te maken voor het avondeten, en toen
gebeurde het.’
Johan laste weer een strategische pauze in. Terwijl gooide
hij de rest van zijn borrel in zijn keelgat dat kennelijk
uitmondde in een enorme vergeetput voor alcohol.
Ik probeerde te helpen: ‘Opeens schoot er een
geheimzinnige straal uit de hemel naar beneden, een
onzichtbaar orkest van vijftig man begon flink van jetje te
geven in Dolby Surround Sound en de naam van George Lucas
verscheen in koeien van letters boven de
Zeelandbrug?’
Johan keek me broeierig aan. ‘Denk jij nou echt dat
je grappig bent?’
‘Dat is hij alleen als hij in de slaapkamer staat met
niets anders dan zijn hemd en sokken aan,’ zei Evy.
‘Vertel verder.’
‘Ik hoorde iets ja, dat wel.’ Johan keek me
even vuil aan. ‘Een gerommel als van een naderende
onweerbui. Een beetje zoals daarnet. Dat was nogal vreemd
vermits er letterlijk geen wolkje aan de lucht was. Dus
kijk ik verwonderd in het rond, en wat zie ik?’
‘Een vliegende schotel,’ antwoordde ik
automatisch. En ik wist er zowaar serieus bij te blijven.
‘Een UFO,’ corrigeerde Johan opnieuw. ‘En
dat ding landde bovenop de Galgenplaat, in het midden van
de zandbank, verdomd als ’t niet waar is! De
zeehonden wisten niet hoe gauw ze weg moesten komen.’
‘En daar heeft niets van in de kranten
gestaan?’ vroeg ik.
‘Het was al laat, het was erg rustig en ik denk dat
die UFO van op enige afstand nauwelijks zichtbaar was. En
de pers zie je tegenwoordig alleen maar als er weer eens
een minister naast de pot pist.’
‘O, op die manier.’
Poescafé geeuwde alsof hij dat verhaal al rot vanbuiten
kende en het hem verveelde als een dooie muis. Maar Evy
vroeg gretig: ‘Hoe zag dat ding er dan uit? Vertel!
Vertel!’
‘Als een grote zeepbel,’ beschreef Johan met
wat meer enthousiasme omdat hij een dankbare toehoorder
gevonden meende te hebben. ‘Doorzichtig maar met
bewegende kleuren erin, zo’n beetje als
rookslierten.’
‘Die groene mannetjes zaten daar waarschijnlijk flink
te paffen,’ opperde ik. ‘Groene Michel, wed
ik.’
Johan negeerde me hooghartig. ‘Je kon binnen dingen
zien bewegen zonder dat je eigenlijk wist wat je zag, heel
eigenaardig. Eigenlijk zou ik bijna durven zeggen dat het
mooi was om te zien…’
‘En met een geluid als van de donder,’ vulde ik
aan. ‘Waren er echt geen stralen of zo? Groene
stralen? Au verdomme!’ snauwde ik toen Evy me onder
de tafel een schop tegen het linkerscheenbeen verkocht.
‘Niks geen stralen,’ antwoordde Johan die deed
alsof hij niets gemerkt had van die laffe aanval. ‘En
toen de machine eenmaal geland was, werd het compleet stil.
Vreemd stil, zou ik durven zeggen. Zelfs de meeuwen gaven
geen kik meer.’
‘Waarschijnlijk was de soundtrack gebro-’ Ik
trok haastig mijn benen op toen ik vanuit mijn
linkerooghoek mijn vriendin een dreigende beweging zag
maken.
‘…Er gebeurde een hele tijd niks, ik zag
nergens een deur opengaan of zo. En toen stond er zomaar
opeens een gestalte naast de UFO op het zand. Een
menselijke gestalte, dacht ik eerst. En die figuur liep in
mijn richting tot aan de rand van het water…’
Johan keek opeens wazig, alsof de herinnering hem pakte.
‘Poescafé ging haast uit de bol, hij stond op de
tenen met een gekromde rug en alle haren recht
overeind.’
‘Aha, dat marsmannetje was een grote, kwaaie
hond,’ zei ik. Ik dacht aan die Butch, van Tom &
Jerry. Destijds waren dat mijn favoriete tekenfilms vanwege
al dat artistiek onverantwoorde geweld.
‘Nee, een kat.’ Johan keek me uitdagend aan.
‘Ik verdenk onze vriend ervan dat hij een katofiel
is,’ zei ik tegen Evy. Wie weet wat we te horen
zouden krijgen als zijn kater zou kunnen praten, dacht ik.
Maar zoiets zeg je in deftige kringen niet hardop zolang
iedereen nog nuchter is.
Mijn vriendin keek me niet eens aan, haar blik was geboeid
op Johan gericht. ‘Let maar niet op die oen,’
zei ze tegen hem. ‘Vertel gewoon verder.’
‘Was het een groene kat?’ probeerde ik nog.
Maar nu negeerden ze me allebei.
‘Het was een kat, zo groot als een mens en ze liep
nog op de achterpoten ook. Ze had zo te zien een pels en
een staart, maar verder zag ze er helemaal uit als een
vrouw, en niet eens een lelijke, o nee!’ Opnieuw die
wazige blik.
‘In je eentje leven is niet goed voor een man,’
stelde ik vast. Maar weer luisterde er niemand. Ofwel ze
deden alsof. ‘Misschien zou je een Thaise poetsvrouw
kunnen nemen, ging ik koppig verder. ‘Want een hoer
is ook geen oplossing. ‘Zo’n dame verleent wel
hand- en spandiensten aan heren van stand, maar je komt
toch altijd weer een beetje leeg naar buiten en-’
Nu keek Evy me aan. ‘Zou jij niet wat op de steiger
gaan wandelen, zeveraar? Kun je een beetje afkoelen, zo te
horen heb je het nodig!’
Ik zweeg verongelijkt terwijl Johan verder ging:
‘Ik wist niet wat me overkwam, toen die kattenvrouw
me wenkte. Het was alsof ik m’n eigen wil kwijtwas,
ik verkeerde in een soort trance.’ Zijn blik schoot
uitdagend naar mij, maar ik deed alsof m’n neus
bloedde. ‘Voor ik goed besefte wat ik deed, was ik
met Poescafé in de bijboot gestapt om naar de zandplaat te
roeien.’
Eenzaamheid was echt niet gezond, dacht ik. Ik besloot
voortaan wat vriendelijker te zijn tegen Evy. Voor een ouwe
lelijkerd als ik liggen de aantrekkelijke jonge dames
immers niet meer voor het grijpen. Want zo rijk ben ik nu
ook weer niet. Ik kan koken, ik ben okselfris en ik was
m’n eigen sokken, maar voor je dat allemaal uitgelegd
hebt, zijn ze al lang weggelopen.
Johan deed er nog een schepje bovenop. ‘Ze was écht
heel mooi,’ zei hij dromerig. ‘Van nabij zag ze
er vreemd genoeg nog menselijker uit dan vanuit de verte.
Met magnifieke groene ogen met verticale spleetpupillen,
net als bij een echte kat. Haar pels leek zacht als zijde
en ze had een prachtige volle staart. Het puntje stond
omhoog en het trilde een beetje…’
‘Ik denk dat Freud daar wel een verklaring voor gehad
zou hebben,’ kon ik niet nalaten op te merken.
Deze keer kneep Evy me hard in het vetplooitje dat zich
sedert enkele jaren boven mijn broeksriem aan het vormen
is. Het deed gemeen zeer.
‘En dan dat soepele lijf, en die lange benen. Want ze
had geen poten maar echte, eindeloos lange benen, als van
een topmodel.’
‘Bij sommige vrouwen is dat precies andersom,’
stelde ik vast. En toen Evy me fronsend aankeek:
‘Gelukkig behoor jij tot de betere soort,
schatje!’ Ik wou haar in de nek kussen, maar ze
weerde me af, met een gezicht alsof ik iets vies aan mijn
kin had hangen.
Johan was nog altijd lyrisch aan het doen: ‘En die
bewegingen van dat lijf, als van zacht golvende warme
olie…’
Ik vroeg: ‘Wat had je die dag allemaal
gedronken?’
‘En ze kon nog praten ook, ze sprak Engels.’
‘Net zoals die marsmannetjes in Amerikaanse
films,’ zei ik. ‘Die kunnen ook allemaal
Engels, zelfs al zijn het reptielen. Hebben ze in de ruimte
geleerd van onze radio-uitzendingen en zo, weet je wel?
Da’s gemakkelijk voor degenen die de dialogen moeten
schrijven.’
‘Ze zei: Hellauauauw, mijn naam is Chatka en ik kom
van de Kristallen Steeg aan het eind van de Melkweg, van de
planeet Bac-à-Sable. I need a man, ik heb een man
nodig.’
Johan scheen aan te nemen dat ons Engels niet veel
betekende. Hij trok even aan de boord van zijn trui, alsof
hij het warm kreeg bij de herinnering.
‘Ik antwoordde dat ik een man van de aarde was,
I’m a man from planet Earth, zei ik dus. En dat ik
Johan heette en of ik wat voor haar kon doen. Haar in
contact brengen met de overheid of zo, met the
authorities.’ Nu keek hij ongelukkig. ‘Eerst
geloofde ze me niet, dat ik een man was, bedoel ik. Ze
lachte me verdomme uit!’
Evy zei troostend. ‘Dat mens had gewoon geen
smaak.’
‘Of misschien vond ze dat je niet behaard genoeg
was,’ opperde ik behulpzaam. Of dat je staartje te
klein was, dacht ik gemelijk. Maar ook dat hield ik voor
mezelf.
Johan knikte afwezig, alsof hij die mogelijkheden overwoog.
‘Daarna deed ze me een vreemd verhaal dat de
vrouwelijke wezens van haar soort slechts één keer in hun
hele leven een gedurende een korte periode vruchtbaar
waren. Hierin moesten ze tot iedere prijs voor een
nageslacht zorgen, wilden ze niet uitsterven. Op hun
planeet waren er echter nog nauwelijks mannen, en daarom
zwierven de vruchtbare vrouwtjes naar andere werelden uit
om een partner te zoeken. En Chatka was aan het eind van
haar oestrusperiode zodat het allemaal bijzonder dringend
werd. Ze had tijdens de reis een reclamespot van de aarde
opgevangen over krachtvoer in blik waar katers groot en
sterk en levendig van werden en bovendien een mooie
glanzende vacht kregen, en nu wou ze met alle geweld
zo’n kater vinden. En nog vlug ook. En toen was ik zo
stom Poescafé uit de bijboot te gaan halen.’
Johan sloeg zijn derde borrel achterover en stak het glas
op naar Evy die automatisch de fles pakte.
‘Chatka deed eigenlijk nogal uit de hoogte, zoals je
dat wel eens vaker hebt bij veel te mooie vrouwen, en
daarom wou ik haar even op haar plaats zetten, sufferd die
ik ben.’ Johan ging ongemakkelijk verzitten. Met een
pijnlijk gezicht rechtte hij de rug. ‘Toen ze
Poescafé zag, was ze eerst vertederd. O wat leuk, een
miniatuurtje! riep ze uit.’ Meesmuilend imiteerde
Johan het ietwat mauwende stemgeluid van Chatka, zoals hij
haar noemde. ‘Eerst was Poescafé nog lichtelijk
hysterisch, maar van zodra Chatka hem op de arm nam,
kalmeerde hij helemaal. En toen ontdekte dat kreng
iets…’
‘Wie, Poescafé?’ vroeg ik onschuldig.
‘Nee, dat kattenwijf verdomme!’ Nu rilde Johan
zichtbaar. ‘Zie je, Poescafé is natuurlijk
gecastreerd, en toen Chatka dat merkte, werd ze opeens
vreselijk boos. Ze eiste een verklaring voor die barbaarse
verminking, zoals ze het noemde. That barbarian mutilation.
En toen ik haar probeerde uit te leggen dat we dat deden
omdat die beesten anders veel te hard stinken, because of
the bad male smell, zei ik, zette ze haast haar klauwen in
m’n strot!’ De volgende borrel ging eraan.
‘Alsof we nog geen last genoeg hebben met
Gaia,’ zei ik meelevend.
Johan zette het lege glas met een klap neer op de tafel.
‘Ze had heuse klauwen,’ huiverde hij. ‘Ik
praatte als een advocaat om haar uit te leggen dat er
helemaal niets barbaars was aan dat castreren en dat de
katten op planet Earth alleen maar beesten waren,
enzovoort. Maar dat hielp allemaal geen ene moer. Tot ik de
ingeving kreeg haar wijs te maken dat het op de aarde een
heilige traditie was om katers te castreren van zodra ze
aan hun voortplantingsplicht voldaan hadden. Voor tradities
scheen ze namelijk nogal wat respect te hebben. En ja hoor,
ze bedaarde. Maar toen kwam de klap op de
vuurpijl…’
Johan zweeg even terwijl Evy zijn glas nogmaals bijvulde.
Hij keek geboeid naar haar hand die de flessenhals omkneld
hield. Daarna nam hij eerst een gulzige slok voor hij zijn
verhaal vervolgde:
Zoals ik al zei, zat Chatka in hoge tijdnood, en vermits er
geen andere, meer geschikte partner in de buurt was, eiste
ze dat ik het nodige zou doen. You have to do your thing,
zei ze…’
Ik zat me inwendig te bescheuren, maar omwille van Evy en
haar vinnige rechtervoet hield ik mijn gezicht in de plooi.
Ik zei alleen maar: ‘Liefde is er keihard invliegen
en slapjes afdruipen.’ Er kwam geen reactie. Dus
probeerde ik het opnieuw:
Chatka was een poesje,
zo lekker als een soesje.
Maar wie haar wou berijden,
moest aan katofilie lijden.
‘Als jij nou niet je stomme bek gaat houden!’
Ik keek Evy een beetje geschrokken aan. Johan scheen haar
wel behoorlijk in de ban te hebben met zijn maffe verhaal.
‘Oké, oké, ik zeg al niks meer,’ zei ik
mokkend.
Johan zei: ‘Ik mocht tegenstribbelen wat ik wou, er
was geen lieve moederen aan; ik moest en zou mee het dak
op.’
Mijn belofte van daarnet was meteen vergeten.
‘Hè?’ deed ik.
‘Wel ja, binnenin die UFO. Er waren daar allerlei
toestanden, je wist niet wat je zag. Enorme bollen breiwol,
grote muizen, en ook een heet zinken dak…’
‘Hou op!’ smeekte ik.
Evy zei: ‘Ben jij een vervelend mannetje vandaag
zeg!’ (Dat zei ze tegen mij.)
‘Sorry, Johan,’ bracht ik er met enige moeite
uit. ‘Ga vooral verder.’
‘Nou ja, ik ga jullie niet met de details
vervelen,’ zei Johan. ‘Maar daar gebeurde het
dus, op dat dak.’
Evy keek een beetje teleurgesteld. ‘Die details
vinden wij niet vervelend, hoor!’
Johan leek te aarzelen. ‘Wat ze allemaal deed met die
gespierde staart van haar…’
‘Ja?’ zei ik, in weerwil van mezelf toch ook
opeens een beetje nieuwsgierig.
‘En dan die lenigheid…’ Johan keek
alweer wazig. ‘Ik denk dat ik voortaan een gewone
vrouw maar simpeltjes zal vinden.’
Er klonk een nieuwe donderslag en het was alsof Johan een
stukje kleiner werd. Hij praatte een beetje moeizaam, toen
hij verder ging met zijn relaas: ‘Na afloop kreeg ik
een groot glas melk en we aten er een sardientje bij. Even
werd het zelfs nog bijna gezellig, maar toen…’
Hij slikte en keek hulpbehoevend naar Evy, alsof zij de
enige was van wie hij nog enige heil verwachtte.
‘…Toen begon ze weer over dat verdomde
castreren.’
‘Aha!’ deed ik.
Johan knikte somber. ‘Juist. Ze verklaarde op
plechtige toon dat ze zich aan de heilige tradities van
planet Earth moest houden. Zodra haar jongen geboren waren,
zou ze terugkomen om haar plicht te vervullen. To fulfil
her duty, zo zei ze het.’
‘Met een scherp mes,’ zei ik onverbiddelijk.
‘Maar Johan toch!’ zei mijn vriendin ontsteld.
Met andere mannen toont ze vreemd genoeg altijd meer
medelijden dan met mij. Misschien zijn die ook wel meer
meelijwekkend, zo troost ik mezelf dan.
‘Ik weet me geen raad,’ bekende Johan.
‘Je moet goed beseffen: dat gebeurde allemaal al een
poos geleden, en die UFO’s reizen met honderd keer de
snelheid van het licht. Die ouwe Einstein kende er niks
van. En katten zijn lang geen negen maanden drachtig.
Kunnen jullie zich nu voorstellen hoe ik me voel, iedere
keer dat ik het hoor donderen?’
‘Ongeveer zoals Poescafé toen je hem naar de
dierenarts bracht,’ veronderstelde ik, behulpzaam als
altijd.
Evy vroeg met ontzag: ‘Was dat mens echt zo
sterk?’
‘Je hebt er geen idee van,’ antwoordde Johan
smartelijk. ‘Dat had natuurlijk ook zo z’n
plezierige kanten. Zoals toen ze me omhoog hield
om…’ Nee, daar hebben jullie geen zaken mee.
Evy probeerde opnieuw: ‘Wie a zegt, moet ook-’
‘Alsjeblieft, zeg!’
Ik stond op om door een van de kajuitraampjes naar buiten
te kijken. Na enkele tellen vroeg ik langs mijn neus weg:
‘Hoe zei je ook weer dat die UFO eruit zag?’
Toen ik omkeek, zat Johan me als versteend aan te staren en
hij zag werkelijk zo bleek als een zeezieke. Als die kerel
niet echt verschrikkelijk bang was, speelde hij het wel erg
realistisch. Ik begon te vermoeden dat hij op die bewuste
avond in april een hallucinatie gekregen had en dat hij
zijn waanvoorstellingen als echt gebeurd was gaan ervaren.
Ik vroeg met een blik op zijn alweer lege glas: ‘Het
is bekend dat hengelaars behoorlijk wat kunnen hijsen
tijdens het sporten, hè?’
Johan haalde diep adem voor hij antwoordde: ‘Ik wist
wel dat ik beter mijn mond kon houden. Maar weet je, soms
is het moeilijk alles in je eentje te
verkroppen…’ Zijn blik dwaalde weer even
steels naar Evy’s T-shirt terwijl hij een beetje
onvast opstond. ‘Bedankt voor de gezelligheid,
Evy.’
Tegen mij zei hij niets meer. Zonder verder nog een woord,
klom hij met zijn kater op de arm naar buiten, de andere
hand aan zijn pijnlijke rug.
Het was begonnen met regenen en ik keek Johan
hoofdschuddend na toen hij gebogen wegliep over de
natglimmende steiger. Opeens wist ik niet zo goed meer wat
ervan te denken.
Dat was het laatste wat we van Johan zagen. Zijn boot lag
voortaan verlaten en verkommerend in zijn ligplaats.
Pas maanden later ontving ik toevallig een nieuwtje op over
hem. Het verhaal luidde dat hij vertrokken was naar een van
die landen aan de Perzische Golf om een baantje in een
harem aan te nemen.
John C. Vermeulen (©)