HET SPOOR BIJSTER
• Rianne Lampers •
“Geloof me, het is niet mijn idee, maar er is niets
aan te doen. De grond is van ProRail, jullie hebben deze
alleen maar in bruikleen. De directie heeft al toegezegd
dat jullie allemaal schadeloos gesteld worden, precies
zoals in de schriftelijke bevestiging van de procedure
staat. Iedereen krijgt een mooi bedrag ter
compensatie.”
De neerbuigende blik op het gezicht van de inspecteur van
ProRail ergerde de bejaarde Mien mateloos. Dat kwam hier
zomaar aanlopen, met een air van jewelste, om tegen haar
en de hier verzamelde buurtjes te zeggen dat - hoe jammer
hij het ook vond voor hen en ondanks hun bezwaren - alles
toch tegen de vlakte moest. De graafmachines en
bulldozers zouden over een week komen om de hele boel
overhoop te gooien.
“Ja, en iedereen krijgt evenveel! Dat is toch
oneerlijk? Sommigen hebben nooit wat aan hun tuintje
gedaan, terwijl anderen er bloed, zweet en tranen hebben
liggen,” gromde buurman Bas Slootkant.
Zijn woorden stuurden een niet onaangename rilling over
Miens ruggengraat. Bas moest eens weten hoe waar zijn
woorden waren.
De man van ProRail haalde zijn schouders op. “Het
is niet anders. Maar zeg nou zelf: het is een meer dan
redelijk bedrag. Zorg er alsjeblieft voor dat aan het
eind van de komende week alles van waarde hier weg is,
dan kan de klus zonder problemen geklaard worden.”
En daarmee was de kous af.
De buurtjes mopperden flink en ook Miens echtgenoot Anton
deed volop mee. Hij leunde op zijn hark, zijn mond
verbeten, zijn blauwe ogen venijnig. Ondanks zijn hoge
leeftijd oefende hij nog steeds aantrekkingskracht op
Mien uit. Zij kende de kracht van zijn schonkige lijf, de
slagkracht van zijn nog altijd gespierde armen. Anton
tilde zijn hark op en spuugde op de grond, vlak voor de
voeten van de inspecteur. Diens vernietigende blik zocht
contact met de harde ogen van de gepensioneerde slager en
hij opende zijn mond om iets te zeggen.
Sussend mengde Mien zich ertussen. “Getsie, Anton,
dat vind ik nou buitengewoon onhoffelijk van je. Sorry,
meneer de inspecteur, maar u moet weten dat we hier al zo
veel jaren van dierbare herinneringen hebben liggen. Het
is voor ons niet gemakkelijk.”
De inspecteur draaide zich naar haar toe. Zijn blik was
op slag een stuk milder. “Zoals ik al zei, mevrouw,
het is niet mijn idee,” verontschuldigde hij zich.
“Maar het is gewoon nodig in de strijd tegen de
overlast langs het spoor.”
Over zijn brede schouders zag Mien hun veertienjarige
kleinzoon Terence naderen. Die leek in bijna niets op
zijn opa, met zijn slungelige lichaam en lange benen.
Toch school er een onvermoede kracht in het joch. Ze
wierpen elkaar een blik van verstandhouding toe, waarna
Mien zich tot de inspecteur wendde en zei: “Ach
meneer, ik begrijp het wel. U doet ook maar uw werk. Het
is vast niet uw idee geweest om de tuintjes te
ruimen.”
Ze liet haar blik langs de man glijden en legde een
moederlijke hand op zijn arm, kneep daar vriendelijk in.
De man was lang en stevig van postuur. Op
samenzweerderige toon voegde ze aan haar woorden toe:
“Als u eens wist wat een heerlijke gerechten ik
maak met wat het tuintje ons te bieden heeft. Misschien
dat u dan een beetje kunt voelen wat een gemis het zal
zijn als we dit niet meer hebben. Maar ja, sommige dingen
zijn nu eenmaal onomkeerbaar. Nou, weet u wat? Als u
zondagavond eens rond een uur of negen langskomt, dan
zorg ik dat ik nog een lekker kostje voor u heb. Wat
vindt u daarvan? En wat groenten om mee te nemen naar uw
vrouw.”
De verraste blik van de inspecteur deed Mien goed. Hij
keek van haar naar Anton. De robuuste gepensioneerde leek
te aarzelen of hij boos moest worden om het voorstel van
zijn vrouw. Hij koos echter eieren voor zijn geld,
spuugde opnieuw, maar nu een andere kant op.
“Tegenspreken heb ik allang afgeleerd,”
grijnsde hij, in een poging geagiteerd te klinken.
Antons opmerking toverde een grijns op het gezicht van
zijn kleinzoon. De jongen volgde zijn opa in de richting
van het terras voor het uitmuntend onderhouden tuinhuis
dat grensde aan een paadje met slecht onderhouden
bouwsels en tuintjes. Dat deel van het complex werd bijna
nooit betreden, uiteindelijk was niet iedere huurder even
trouw in het onderhouden van zijn stukje natuur aan de
rand van de stad.
Het was nog bijzonder warm voor september. Marcel Gijzen
parkeerde zijn auto aan de rand van het
volkstuintjescomplex langs het spoor. Het voorstel van
het omaatje om daar wat te eten, was zo gemeend op hem
overgekomen, dat hij het niet over zijn hart kon
verkrijgen er niet op in te gaan. Nadat hij thuis zijn
verhaal gedaan had, had zijn vrouw hem voor gek
verklaard.
“Straks vergiftigen ze je nog,” had ze
gemopperd, “of gooien je voor de trein!”
Met het beeld van de mollige oude vrouw en haar boers
aandoende echtgenoot in zijn hoofd had Marcel haar
uitgelachen.
Hij had haar omhelsd en gegrijnsd: “Jij kijkt te
veel naar detectives, Anna. Het zijn gepensioneerden! Ik
ben om een uur of tien terug. Tot later!”
Er was nog een aantal mensen aan het werk in de tuintjes
en hier en daar zat een ouder echtpaar op een terrasje.
Degenen die hem herkenden wierpen hem niet al te
vriendelijke blikken toe, maar niet één van hen sprak hem
aan. Dat hoefde ook niet, hij had geen zin in oeverloze
discussies.
“Kijk eens wie we daar hebben.”
De oude vrouw kwam hem met een innemende glimlach op haar
gezicht tegemoet. Ze stak een hand naar hem uit en stelde
zich voor. “Mien Hoogerwaard. Dit is mijn man Anton
en dat is mijn kleinzoon Terence.”
Marcel voelde zich zowaar een beetje verlegen door haar
hartelijkheid. Ze deed hem aan zijn eigen oma denken, aan
vroeger, aan vakanties aan zee en door zijn oma
zelfgebakken appeltaart. Hij schudde haar hand, die zacht
en warm aanvoelde. Aangespoord door haar stak ook haar
man een hand naar hem uit. In tegenstelling tot de hand
van zijn vrouw, voelde die van Anton aan als
schuurpapier. Bovendien was zijn handdruk zo krachtig,
dat de afdruk van Marcels trouwring in zijn vingers bleef
staan. Met een licht vertrokken gezicht knikte hij naar
de oude man.
“Biertje?” Dat was Terence. De puber gaf geen
hand en bleef op een afstandje staan. Marcel knikte als
antwoord en volgde Mien naar de klaarstaande
tuinstoeltjes.
Anton zakte kreunend op één van deze neer en mopperde:
“Ja, dat krijg je als je ouder wordt. Alles gaat
kraken.”
Mien was Terence het tuinhuisje in gevolgd. Ze kwamen
samen terug, Terence met twee flesjes bier en Mien met
een schaal vol met gehaktballetjes. Er kwam stoom en een
zalige geur vanaf. Het water liep Marcel in de mond. De
volgende schaal die Mien aandroeg, bevatte stukjes rauwe
groente, zoals peen, komkommer en tomaat.
“Allemaal uit de tuin,” glunderde Mien
Marcel lachte hardop: “Behalve dan de
balletjes!”
Ze lachten om hem, het ijs was gebroken en als vanzelf
kwamen de verhalen los. Op verzoek van Anton, een
rasechte Rotterdammer, vertelde Marcel over de buurt waar
hij woonde, de nieuwbouw daar en de ziel die nog ontbrak
in de wijk. De oudjes op hun beurt vertelden over het
oude Noorden en de volkstuintjes, over de hen
teleurstellende kinderen en het kleinkind dat ze
liefdevol onder hun vleugels genomen hadden omdat zijn
ouders met de noorderzon vertrokken waren.
Anton zat werkelijk op zijn praatstoel. Hij vertelde
geanimeerd over zijn diensttijd in Nederlands-Indië en
Papoea Nieuw-Guinea, waar hij volgens zeggen zelfs
koppensnellers van dichtbij had meegemaakt. De tijd vloog
om. Nadat de gehaktballetjes op waren, haalde Mien nog
een schaal met vleeshapjes. Ze smulden er alle vier van.
Na zijn vierde biertje wierp Marcel een blik op zijn
horloge. Tien voor half elf!
“O jee, dat wordt ruzie,” verzuchtte hij.
“Ik heb beloofd om een uur of tien thuis te
zijn.”
De temperatuur was nog steeds aangenaam. Het was
inmiddels donker, maar een viertal tuinfakkels en wat
licht dat uit het tuinhuisje kwam, maakten het reuze
gezellig. Af en toe raasde een trein voorbij, die Marcel
weer herinnerde aan hoe hij hier terecht was gekomen.
“Heb je niet zo’n mobiel ding? Dan zeg je
toch gewoon dat je net vertrokken bent? Weet je vrouw
veel!”
Marcel grijnsde instemmend en stond op. Voor hij er erg
in had, ontsnapte hem een boer: de hapjes lagen verdraaid
zwaar op de maag. Hij voelde dat het bier zijn blaas
bovendien al aardig gevuld had.
“Als ik nog even van jullie toilet gebruik mag
maken, dan ga ik er zo weer vandoor.”
“Tuurlijk. Binnen is een wc.”
Anton maakte een hoofdknik naar het huisje.
“Ach, van alle gemakken voorzien hier, toch?”
Marcel tolde even op zijn benen, grinnikte om zichzelf en
wankelde achter Mien aan naar het huisje toe. Het toilet
was met recht het kleinste kamertje. Het was er aan de
krappe kant, dus deed hij zijn behoefte zittend. Met zijn
aangeschoten toestand zou Anna vast moeite hebben,
besefte hij. Als een schooljongetje zat hij op de pot te
grinniken om zichzelf. Na de laatste druppel hees hij
zich weer op zijn benen en ritste zijn gulp dicht. Hij
trok door, deed de deur open en stapte naar buiten. Het
volgende moment zag hij in een flits iets op zich af
zoeven. Een adembenemende dreun liet zijn kaken op elkaar
klappen, met zijn onderlip ertussen. Bloed stroomde in
zijn mond terwijl in zijn hoofd een explosie van licht
plaatsvond. De hitte die daarbij vrijkwam, zoog als een
gigantische steekvlam in één teug alle energie, samen met
zijn bewustzijn, uit zijn lijf.
Hij dobberde naakt rond op zee, op een vlot. Op en neer
ging het, op een golfslag die paste bij windkracht drie
of zo. Desondanks maakte het dobberen hem zeeziek. Er
hing dan ook een verschrikkelijke stank om hem heen, als
van rottend vlees en bedorven vis. Zijn maag speelde op.
Met iedere golvende beweging kroop de inhoud daarvan een
stukje verder omhoog door zijn slokdarm, zoekend naar een
uitweg. Hij moest kotsen. Vreemd genoeg bleven de hapjes
die Mien hem geserveerd had in zijn slokdarm steken. De
uitgang was geblokkeerd!
Hij sperde zijn ogen open, zijn bewustzijn was in één
klap terug. Hij dobberde helemaal niet op zee; de
golvende beweging vond binnenin hem plaats. Het was pijn,
die door heel zijn lijf bonkte op de maat van zijn
pompende hart. In zijn mond zat iets dat aanvoelde als
een homp droog brood. Met geen mogelijkheid kon hij zijn
tong bewegen om deze weg te duwen. Net zo min als hij
zijn lippen van elkaar kon krijgen. Er zat iets overheen.
Hij knipperde paniekerig met zijn ogen en voelde een
ongecontroleerde rilling door zijn pijnlijke, koude lijf
golven.
Met moeite probeerde hij zijn hoofd op te richten om te
kunnen waarnemen waar hij zich bevond. Bewegen was echter
onmogelijk. Zijn hoofd voelde aan als een blok beton dat
zwaar balanceerde op zijn nek. Hij zat op zijn achterste
op de grond, met zijn armen zo strak achter hem
vastgebonden dat er zat bijna geen gevoel meer in zat. De
ergste pijn zat echter in zijn benen. Het kloppen en
bonken deinde door zijn dijen naar zijn knieën. Die
manifesteerden zich als twee gloeiende vuurballen,
likkend aan het vlees van zijn dijbenen. Wat zich onder
zijn knieën bevond, voelde aan alsof het sliep. Er
sprongen tranen in zijn ogen en terwijl zijn ogen
overliepen, vulde zijn neus zich met snot. Dat had een
desastreus effect. Daar waar het snot zich ophoopte, was
geen ruimte voor zuurstof. Amechtig probeerde hij om hulp
te roepen, of in elk geval geluid voort te brengen. Maar
gehinderd door de prop in zijn mond, kwam hij niet veel
verder dan wat gepiep. Zijn lijf begon te schokken. Het
protesteerde tegen het zuurstoftekort, met als gevolg dat
de golfslag van zijn pijn opzweepte naar een krachtige
windkracht zeven, acht, negen. Net zolang tot zijn
denkbeeldige vlot omsloeg en hij verdronk in
bewusteloosheid.
Bijkomen bracht geen verlichting. Zijn toestand was zo
goed als onveranderd, behalve dan dat hij nu voelde dat
koorts door zijn lijf raasde. In zijn oren gonsde zijn
bloedsomloop als een zwerm bijen... Dat was echter niet
het enige wat hij hoorde. Iemand floot een melodietje en
in de verte naderde gerommel. De grond trilde. Eerst
licht, maar allengs harder en harder, tot het gerommel in
gebulder veranderde. Een trein!
Toen het trillen weggeëbd was en het geluid was
weggestorven, hoorde hij de stem van Anton zeggen:
“Waar zouden we zijn zonder de trein?”
De oude man grinnikte stompzinnig om zijn eigen flauwe
woorden. Knipperend met zijn oogleden zocht Marcel naar
de oude man, die vlakbij hem kwam staan. Hij gaf een
schopje tegen de plek waar zijn rechtervoet hoorde te
zitten. Terstond trok een misselijkmakende schok door
Marcels lijf. De pijnprikkel volgde een fractie van een
seconde later. Deze ontstond in zijn knie en trok
schoksgewijs op door heel zijn lichaam. In doodsangst
sperde Marcel zijn ogen open en waagde een poging om weg
te rollen. Zonder effect. Bewegen bleef zo goed als
onmogelijk, de poging had slechts nog meer pijn tot
gevolg.
Anton grijnsde. Hij schudde zijn hoofd en klakte
vermanend met zijn tong. “Geef het maar op, vriend,
het heeft geen zin. Jij bent aan het eind van je rit
gekomen. Je was het spoor al bijster,” grinnikte
hij, “maar je hebt vast nooit kunnen vermoeden dat
je in de restauratie terecht zou komen, is het wel? In de
keuken, wel te verstaan.”
Marcel snapte werkelijk niets van wat de oude man
bazelde. De restauratie?
Anton zakte door zijn krakende knieën. Zijn ogen zochten
de zijne en hij grijnsde zijn gelige tanden bloot.
“Weet je, daar in de Indische Oceaan heb ik het een
en ander geleerd. Ze hadden wel gezegd dat de Dajaks geen
mensen meer aten, maar ik weet wel beter. Samen met een
maat hadden ze me te grazen genomen toen we afgedwaald
waren van onze eenheid. Hij was als eerste aan de beurt
en dat was mijn redding, want niet lang na het eerste
feestmaal kwam mijn eenheid me bevrijden. Ik heb echter
alles gezien, ook dat ze mateloos respect hebben voor hun
vijanden. Laat dat een troost voor je zijn, jongen: een
vijand die je hoog acht, verspil je niet, die zet je op
het menu. Ik heb niets tegen jou persoonlijk, integendeel
zelfs.” Anton rechtte zich weer.
De boodschap in zijn woorden boezemde Marcel ware
doodsangst in.
“Sindsdien ben ik gefascineerd door mensenvlees.
Als je er eenmaal van geproefd hebt, wil je niet anders
meer. Zeg nu zelf: jij vond het immers ook lekker,”
stelde Anton, “want je hebt de hapjes van Mien met
smaak naar binnen gewerkt.”
Het wilde maar amper tot Marcel doordringen wat de oude
man zei. Hapjes? Vijanden? Kracht overnemen? Hij had...
Mensenvlees gegeten? Die stank hier... Wat voor
vreselijks verborg deze plek, die hij amper zien kon,
waaruit hij niet kon ontsnappen? Innerlijk kromp hij in
elkaar tot er niets meer van hem over was dan een
bibberend, klein jongetje. Een warm, nat gevoel tussen
zijn benen verried dat de angst de normale mechanismen in
zijn lichaam uitschakelde.
“Mensenvlees is een delicatesse,” beweerde
Anton. “Het is echter het lekkerst als het
slachtoffer afsterft. Eigenlijk net als met wild. Dat
maakt het vlees smeuïger.”
Marcel wilde het niet horen. Niet weten. Niet beseffen.
Hij wilde naar Anna toe. Haar omhelzen en zeggen dat het
inderdaad tijd was om een gezin te stichten, iets waar ze
al maanden om zeurde, maar wat hij steevast afgehouden
had. Hij was er nu klaar voor, nu was de beste tijd.
ProRail betaalde hem immers goed, hij deed zijn werk tot
volle tevredenheid van zijn bazen. De toestand waar hij
zich in bevond was niet echt. Geen mens at het vlees van
een ander mens. Terwijl tranen zijn ogen weer vulden en
hij een verloren gevecht streed met het verlies aan
zuurstof door het snot in zijn neus en de prop in zijn
mond, dreef zijn bewustzijn weer van hem weg.
“Hoe staat het met ons ‘konijntje’,
opa?”
Voor Marcel bestond tijd niet meer, alleen bewustzijn en
bewusteloosheid. Zijn dreunende hoofd voelde aan als een
ballon op knappen. Korstjes rond zijn ogen lieten zijn
wimpers aan elkaar plakken. Na een aantal keren
knipperen, wist hij zijn ogen open te krijgen. Lodderig
keek hij omhoog terwijl kruimeltjes opgedroogde troep
zijn zicht vertroebelden. Schimmig vormden zich de
contouren van de schonkige oude man en zijn slungelige
kleinzoon. De jongen had zijn handen in zijn zakken en
wisselde een schattende blik tussen hem en zijn opa.
“’t Is een taai beestje,” sprak die
laatste, “tenminste... Levend wel!”
Daarop volgde stompzinnig gelach, dat samen met de
realiteit de ruimte verliet waarin Marcel zich bevond.
Met zijn ogen dicht wist Marcel beelden tevoorschijn te
toveren die de pijn verdreven. Herinneringen aan Anna, en
verder terug, aan zijn jeugd, zijn ouders. Zijn
bewustzijn selecteerde secuur de juiste plaatjes. De
bijbehorende gedachten waren zo sterk, dat ze zelfs de
ondraaglijke stank uit zijn neus verdreven. Hij rook
gemaaid gras, de parfum waar hij zo van hield, de
appeltaart van zijn oma. God, wat was die lekker geweest.
Lekker. Met een grote sprong was de realiteit terug. Ze
drong zijn dreunende hoofd binnen als een woeste tijger
die alles verscheurde wat op zijn pad kwam. Alle angst en
frustratie balden zich samen in een poging geluid voort
te brengen, om te roepen om hulp, te gillen, te krijsen.
Tevergeefs. Slechts een schril, hoog geluid wist hem te
ontsnappen. Het was echter geen lang leven beschoren. Het
geraas van een voorbij denderende trein slokte het geluid
op en weg dreef zijn bewustzijn weer.
Het volgende moment dat hij weer iets waarnam, drong een
grommend geluid tot hem door. Het grommen ging met horten
en stoten. Het pulseerde mee op het ritme van zijn
gezwollen hoofd. Slechts een speldenprik zou nodig zijn
om zijn hoofd uit elkaar te laten barsten. Samen met de
wereld zette deze uit, kromp ineen en zette weer uit op
het moeizame pompen van zijn hart. Elk herkenbaar gevoel
had zijn lijf verlaten, hij was de daadwerkelijke pijn
voorbij. Hij verkeerde al in het tussengeborgte,
balanceerde op de plek tussen hemel en hel.
Iets in zijn bewustzijn vertelde hem dat alle hulp te
laat zou komen. Dit zou hij niet overleven. Slechts één
waanzinnige hoop leefde nog in hem, en dat was de hoop op
een echte begrafenis. Hij wilde niet eindigen op het bord
van die geschifte oude man, zijn walgelijke kleinzoon en
die bedrieglijk aardig ogende oma. Hij wilde eindigen in
een kist, met bloemen erop en muziek op de achtergrond.
Aan zijn baar moest zijn vrouw Anna staan, huilend om het
gezin dat ze nooit met hem zou hebben, om het leven dat
hem zo gruwelijk ontnomen was. Zijn familie moest er
zijn, treurend om zijn oneerlijke verlies. De handen van
zijn moeder moesten nog één keer langs zijn gelaat
strijken. Dát was zijn laatste wens. In de verte zwol het
grommende geluid aan tot gebulder. Deze keer was het geen
trein.
“Kom maar op met die graafmachine, Peet!”
Ferry Bakker voelde hoe de geur van dieselolie zijn
reukzin prikkelde. Hij wendde zijn hoofd af, kneep zijn
ogen dicht en nieste. Met zijn ogen weer open zag hij de
kleine graafmachine al hobbelend over het braakliggende
stuk grond dichterbij komen. Iets verderop stond achter
de metalen omheining een groepje mensen met treurige en
boze blikken toe te kijken. De sanering van hun tuintjes
ging hen aan het hart. Natuurlijk hadden de huurders
compensatie gekregen van ProRail, maar dat verdiende
amper de naam ‘pleister op de wonde’.
“Ho,” riep hij, terwijl hij een hand hief en
oogcontact met zijn collega in de graafmachine maakte.
Zijn hoofdknik was het startsein voor Peter. Het
grommende geluid van de graafmachine zwol aan tot een
uitdagend gebrul toen Peter de graafbek onderin de
bosschages dreef. Ferry hoorde de omstanders
‘boe’ roepen en ‘kunnen jullie wel,
stelletje slopers’. Hij probeerde de ouwetjes te
negeren. Ook rotklussen moesten geklaard worden.
Drie handwerkers kwamen intussen dichterbij om de rotzooi
die Peter lostrok weg te halen en in de containers te
gooien. Als opzichter bleef hem dat gelukkig bespaard.
Na de bosschages stortte de graafmachine zich vol
overgave op de hekken en schuurtjes. Ferry liep om de
werklui heen en volgde de ronkende machine terwijl een
trein over het dichtbijgelegen spoor denderde. Dat was de
reden waarom deze tuintjes eraan moesten. Te vaak liepen
er mensen langs het spoor die daar niets te zoeken
hadden. Junks, malloten die ‘voor de gein’
rotzooi op de rails gooiden, maar ook zelfmoordenaars. Er
trok een rilling langs Ferry’s ruggengraat. Het
opruimen van de resten daarvan was vaak vele malen
aangrijpender dan het slopen van de herinneringen van een
handjevol oudere mensen.
Een symfonie van versplinterend hout en brullend
motorgeronk vulde zijn oren. Peter droeg volgens de
voorschriften gehoorbeschermers. Hij hoefde ze gelukkig
niet te dragen. Hij had een bloedhekel aan die dingen,
ook al was de herrie niet bepaald prettig om te
verdragen. De geur van hout, afgerukte bladeren en geplet
gras, vermengde zich met de dieselgeur. De melange zorgde
ervoor dat hij opnieuw moest niezen, nu zelfs twee keer.
“Gezondheid, opper,” hoorde hij iemand achter
hem roepen.
Even hield hij halt en zette zijn veiligheidshelm af om
het zweet van zijn voorhoofd te wissen en over zijn neus
te wrijven.
Peter stuurde de machine naar een volgend schuurtje.
Enthousiast boorden de uitsteeksels van de bak zich in
het wankele gebouw. Terwijl veel van de tuintjes er
netjes bij lagen, stond dit bouwsel in een van de
onverzorgde percelen. Het paadje dat ernaartoe liep, was
bijna geheel overwoekerd door onkruid. De machine tilde
een deel van het in elkaar stortende schuurtje op, waarop
een ronduit smerige stank vrijkwam. Ferry voelde hoe dit
hem opnieuw tot niezen aanzette. De amoniakachtige geur
dreef tranen naar zijn ogen en geschrokken sloeg hij een
hand voor zijn neus en mond. Het geluid van brekend hout
ging vergezeld van een akelige, schrille toon. Ook al
droeg het volume daarvan niet veel verder dan zijn oren,
toch sneed de toon door merg en been. Eén moment voelde
hij zich ijskoud worden, vervolgens brak het zweet hem
aan alle kanten uit toen hij zag wat de bak van Peters
machine triomfantelijk de lucht in duwde. Een arm. Een
bungelend been. Een lichaam! Die geur! Uit alle macht
bevocht Ferry de golvende beweging van zijn maag naar
zijn slokdarm. Hij wilde naar adem happen, maar bedacht
zich terstond.
“Peet! Peet, stop!”
Peter hoorde hem niet. Natuurlijk niet. Half om half
struikelend rende hij naar de graafmachine. Hij probeerde
niet te kijken naar het lugubere vrachtje dat tussen de
versplinterde planken en grondresten op de bak lag. De
motor van de graafmachine viel stil. Ferry zag dat Peter
hetzelfde zag als hij. De ogen van zijn collega puilden
uit, zijn mond viel een stukje open, tot de geur ook tot
hem doordrong. Peter sloeg zijn handen voor zijn neus en
mond en zocht verbijsterd zijn blik.
“Jezus, Fer! Gadverdamme, wat is... Jezus, wat een
stank!”
Er droop bloed langs het bungelende been onderaan de bak.
Huiverend van walging draaide Ferry het schouwspel de rug
toe. Met trillende handen reikte hij in de zak van zijn
reflecterende jasje, op zoek naar zijn mobiele telefoon.
Hij toetste 112 in en had bijna direct verbinding. Zo
zakelijk mogelijk probeerde hij te vertellen waar de
hulptroepen naartoe moesten komen. Hij was nog niet
uitgesproken, of hij hoorde opnieuw het door merg en been
gaande geluid. Eerst zacht, dan aanzwellend en weer
wegstervend. Langzaam draaide hij zich om en keek naar
wat hij dacht dat een lijk was. De boven de bak
uitstekende arm bewoog...
Het geluid van de naderende politiewagens en ambulance
trok haar aandacht. Mien draaide haar hoofd ernaartoe en
onderdrukte een glimlach bij het zien van de
zwaailichten.
“Wat zou er aan de hand zijn,” hoorde ze
iemand vragen.
“Een bedrijfsongeval misschien?”
“Nou, dan komt er toch geen politie bij kijken, of
wel soms?”
Mien knipoogde naar Anton en Terence en deed alsof ze net
zo verbaasd was als de anderen. Zij wist immers dat geen
mens ooit de verbinding zou leggen tussen de verlaten
tuintjes, de gruwelijke vondsten en Anton en haar.
Ze sloten een mooie periode af in hun leven, een periode
waarin ze hun donkerste fantasieën tot waarheid gemaakt
hadden. Helaas had hun laatste slachtoffer het niet tot
in de pan gered. Anton had de pest aan gehad aan de man
die voor hem de verpersoonlijking van het ProRail-beleid
geweest was. Hij wilde hem koste wat kost geen snelle
dood bezorgen, zelfs al had zij benadrukt dat het niet de
schuld van de inspecteur was dat de tuintjes tegen de
vlakte moesten. Op de een of andere manier zag Anton in
hem de verpersoonlijking van het kwaad en ook al wist ze
dat afgestorven vlees beter smaakte dan vers vlees, had
ze het in dit geval geen goed idee gevonden.
Anton had de auto van Marcel Gijzen zondagnacht in zijn
eigen straat geparkeerd om zijn vrouw te laten denken dat
haar man inderdaad gewoon naar huis gekomen was. Ze
hadden de twee politiemannen, die een dag of wat later
bij hen langs waren gekomen, zonder enig probleem met hun
geveinsde onschuld om de tuin kunnen leiden. Ze
bevestigden wat Marcels vrouw gezegd had, namelijk dat
hij tegen half elf al naar huis vertrokken was. Eindelijk
hadden ze eens profijt van hun leeftijd gehad, grijnsde
Mien bij de herinnering aan de onnozele gezichten van de
politiemannen.
Hiermee konden ze dit deel van hun plan dus absoluut
geslaagd noemen. Toch was Mien er niet helemaal gerust
op.
“Wat als ‘ie niet dood is voor de
graafmachines komen?”
“Geloof me, als hij niet al dood is als ze er zijn,
dan nog zal hij het niet kunnen navertellen,” had
Anton haar op het hart gedrukt. “Er is niets om je
zorgen over te maken.”
Een beetje spijtig had ze aangezien dat de dagen
verstreken en het smeuïge hapje weigerde de pijp uit te
gaan, terwijl Anton volhardde in zijn koppigheid. Ze keek
naar de ravage die de graafmachine aangericht had.
De opzichter was naar de machine gelopen nadat hij een
telefoontje gepleegd had. Het duurde even voor de
bestuurder van het apparaat het waagde de bak iets naar
beneden te laten zakken. Slechts even boog de opzichter
zich ernaartoe, waarna hij zich struikelend uit de voeten
maakte om een eindje verderop luidruchtig zijn maag te
legen. Met half toegeknepen ogen staarde Mien naar de
man. Behalve dan dat hij er aangeslagen uitzag, oogde hij
gezond. Even aarzelde ze. Toen wierp ze Anton en Terence
een blik van verstandhouding toe en bewoog zich in de
richting van de onwel geworden man.
Vol medeleven riep ze uit: “Och hemeltje, kan ik
helpen misschien?”
Rianne Lampers ©