CHALELE
• John C. Vermeulen •
Het zwoele Arusha lag een verdomd end van huis, en
bovendien sliep ik al veel te lang in eenzame, broeierige
hotelkamers. Het uitzicht op de overbezongen Kilimanjaro
was niet echt een troost. Dus aarzelde ik nauwelijks toen
ik door de klapdeurtjes van de club stapte en de
prachtige halfbloed aan het linkeruiteinde van de bar zag
zitten. Ze hadden me altijd wijsgemaakt dat halfbloeden
het beste van twee werelden in zich verenigden als het op
liefdestechnieken aankwam, en ik wachtte al lang op een
kans om dit aan den lijve te ondervinden.
‘Mag er met u gepraat worden, of wordt u liever met
rust gelaten?’
Dat had ik altijd een handig openingszinnetje gevonden.
Het gaf ze de kans om je wandelen te sturen zonder
onvriendelijk te doen en zonder dat je er je gezicht bij
verloor.
De mulat zag er van dichtbij nog fraaier uit dan van ver.
Maar vriendelijk was ze niet, ze keek niet eens op.
‘Laat me met rust,’ zei ze met een lage
keelstem.
Ze had voor zich uit gepraat en ik hoopte nog dat ik haar
niet goed begrepen had. Naar haar lege glas wijzend
probeerde ik het nog eens: ‘Mag ik u iets-’
Ze gleed zo bruusk van haar kruk dat die omviel, keek me
één ogenblik met een nijdige blik uit haar grote, donkere
ogen aan en beende vervolgens met driftige stappen naar
buiten, de gloeiende zon in.
Ik keek onthutst naar de zwarte barman die knikte alsof
hij dit soort scènes normaal vond. Gelukkig grijnsde hij
er niet bij, ik haat het als die inheemsen je uitlachen.
‘Foute boel,’ zei hij ernstig.
Ik bestelde rum. ‘Wat mankeert die dame?’
‘Dat ze een meneer is.’ Mozazu hield zijn te
grote en te witte tanden nog altijd bedekt.
Afkeer verdrong de verbazing. ‘Een vent? Die
stoot?’
‘Triest verhaal,’ zei Mozazu in zijn wat
onzekere Frans. Hij wees met het borrelglaasje dat hij
stond op te poetsen naar een niet meer zo jonge,
rosharige blanke die alleen aan een tafeltje een boek zat
te lezen. ‘Meneer Maarssen kan er u alles over
vertellen. Triest verhaal,’ herhaalde hij.
Maarssen leek eerst niet geneigd om mijn plots ontstane
nieuwsgierigheid te bevredigen, maar toen ik hem
verzekerd had dat ik geen journalist was (ik kan goed
liegen), en na drie glazen pure gin begon hij bij te
draaien.
‘Geen mens gelooft het, en dat is een van de
redenen waarom ik het verhaal niet graag vertel,’
legde hij uit.
‘Ik kijk niet zo gauw meer op van een vreemd
verhaal,’ antwoordde ik naar waarheid. ‘Ik
kom wel eens vaker in Afrika, moet u weten.’ Ik
blikte even naar de barman die met droeve ogen voor zich
uit stond te staren achter zijn nu verlaten bar. Ik vroeg
me af waar zo’n man allemaal aan dacht tijdens zijn
lege momenten. Nog altijd ongelovig, vroeg ik: ‘Was
dat prachtige stuk nou echt een vent?’
‘Gewéést,’ antwoordde Maarssen. ‘Mijn
broer heeft het allemaal van nabij meegemaakt. Hij is
arts, moet u weten.’
‘O, gewoon een transseksueel, dus?’ Ik ervoer
iets van teleurstelling.
‘Zo zou je het kunnen noemen, ja.’ Maarssen
keek zo ernstig als Mozazu, en hij had al net zulke
trieste ogen. ‘Als u dat “gewoon” eraf
laat.’ Hij wierp eveneens een blik in de richting
van de barman. ‘De sukkel werd ensorceré,
behekst…’ Hij sloeg het laatste restje van
zijn derde glas gin achterover. ‘Dat is mijn mening
althans.’
Even was het alsof er vanuit de vele, donkere hoeken van
de schaars verlichte kroeg boosaardige wezens naar me
grijnsden, en ik ervoer het begin van een rilling. Het
woord “behekst” had onder het dichte lover
van de Tanzaniaanse jungle een heel andere betekenis dan
een paar duizend mijl naar het noorden. Alleen de
onnozele toeristen lachten erom, tenminste zolang ze de
betrekkelijke veiligheid van hun hotel of hun
fotosafaribusje niet verlieten.
Ik gebaarde met mijn glas naar Mozazu. ‘Ik wil echt
graag het hele verhaal horen.’
‘Ja, dat zal wel…’ Maarssen zweeg tot
de barman onze glazen opnieuw gevuld had. Daarna vroeg
hij somber: ‘Bent u er zeker van dat u geen
journalist bent?’
Ik voelde me opgelaten onder de starende blik uit zijn
waterachtige, gele ogen. Een beetje ongeduldig vroeg ik:
‘Wat maakt het eigenlijk uit?’ De jungle
gonsde immers van de sterke verhalen.
Maarssen wendde de blik af. ‘Het is alleen maar
zo…’ Hij pakte zijn glas en nipte ervan als
om te proeven of het wel dezelfde gin was als voorheen.
‘…dat ik iedere keer het gevoel heb dat ik
het eigenlijk niet zou mogen doorvertellen, dat ik het
niet eens zou mogen weten.’
‘Heeft uw broer dat gevoel ook?’
‘Mijn broer is dood.’
De boosaardige monstertjes in hun donkere hoeken lonkten
naar me. ‘Dat spijt me,’ zei ik.
‘Ach, Frank was een ouwe zak, misschien was hij wel
gewoon versleten. Er sterven hopen mensen aan een
hartaanval, zeker in dit rotklimaat. En dokters vreten en
zuipen er ook maar op los, net zo goed als
iedereen.’
Ik kreeg het idee dat Maarssen niet zo’n hoge pet
op had van wijlen zijn broer.
‘Nou goed dan, hier komt het verhaal van Chalélé,
de Mau-Maru tovenares,’ zei Maarssen berustend. Hij
duwde het boek opzij dat hij had zitten lezen. Het was
een beduimelde pocketuitgave van De reïncarnatie van
Peter Proust. ‘Een zekere Freddie - zijn achternaam
weet ik niet eens - maakte samen met een stelletje andere
rijkgeboren nietsnutten een voettocht door de jungle.
Ingericht door een van die touroperators die rijk worden
van zulke clowns. Slapen in eenpersoonstentjes, wassen
wanneer je toevallig een plas water vindt, dagtochten in
de stomende hitte, opgevreten worden door het ongedierte,
geen contact met de beschaafde wereld, dat soort lol. Dat
geeft ze aanzien bij de vrienden thuis die niet zoveel
lef hebben, of die niet zo stom zijn. Hun twee inlandse
gidsen liepen al na een paar dagen verloren. Het waren
natuurlijk stadsjongens die een grijpstuiver probeerden
te vangen en die al net zo veel benul hadden van de
wildernis als die bleke stommelingen. Onze helden dachten
dat het zou helpen als ze hun gidsen eens een keertje
goed lens sloegen, waarop die knapen er prompt vandoor
gingen. Er zijn geen zwarten meer zoals vroeger.’
Maarssen keek afkeurend alsof hij niet van zijn eigen
sarcasme hield, en dronk van zijn gin. De vingers van
zijn andere hand streelden dwangmatig over het omslag van
het boek op de tafel.
‘Nadat ze een aantal dagen zonder hun gidsen
rondgedwaald hadden, kwamen ze meer dood dan levend bij
een dorp aan. Puur geluk, want er zijn daarbuiten niet
zoveel dorpen als je zou denken.’ Maarssen maakte
een vaag gebaar in de richting van de deur, als om aan te
tonen wat hij met “daarbuiten” bedoelde.
‘De dorpelingen waren vriendelijk en onze dappere
expeditie werd gastvrij onthaald, ook al was het
stamhoofd de enige die drie woorden Frans verstond. Het
waren de Mau-Maru’s, vrij aardige mensen met weinig
belangstelling voor de rest van de wereld. Wel zijn
sommige van hun gewoonten wat minder aardig. Zo
verwachten ze van hun vrouwen dat die zichzelf ombrengen
als hun man hen in de steek laat. Ergens aan de rand van
hun dorp staat een stellage waarin een soort machete
gevat zit. Het lemmet is vlijmscherp en ze kunnen het
regelen op keelhoogte. Het is de bedoeling dat het
slachtoffer zichzelf probeert te onthoofden door er met
grote snelheid tegenaan te rennen. Als dat lukt wordt ze
in een nieuw en beter leven met haar man herenigd.’
Maarssens blik gleed naar het boek op de tafel. ‘De
Mau-Maru’s geloven dus in een soort reïncarnatie,
al hebben ze vast nog nooit van dat woord gehoord. Dit
boek is nep, een soort detectiveverhaaltje…’
Hij nam een lange teug van zijn rum. ‘Een nek is
taaier dan je denkt, en volgens Frank was het zo goed als
onmogelijk dat het zo’n Mau-Maru vrouw zou lukken
zichzelf te onthoofden, hoe hard ze ook rende. Het
probleem zouden de nekwervels zijn die-’
Ik stak afwerend een hand op. ‘Laat maar
zitten,’ zei ik haastig.
Maarssen schokschouderde onverschillig. ‘Enfin, om
met mijn verhaal verder te gaan: gastvrij als ze waren,
zorgden die dorpelingen ervoor dat aan alle behoeften van
hun blanke gasten voldaan werd.’ Hij keek me even
zwijgend aan als om na te gaan of ik wel begrepen had wat
hij bedoelde. ‘Aan alle behoeften,’
benadrukte hij ten overvloede. ‘En daarmee begon de
ellende voor Freddie. Hij had de pech dat hij een meisje
kreeg met net iets te veel temperament. Misschien hadden
ze haar wel opzettelijk op hem losgelaten, ik neem aan
dat die lui ook wel eens lol willen hebben. Daar komt nog
bij dat die kinderen zich stoned zuipen aan een of andere
liefdesdrank voor ze eraan beginnen, zodat ze helemáál
uit hun bol gaan. Enfin, midden in de nacht werd het dorp
opgeschrikt door een verschrikkelijk gebrul. Iedereen
stormde naar buiten met het idee dat er iemand door een
wild beest aangevallen was of zo.’
Maarssen onderbrak zijn verhaal om van zijn glas te
drinken. ‘En?’ vroeg ik ongeduldig.
‘Freddie lag bij het vuur op de grond te kronkelen
en te gillen. Hij had geen kleren aan en de anderen zagen
dat hij van onderen helemaal onder het bloed zat.’
Maarssen pauzeerde opnieuw, maar ik zweeg omdat ik een
beetje misselijk werd van wat mijn verbeelding me voor
ogen toverde.
‘Die hete bliksem had zijn ding er haast helemaal
afgebeten,’ ging Maarssen verder. ‘Het bloed
spoot eruit.’ Hij keek me even aan met een blik van
“je hebt erom gevraagd”. ‘En toen kwam
Chalélé in beeld. Chalélé was de tovenares van de
stam.’
Ik probeerde het verdere verloop te raden, hoe Freddie
helemaal ontmand werd en zo, maar er klopte iets niet.
Onzeker vroeg ik: ‘Was Freddie dan een
halfbloed?’
Maarssen schudde het hoofd, een beetje ongeduldig alsof
hij dat een stomme vraag vond. ‘Sommige van die
toverdokters kennen wel degelijk hun zaakjes, en Chalélé
was er zo een. Freddie genas op haast miraculeuze manier,
en na een paar dagen was hij zelfs al zo ver in orde dat
hij oog begon te krijgen voor de opmerkelijke schoonheid
van zijn tovenares.’ Maarssen keek even dromerig.
‘Er zitten werkelijk prachtexemplaren onder die
zwarte vrouwen…’
Ik dacht aan de fraaie mulat, daarstraks aan de bar, en
probeerde opnieuw een verband te leggen. Het lukte nog
steeds niet.
‘Chalélé had alles om een slappe figuur als Freddie
aan het stomen te krijgen, en dat deed hij ook. Maar ze
bleef ongevoelig voor zijn avances, en wat doet
zo’n nietsnut dan die z’n hele leven lang al
gewend is altijd z’n zin te krijgen?’
‘Hij verkrachtte haar,’ stelde ik vast.
Maarssen knikte. ‘Waarschijnlijk was hij te stom om
te snappen dat een dorpstovenares iets helemaal anders is
dan zo’n meisje dat ze je daar uit gastvrijheid
voor een nacht in bruikleen geven. Maar zoals gezegd zijn
de Mau-Maru’s aardige lui, ze joegen hun blanke
gasten alleen maar het dorp uit in plaats van soep te
koken van hun ingewanden. Ze wezen ze zelfs de richting
waarin Arusha lag.’
Maarssen maakte zijn glas leeg en ik wenkte de barman
terwijl ik op het vervolg van het verhaal wachtte. Ik had
het opgegeven te proberen te voorzien hoe het verder zou
gaan.
‘De bleekneuzen hadden meer geluk dan ze
verdienden, en ze geraakten levend uit de jungle, waarna
ze het eerste het beste vliegtuig naar Europa namen. De
enige die niet meevloog was Freddie. Hij had te veel tijd
gehad om na te denken, en denken is niet goed voor
zo’n knaap. Hij was tot de conclusie gekomen dat
hij niet alleen maar belust was geweest op de ebbenhouten
billen van Chalélé, maar dat hij echt verliefd was op
haar. Dat zijn leven zonder haar geen zin meer had en al
die andere nonsens die je klieren je in zo’n
situatie aanpraten. Hij had het zo erg te pakken dat hij
er zelfs toe bereid was om bij de Mau-Maru’s te
gaan leven. Nou ja, niets anders bezitten dan een lemen
dak boven je hoofd kan ook zijn charmes hebben voor
iemand die verder álles al gehad heeft.’
‘Er worden wel dwazere dingen gedaan om de gunsten
van een vrouw,’ merkte ik op.
Maarssen schokschouderde op een manier alsof hij daar
boven stond. ‘Enfin, hij huurde een echte gids en
trok opnieuw de jungle in naar de Mau-Maru’s. Ze
ontvingen hem echter lang niet zo vriendelijk als de
eerste keer, hij mocht zelfs het dorp niet in. Ze lieten
hem een etmaal aan de rand van de jungle wachten, tot het
stamhoofd hem eindelijk kwam vertellen dat Chalélé dood
was. Kort na Freddie’s vertrek was ze ziek geworden
en ze had zichzelf niet kunnen genezen. Volgens Frank had
Freddie haar met een virus opgezadeld waartegen ze niet
bestand geweest was, dat gebeurt wel vaker bij dergelijke
contacten.’
‘Arme Chalélé,’ zei ik. Freddies gevoelens
lieten me nogal koud, ik had het niet zo begrepen op
verkrachters.
Maarssen scheen er een andere mening op na te houden.
‘Arme Freddie,’ zei hij. ‘Want toen zei
het stamhoofd iets vreemds, hij zei dat Chalélé geweten
had dat Freddie zou weerkeren naar het dorp, en ze had
een brouwsel gemaakt waarmee hij zichzelf van zijn liefde
voor haar zou kunnen bevrijden. Hij moest het spul deels
uitdrinken en deels op zijn geslachtsdelen smeren. De
Mau-Maru’s schijnen te weten dat de liefde door een
ander orgaan gedirigeerd wordt dan door het hart.’
Ik kreeg even een visioen van bonbondozen op
Sint-Valentijnsdag, in de vorm van een penis. Alles
welbeschouwd was een levend hart veel afstotelijker. Onze
cultuur zit vreemd in elkaar.
Maarssen ging verder: ‘Een zwaar aangeslagen
Freddie nam het medicijn mee naar huis. Een normale vent
zou naar de fles grijpen, maar Freddie was ver genoeg
heen om het brouwsel van zijn aanbedene te
gebruiken.’
Er kwamen een paar haartjes overeind in mijn nek. De
monstertjes in de donkere hoeken schenen hun adem in te
houden in opgewonden verwachting. ‘Vergif?’
vroeg ik.‘Helse pijnen?’
Maarssen schudde het hoofd, opnieuw een beetje
ongeduldig. ‘Zo simpel lost de jungle zijn
problemen niet op. Frank heeft geprobeerd een restje van
het spul te laten analyseren, maar het lab hier in Arusha
is te primitief voor het fijnere werk. Ze vonden alleen
maar sporen van het gif van de bufo marinus, een soort
reuzenpad, van zaden van de tchatchaboom en van de
kriebelerwt, en huiddeeltjes van een boomkikvors.
Daarnaast zaten er nogal wat bacteriën in die
voornamelijk in de menselijke vagina voorkomen, plus een
heleboel chemisch inerte stoffen waar het lab geen raad
mee wist. De analist van dienst zei dat het spul hem deed
denken aan iets dat uit een vier jaar oud graf bijeen
geschraapt was.’
‘En dat goot Freddie door zijn keelgat?’ Ik
wist al dat ik die avond niet meer zou eten.
Maarssen keek me aan met zijn waterige ogen. ‘U zei
het daarnet al zelf, sommige idioten doen de meest dwaze
dingen om een vrouw.’
Ik zakte onderuit op mijn stoel en blies lucht uit.
‘Vertel verder,’ verzocht ik.
‘Freddie was een week terug in Arusha, toen Frank
voor het eerst bij de gebeurtenissen betrokken raakte. Ze
hadden Freddie bewusteloos gevonden in zijn badkamer en
een dokter laten halen.’
Maarssen wachtte kennelijk tot in ongeduldig zou worden,
maar ik liet me niet meer vangen.
‘Het was afschuwelijk,’ zei Maarssen en er
klonk echt afschuw in zijn stem door. Toen Frank me later
het verhaal vertelde, werd ik er gelijk ziek van, en ik
kan toch wel wat hebben. Freddie had het mengsel van
Chalélé gebruikt zoals hem opgedragen was. Eerst merkte
hij geen enkel effect, maar na twee dagen kreeg hij
moeilijkheden met plassen. Tegen Frank zei hij achteraf
dat was ‘alsof ze hem dichtknepen’. Alleen
door heel hard te persen kon hij zijn blaas nog leeg
krijgen. En toen, na zowat een week, gebeurde
het…’
Maarssen zweeg en keek me aan, maar ik gaf geen krimp.
‘Freddie perste en perste, en toen…’
Maarssen krabde even achter zijn rechteroor en trok een
afkerig gezicht. ‘…toen vielen zijn
geslachtsdelen opeens gewoon uit elkaar. De hele handel
verging als het ware tot stof en brokjes, zo’n
beetje als compost. Natuurlijk was Freddie van zijn
stokje gegaan, je zou om minder.’
Ik slikte en ademde zo diep mogelijk. Ze hadden me
geleerd dat je hiermee soms een neiging tot kotsen kon
beheersen.
‘In het ziekenhuis ontdekte Frank tot zijn
verbijstering dat er onder Freddies
‘verwelkte’ penis, zo noemde hij het, een
rudimentaire vagina zat. Freddie was bezig daar vanonder
een vrouw te worden, voor de volle honderd
procent.’
Mijn maag bleef opspelen. Het kwam geen moment in me op
dat het hele verhaal wel eens een wansmakelijke grap had
kunnen zijn.
‘En het was nog niet voorbij,’ ging Maarssen
genadeloos verder. ‘Freddie ontwikkelde in snel
tempo borsten, zijn lichaamsbeharing verdween en zijn
baard hield op met groeien. De laatste fase van de
metamorfose vroeg wat meer tijd. Het duurde weken eer
zijn huid donker werd en hij de trekken van een negroïde
vrouw gekregen had.
Ik deed een zwakke poging om te spotten: ‘En toen
geraakte hij in verwachting, neem ik aan?’
Maarssen scheen me niet gehoord te hebben, of hij deed
alsof. ‘Chalélé had wraak genomen,’ zei hij
voor zich uit. ‘De wraak van een
toverdokteres…’
Ik probeerde niet te letten op de demonen in hun donkere
nissen die me nu openlijk uitlachten en obscene gebaren
maakten. ‘Was er dan echt geen andere verklaring
mogelijk? Ik bedoel, er lopen wel meer mannen rond in een
aantrekkelijk vrouwenlichaam…’ Ik zweeg toen
ik besefte waar ik me bevond, op een boogscheut van de
zwoele waanzin van de jungle, waar rationele verklaringen
de neiging hadden om absurd te klinken.
Maarssen zei: ‘Wanneer je ouder wordt, ga je
beseffen dat je maar beter de dingen kunt aanvaarden
zoals ze zijn, in plaats van naar een uitleg te
zoeken.’ Hij dronk zijn zesde of zevende glas gin
leeg, ik was de tel kwijtgeraakt. ‘Niemand hier
heeft die Chalélé ooit gezien, althans niet de
echte.’
Mijn blik werd weer naar het boek op de tafel getrokken.
‘Reïncarnatie?’
Maarssen haalde eens te meer de schouders op.
‘Zeker niet in de zin zoals de sjiieten het voor
ogen hebben. Hou het maar gewoon bij hekserij, dat is het
meest simpele.’
‘Dat is geen verklaring.’
‘Precies,’ zei Maarssen met iets van
zelfgenoegzaamheid.
Huiverig zei ik: ‘Ik heb haar aangesproken!’
‘Ik zou er maar niet over tobben,’ raadde
Maarssen me aan. ‘Ga naar huis en schrijf er een
stukje over voor in de komkommertijd, het hoeven niet
altijd ufo’s te zijn.’ Er lag geen spoor van
spot in zijn ogen.
Voorlopig schreef ik er geen stukje over. En ik bleef er
over tobben, tot ik een paar weken later Maarssen opnieuw
ontmoette in de club.
Hij zat aan hetzelfde tafeltje een boek te lezen, en
Mozazu stond op zijn gewone plekje achter de bar in het
niets te staren. Waarschijnlijk waren de duiveltjes in de
donkere hoeken er ook nog, maar die hielden zich
voorlopig schuil.
Ik bestelde twee glazen gin met veel ijs en ging bij
Maarssen zitten. Hij las nog altijd Peter Proust, zag ik.
Misschien was hij het boek uit het hoofd aan het leren.
Hij accepteerde het drankje, klapte het boek dicht en
keek me afwachtend aan.
‘Ik vertrek binnenkort naar huis,’ kondigde
ik aan. ‘Ik dacht, ik ga nog eens gedag
zeggen.’
‘Iemand die trakteert is altijd welkom,’
antwoordde Maarssen.
Ik keek steels naar de linkerhoek van de bar.
‘Heeft u Chalé… Freddie nog gezien?’
Maarssen keek verbaasd. Heeft u het dan niet gehoord?
Iedereen in Arusha praat erover!
De hinderlijke kriebel in mijn nekharen was er opeens
weer. ‘Ik ben net terug uit Mombasa, ik loop een
paar dagen achter op de plaatselijke roddels.’ Ik
keek Maarssen gespannen aan. ‘Wat is er
gebeurd?’
‘Freddie is dood.’
‘O!’ was alles wat ik wist te zeggen.
‘Hij maakte er een eind aan. Misschien waren er wel
krachten aan het werk die hem dwongen er een eind aan te
maken, wie zal het zeggen?’ Maarssen leek zoals
gewoonlijk niet naar een verklaring te willen gissen.
De kriebel in mijn nek groeide uit tot een heuse
huivering. Opeens waren de monstertjes er weer en ze
grijnsden boosaardig. ‘Hoe is het gebeurd?’
Ik staarde Maarssen in bange verwachting aan.
‘Hij deed het met een gestolen motorfiets.’
Maarssen dronk zijn glas helemaal leeg voor hij verder
ging: ‘Hij spande een stalen kabeltje tussen twee
bomen, op keelhoogte…’ Het lege glas sloeg
met een klap op de houten tafel en ik veerde op.
‘Als het geloof van de Mau-Maru’s klopt, zal
hij inmiddels een nieuw en beter leven met zijn geliefde
begonnen zijn.’
Zomaar een verhaal, dacht ik de volgende dag terwijl de
jetmotoren van het vliegtuig zwoegden om hun last te
ontrukken aan de eeuwige zuigkracht van het Afrikaanse
continent. Ik staarde door het bekraste raampje naar de
wegzakkende, donkere jungle.
‘Wilt u wat drinken, meneer?’
De stem van de stewardess had dezelfde kleur als de
jungle. De jonge vrouw was zwart, ze had geheimzinnige
poelen van ogen en prachtige witte tanden en ze
glimlachte uitnodigend.
Met geweld onderdrukte ik het plots opkomende verlangen.
‘Geef maar wat,’ zei ik. ‘Alles is
goed, als het maar geen gin is.’
Toen ze zich voorover boog om het glas op mijn tafeltje
te zetten, zag ik het fijne, horizontale litteken op haar
keel.
‘Voelt u zich niet goed, meneer?’ De zwarte
godin keek me bezorgd aan.
Ik rukte mijn blik los van de hare. ‘Het gaat
wel,’ mompelde ik.
Ik wist al dat ik er in de komende weken en maanden weer
een nachtmerrie bij zou hebben.
© John C. Vermeulen