VERMIST
• Frank Roger •
“Meneer O’Keefe? Mag ik een ogenblikje van uw tijd?”
Timothy O’Keefe keek door het besmeurde raampje en
zag dat het een agent was die had aangeklopt. Dat kon
onmogelijk goed nieuws zijn. Hij besefte dat hij niet
veel keuze had, opende de deur en zei: “Goede
morgen. Kom erin. Waarmee kan ik u van dienst
zijn?”
Terwijl de agent naar binnen kwam beval Timothy zijn hond
om te gaan liggen.
“Rustig, Caesar,” zei hij op gezaghebbende
toon. Hij zou moeten proberen het dier onder controle te
houden.
De agent liet zijn ogen door de woonwagen dwalen, keek
naar de hond en naar Timothy’s weinige schamele
bezittingen. Wat kwam hij hier zoeken?
“Mag ik u een paar vragen stellen?”
“Natuurlijk.” “Hebt u gisteren bezoek
gekregen? Van een jonge vrouw?”
“Ja,” zei Timothy. “Er is een sociaal
werkster langs geweest om een probleem te
bespreken.”
“Kunt u daar iets meer over vertellen?”
“Ze zei me dat er klachten waren. Sommige mensen
kunnen blijkbaar mijn manier van leven niet aanvaarden.
Ik leid hier een eenvoudig bestaan in mijn woonwagen, ver
van alles en iedereen. Caesar is mijn enig gezelschap. Ik
ben een beetje een kluizenaar. Veel heb ik niet nodig, ik
vraag aan niemand gunsten, bemoei me enkel met mijn eigen
zaken en aanvaard wat de natuur me biedt. Het probleem is
dat sommige mensen een deel van de natuur als hun
eigendom beschouwen, en als ik de giften van de natuur
aanvaard beweren deze mensen dat ik heb gestolen wat hun
toebehoort. Daar draaide het probleem dus eigenlijk
om.”
“Ja, meneer O’Keefe, ik ken uw reputatie. Kon
u een regeling voor het probleem treffen met de sociaal
werkster?”
“Zo zou u het kunnen stellen. De plooien zijn
gladgestreken. Ik verwacht geen problemen meer.”
“Wat gebeurde er na uw gesprek? Heeft juffrouw
Sanchez iets speciaals gezegd of gedaan voor ze weer
vertrok?”
Hij schudde het hoofd. Caesar kwam overeind en begon aan
de laarzen van de agent te snuffelen. Timothy likte zijn
lippen en zei: “Van al dat praten krijg ik dorst.
Wilt u ook iets drinken? Ik vrees dat ik u alleen maar
een beetje water kan aanbieden. En misschien enkele
kleine hapjes.”
Hij rommelde in een van zijn gammele kasten, haalde twee
glazen tevoorschijn, een kan water, en een bordje met
etensrestjes. Timothy leegde snel zijn glas. De agent
nipte alleen maar van het zijne, maar de
‘borrelhapjes’ raakte hij niet aan. Wellicht
stelde hij zichzelf liever niet bloot aan de
gastronomische normen – of het gebrek daaraan
– van zijn gastheer.
“Juffrouw Sanchez is sinds gisteren vermist,”
legde de agent uiteindelijk uit. “We praten nu met
iedereen die haar nog gezien heeft, in de hoop
aanwijzingen te vinden. U bent een van de laatste mensen
die haar moet ontmoet hebben. Mocht u iets weten dat
nuttig zou kunnen zijn, dan had ik dat graag vernomen.
Aarzel niet om contact met ons op te nemen als u later
nog iets te binnen schiet dat ons zou kunnen helpen. We
kunnen iedere tip gebruiken.”
“Ik begrijp het,” zei Timothy. “Ik
vrees dat ik u niet kan helpen.”
“Dan ga ik maar weer. Bedankt voor uw tijd.”
De agent liet nog eenmaal zijn ogen door de woonwagen
rond spieden, alsof hij verwachtte plots het lichaam van
juffrouw Sanchez te ontdekken, netjes opgeborgen in een
van de kasten. Toen vertrok hij en liep terug naar zijn
auto. Timothy gooide de hapjes op de grond, waar Caesar
ze gulzig naar binnen werkte.
Hij dronk ook het glas van de agent leeg en schudde het
hoofd. Werd de politie niet verondersteld aanwijzingen te
vinden en vermisten op te sporen? Blijkbaar waren ze toch
niet zo bekwaam. De agent had niet eens de stukjes vlees
herkend, het enige wat nog restte van juffrouw Sanchez,
en hij had ze vlak voor zijn neus gehad.
Gelukkig had Caesar zich ditmaal gedragen. Toen dat
meisje hem hier een bezoekje had gebracht was dat wel
even anders geweest. Ze hadden zijn probleem besproken,
en toen had juffrouw Sanchez een gebaar gemaakt dat
Caesar verkeerd had geïnterpreteerd. De hond, die honger
had en prikkelbaar was, had zijn tanden in haar been
gezet nog voor hij had kunnen tussenbeide komen, en ze
was aan het gillen geslagen. Timothy had ervoor gezorgd
dat het gillen ophield, want dat had tot ongewenste
aandacht kunnen leiden. En aangezien Caesar en hij
aanvaardden wat de natuur hen bood, en de natuur zo
attent was geweest om hen juffrouw Sanchez aan te
bieden… Ze hadden al een poos geen vlees meer
gegeten, en het meisje vormde een welkome afwisseling
voor de verdomde paddestoelen en het fruit dat hij vond
(of “stal”). Het was verbazingwekkend hoeveel
een hongerige hond kon verslinden. De restanten had hij
aan de zwerfhonden gegeven die hier altijd rond hingen,
en verder had hij alle sporen zorgvuldig uitgewist.
Timothy had ook zijn deel gegeten, maar veel had hij niet
opzij gelegd – dat had ook weinig zin als je geen
koelkast had. Die agent had toch wel een bijzondere
delicatesse aan zich laten voorbijgaan.
Hij was blij dat hij eigenlijk niet had gelogen tegen de
agent. Hij had in zekere zin een regeling voor het
probleem getroffen met de sociaal werkster, de plooien
waren gladgestreken en hij verwachtte geen problemen
meer. En er was niets dat hij kon doen om te helpen. Dat
waren zijn woorden geweest.
En bovendien had die agent geen reden tot klagen. Die
kerels waren taai en nauwelijks te verteren. Zou hij ooit
beseffen hoeveel geluk hij had gehad?
© Frank Roger
www.frankroger.be