SMART WAS HET HART VAN ONS BESTAAN
• Bavo Dhooge •
‘Ik kan het niet! Ik kan het niet meer aan!’
‘Het is jouw beslissing. Jij hebt de keuze.’
‘Ik wil dat het ophoudt! Ik wil ermee
stoppen!’
‘Ik kan ervoor zorgen dat het stopt.’
De twee mannen stonden tegenover elkaar in een witte
kamer op de zesenzestigste verdieping van het
spiegelgebouw. Als ratten in de val of witte muizen in
een labyrint van een laboratorium waren ze doorheen de
gangen en de liften van kamer tot kamer gevlucht om
uiteindelijk op dat moment in deze ruimte te belanden:
kamer 322.
Roland V rook zijn kans. Hij zag dat de overwinning
binnen zijn bereik lag. Nog even volhouden en hij was er.
Hij keek de man voor zich bedroefd aan, en bedacht hoe
ver het was gekomen. De man kroop in een hoekje en zakte
in elkaar, de armen voor zijn gezicht geslagen, als een
gek die de dwangbuis afwacht.
‘Ik dacht dat ik zou winnen,’ zei hij.
‘Ik ben een winnaar. Een geboren winnaar. Ik ben
geen verliezer. Ik heb nog nooit in mijn leven een spel
verloren.’
Hij bleef het maar opdreunen en begon zich de haren uit
het hoofd te rukken.
‘Er kan maar één dit spel winnen, vriend,’
zei Roland V.
‘Een spel? Je noemt dit nog een spel? Het is een
ramp! Het is mijn leven!’
‘Je kende de regels en de reglementen toen je je
inschreef.’
‘Ja, maar dit is niet meer menselijk.’
Roland V zweeg en ontweek de smachtende blik van zijn
tegenstander. Hij kende de regels maar al te goed. Hij
had er drie weken over gedaan om ze te laten bezinken en
ten slotte toch toe te happen. En er was nog geen seconde
voorbijgegaan waarop hij zijn keuze niet had beklaagd.
‘Het is nu eenmaal zo. Je weet wat je te wachten
staat.’
De man begon te huilen, wierp de handen ten hemel en
riep:
‘Ze hebben mijn kleine jongen suikerziekte gegeven!
Mijn kindje! Ze hebben hem opzettelijk geïnjecteerd met
een ziekte! De monsters!’
Roland V dacht aan zijn eigen obstakels die hij en cours
de route in dit spel had moeten overwinnen. Het gaf hem
om een of andere, ziekelijke reden moed om ermee door te
gaan en zijn schouders niet te laten hangen.
‘Dat is de grens! Meer kan ik niet aan. Ik moest al
op mijn tanden bijten toen ze vorige week mijn huis
zomaar verkochten! Een mens kan maar een bepaalde
hoeveelheid pijn en leed aan!’
‘Je mag nog van geluk spreken dat ze niet nog een
stapje verder zijn gegaan, makker. Je vergeet dat je hier
in de kwartfinale zit. Je bent hier niet voor niets
geraakt, maar het echte spel moet nog beginnen.’
‘Wel, ik geef me over. Ik geef op,’ jammerde
de man. ‘Ze mogen mijn naam nu al in de beker
graveren, want hier houdt het voor mij op. Ik ga mijn
eigen kinderen niet laten lijden voor deze stomme
wedstrijd.’
‘Het zij zo,’ zei Roland V en hij haalde zijn
wapen boven, een elektrische schoksabel. ‘Ben je
zeker van je zaak? Ben je er zeker van dat dit is wat je
wilt?’
Roland V zag de sabel in zijn hand trillen. Hij gaf de
tegenstander voldoende tijd om zijn beslissing te
herzien. Meer nog; hij wilde dat de man zijn beslissing
herzag want hij had niet veel zin om te doen wat hem te
doen stond. Het zou de vierde keer zijn en net zoals in
de vorige ronden zou zijn maag hem parten spelen en net
zoals in de voorronden zou hij de kamp winnen, maar
opgezadeld worden met een bijkomende handicap voor de
halve finales. Roland V zuchtte luid en hield de sabel op
de man gericht. Hij kwam dichterbij. Nog een metertje en
het contact zou plaatsvinden en de man zou in rook en as
opgaan. Roland V zei:
‘Je hebt nog steeds tijd om je te bedenken. Je kan
nog steeds proberen winnen. Je kan nog een comeback
maken.’
Beneden, in de gigantische lobby van het sporthotel,
waren de reporters, de cameraploegen en de verslaggevers
verzameld rond de al even gigantische balie. Achter de
balie bevond zich het grote, immense scorebord, een
elektronisch bord en plattegrond van de hele stad. Er
waren nog een paar opflikkerende lichtjes te zien die
zich voortbewogen. Twee van de lichtjes bevonden zich
momenteel in één en dezelfde kamer. Tijd voor een
confrontatie en een wedstrijd dus. De rest van de
wedstrijd en de kwartfinales lieten nog wat op zich
wachten en waren verspreid over de rest van de stad.
‘Het ziet ernaar uit dat Ben III het zal begeven,
mensen,’ riep een stem door een microfoon.
‘We hebben een wedstrijd!’
Meteen lieten de verslaggevers hun koppen koffie staan,
onderbraken de ordinaire gewone gesprekken en bestormden
ze het plattegrondpaneel. In afwachting van het
wedstrijdpunt staarden ze af en toe naar de jonge vrouw
die de lobby was binnengewandeld om zich al in te
schrijven voor het volgende tornooi. Het ging om een
verzorgd en levendig meisje, met op het eerste gezicht
geen problemen. Je zag de mannen en vrouwen denken: wat
komt zo’n lief schepsel hier doen?
Lana VII trok zich weinig aan van het tumult in de lobby
en had eigenlijk ook nog niet echt een idee wat er gaande
was. Ze negeerde het enorme elektronische bord alsof het
een uurrooster in een vliegtuighaven of lanceerbasis was,
en stapte resoluut naar het hokje waar de inschrijvingen
gebeurden. Daar trof ze een oudere vrouw aan die op de
goeie, ouderwetse manier, een fiche opstelde van de
verschillende deelnemers.
‘Goeie middag, komt u voor een inschrijving?’
‘Ik denk het wel,’ zei Lana VII.
‘Gaat u zitten. Let u alsjeblief niet op het
tumult. We zitten net in een spannende fase in de
kwartfinales. Hoe heeft u gehoord van het Tornooi?’
‘Ik heb een reclame gezien tijdens een
nachtdroom.’
‘De klassieke manier dus,’ zei de oudere
vrouw terwijl ze notities nam.
Nadat ze de meest belangrijke gegevens van Lana VII had
genoteerd zoals naam, geboortedatum, maten,
hersencapaciteit, protheses, implantaten,
houdbaarheidsdatum en toekomstbeeld, ging de dame over
tot de werkelijke vragenlijst met betrekking tot het
Tornooi:
‘Heeft u kinderen?’
‘Ja, twee.’
‘Goed. Ze zijn nog in goeie gezondheid?’
‘Ja, allebei.’
‘Goed. U bent getrouwd?’
‘Ja.’
‘Goed. Een goed huwelijk?’
‘Zo goed als een huwelijk dat toestaat.’
‘Goed. U bent dus, mag ik stellen, vrij
gelukkig?’
Lana VII keek op en fronste de wenkbrauwen.
‘Natuurlijk. Dat is de reden waarom ik hierheen ben
gekomen, toch? Dat is de reden waarom ik me wil
inschrijven in dit tornooi. Ik ben nog nooit zo gelukkig
geweest in mijn hele leven. Alles zit mee. Een leuke man,
een nieuw huis, twee gezonde kinderen, een goedbetaalde
baan en bovendien ook nog eens een gezond lichaam.’
‘Goed,’ resumeerde de dame. ‘Dan bent u
inderdaad klaar om deel te nemen. U hebt geluk want er is
net een plaats vrijgekomen. Het beste bewijs dat het u
inderdaad allemaal meezit. We hebben een reservelijst met
deelnemers, maar als u wil kan ik wel een plekje
reserveren.’
‘Dat zou prachtig zijn!’
‘Wel, dan volstaat het gewoon de kleine lettertjes
in het contract nog even na te lezen en het dan te
ondertekenen. Daar, helemaal onderaan, met inkt en
bloed.’
Lana VII kreeg het document onder de neus geschoven. Ze
werd even afgeleid door het rumoer in de lobby. Een paar
reporters waren aan het jouwen, een paar supporters waren
de twee spelers in de kamer aan het steunen. Ze stonden
in twee clans elk aan één kant van de lobby, opgedirkt
met elektronische sjaals en borden, en riepen hen moed
in:
‘Je kan het, Ben! Volhouden! Je bent er
bijna!’
‘Komaan, Roland! Je bent nu al zover geraakt. Jij
bent de winnaar. Jij gaat die medaille halen!’
Lana VII richtte zich tot het document voor zich. Ze las
en herlas de laatste paragraaf waarin stond dat elke
deelnemer nadrukkelijk afstand deed van zijn of haar
rechten, en de organisatie of wedstrijdleiders de macht
en volledige vrijheid gaf om haar leven in de war te
sturen, te verpesten en zelfs te beëindigen. Er stond
ondermeer in dat alles zeer geleidelijk zou gebeuren,
stap per stap, ronde per ronde op de kwalificatietabel en
dat de echte, pijnlijke en serieuze regels pas werden
toegepast vanaf de kwartfinales. Lana VII nam de pen en
aarzelde voor ze de punt in haar duim zou prikken en het
hele ding met haar eigen bloed zou ondertekenen.
‘Is er iets?’ vroeg de dame. ‘U kan er
nog steeds onderuit, hoor.’
‘Neen, helemaal niet,’ zei Lana VII,
‘Ik wilde gewoon nog even denken aan het moment
waarop ik besloot mee te doen.’
Lana VII had voor het eerst over deze nationale
competitie gehoord in een nachtdroom die werd bestuurd
vanuit de overheid. Op een nacht werd haar normale
nachtrust onbewust verstoord door een boodschap van
hogere rang. Daarin werd, in de vorm van een soort
reclamespot, het nieuwe spel of Tornooi aan het brede
publiek kenbaar gemaakt. Een stille, fluisterende stem
sprak haar in:
‘Leven is lijden en lijden… is een
sport.’
Die ene zin had Lana VII volledig uit haar eigen droom
losgemaakt en gaf de onbekende stem de mogelijkheid om
het concept verder uit te leggen:
‘Wie de hele tijd ontzettend gelukkig is, is op
zich niet meer zo gelukkig want geluk begint na een
tijdje te roesten. Het leven van een mens is nu eenmaal
gemaakt om op en neer te gaan, heen en weer. Het Tornooi
gaat ervan uit dat een mens geboren wordt om enkele
noodgedwongen beproevingen te doorstaan. Helaas wordt
niet elke mens geconfronteerd met zulke barrières. Er
bestaan mensen die fluitend door dit leven trekken, in
tegenstelling tot anderen die van de ene mislukking naar
de andere strompelen. Some folks lives roll easy, some
folks stumble and fall. Wel, wie zich inschrijft voor het
Tornooi zal een ander mens worden. Een rijker mens, een
interessanter mens en vooral… een gelukkiger mens.
Want: geluk bestaat enkel en alleen door ongeluk.’
Lana VII was die ochtend wakker geworden en had
onmiddellijk beseft dat de stem in haar hoofd gelijk had.
Meer dan zes jaar al leed ze een ongelooflijk gelukkig
bestaan. Ze had nergens over te klagen gehad. Alles zat
haar mee. Bovendien was Lana VII vroeger altijd al een
competitor geweest. Ze blonk altijd en overal uit in
diverse sporten zoals slasherball, virtueel jagen en
goocheltennis. Altijd zocht ze wel de uitdagingen op. En
in dat echte geluk dat haar omringde, zocht Lana VII
altijd wel ergens een kleine wedstrijd. Of het nu ging om
het zuiverste bloed bestellen of het ging om de verste
virtuele reisbestemming, altijd maakte ze zich op voor
een wedstrijd tegen haar man, haar kinderen en de rest
van haar familie.
‘Zo, u bent nu officieel ingeschreven in het
Tornooi,’ besloot de dame terwijl ze het
ondertekende formulier van Lana VII weer aannam.
‘Ik heb nog een paar vragen,’ vroeg Lana VII.
‘Ja?’
‘Hoe bereid ik me het beste voor? Ik bedoel, hoe
bereidt een deelnemer zich het beste voor om te
winnen?’
Buiten het hokje was de spanning te snijden. De lichtjes
flikkerden nog altijd op het paneel. De dame klasseerde
het inschrijvingsformulier en glimlachte wrang.
‘Er zijn verschillende manieren om je voor te
bereiden. Je hebt mensen die op hoogtestage gaan in het
Zuiden van Afrika om daar aan den levende lijve de gruwel
van het alledaagse bestaan te beleven en zich daartegen,
als een test, verzetten. Maar je hebt evenzeer mensen die
in hun eigen huishouden zelf barstjes in hun geluk gaan
veroorzaken. Ze zoeken ruzies op, misdragen zich op hun
werk of zorgen ervoor dat ze voor hun eerste wedstrijd
begint, al geconfronteerd worden met een paar fikse
tegenslagen. Ik ken een man die bijvoorbeeld opzettelijk
een collega zwartmaakte zodat hij uiteindelijk werd
ontslagen. Dat was een fikse tegenslag. Eigenlijk was het
ook een geluk bij een ongeluk want daardoor kon hij zich
met man en macht volledig concentreren op zijn eerste
ronde in de tabel, maar tegelijk had het hem al wat
sterker gemaakt.’
‘Ik weet niet of ik wel bestand ben tegen zulke
tegenslagen.’
‘Dat weet je pas als je aan de wedstrijd begint,
liefje,’ zei de dame. ‘En laat ons eerlijk
zijn: dat is eigenlijk ook de reden om deel te nemen.
Iedereen wil toch weten wat zijn of haar ultieme
pijngrens is, nietwaar?’
Op datzelfde moment stond de dame op en nam ze haar
nieuwste rekruut mee naar de lobby. In de kamer stonden
de twee mannen, Roland V en Ben III nog steeds tegenover
elkaar. De laatste was rechtop gekropen en bereidde zich
voor op de laatste punten.
‘Hoe ben jij hier geraakt?’ vroeg hij Roland
V. ‘Heb je geluk gehad in de achtste finales of heb
je echt moeten knokken?’
‘Je zou kunnen zeggen dat ik geluk gehad
heb,’ zei Roland V. ‘Ik moest het opnemen
tegen een vent die ze echt bij de lurven hadden genomen.
In de zestiende finales hadden ze hem al bijna helemaal
murw geslagen door zijn vrouw vreemd te laten gaan met
een besmette gigolo. En in de achtste finales, voor hij
mij bevocht, kreeg hij af te rekenen met de sterilisatie
of onvruchtbaarheid van zijn eigen dochter. Je ziet: hij
kwam eigenlijk al gehandicapt aan de aftrap.’
‘En jij?’ vroeg de man tegenover Roland V
bijna jaloers.
‘Ik heb mijn portie wel al gehad in de vorige
ronden,’ verzekerde hij hem. ‘Wees daar maar
zeker van. Ik heb al heel wat verloren. Je vergeet
trouwens de kopstoten die je te verwerken krijgt bij het
winnen van elke ronde.’
‘Ja, ik denk dat ik wel weet wat je bedoelt. En
trouwens, nu we daar toch over bezig zijn, ik denk dat je
het best, zowel voor mijn als voor jouw eigen goed, zo
snel mogelijk afhandelt.’
‘Je bent er zeker van?’
‘Ja, doe het! Doe het nu! Ik heb tenminste de
kwartfinales gehaald, nietwaar?’
Roland V nam de elektronische sabel weer op en schakelde
het devies aan dat aan de riem rond zijn middel hing. Het
zette de punt van het wapen op stroom. Er was zelfs een
minusuul klein vonkje te zien. Behoedzaam trad hij naar
voren en nam hij de ouderwetse schermershouding aan.
Sierlijk stak hij de sabel naar voren en liet hij zijn
pols gracieus hangen. Zachtjes ging hij door de knieën en
wachtte af tot zijn tegenstander, Ben III, uiteindelijk
het hoofd zou laten hangen. Toen dat gebeurde en hij zijn
kin op zijn borst liet rusten, zei Roland V:
‘En garde!’
En met één steek raakte hij de verliezende kwartfinalist
pal op de borst. Er klonk een dof en onheilspellend
geluid waarna de onfortuinlijke een meter verder werd
weggeslingerd en op de grond viel. Hij was op slag dood.
Doodgeëlektrocuteerd. Meteen schakelde Roland V de sabel
uit. Er ging een koude rilling over zijn rug en niet lang
daarna was het zijn beurt om de hoek in te kruipen. Hij
kotste er alles uit en kreeg af te rekenen met de
zoveelste hindernis in het parcours naar de ultieme
overwinning. Maar hij moest en zou kampioen worden. Hij
was onoverwinnelijk.
In zijn hoofd zette hij een zoveelste streepje bij op
zijn eigen, inwendige scorebord dat het ongeluk in zijn
leven opsomde. De strijd, hij had ze bijna gewonnen. Hij
had bijna de hoofdprijs binnengehaald!
‘Je ziet,’ zei de dame beneden in de lobby
tegen Lana VII, ‘dat dit eigenlijk al een beetje
een voorbereiding is voor je.’
Lana VII keek hoe hoe het lichtje op het paneel stopte
met flikkeren. Een paar momenten later was ze getuige hoe
het verkoolde lijk van de verliezende kwartfinalist naar
beneden werd gebracht en werd afgevoerd doorheen de
lobby. Vlak daarna verscheen Roland V ten tonele. Hij
werd onmiddellijk belaagd door de horde reporters,
fotografen en supporters. Hij moest ze als vliegen van
zich afstaan. Ondertussen legde zijn coach, een zekere
Mr. Kin, een handdoek in zijn hals.
‘Hoe voelt u zich, meneer Roland?’
‘Had u deze overwinning verwacht?’
‘Wat was uw tactiek? Een eerste reactie?’
Roland V bleef even staan en liet de menigte bedaren.
Toen stak hij een hand op en zei:
‘Ik kan alleen maar mijn tegenstander feliciteren.
Hij heeft een prima wedstrijd gespeeld. Het was kantje
boordje, hij had evengoed kunnen winnen, maar
uiteindelijk ging het om wie het meeste geduld had en wie
het koelbloedigst was. Vandaag was ik de beste, maar dat
wil niets zeggen. Ik heb goed gespeeld, maar ik ben
bekaf. Dank u wel.’
Roland V probeerde met dit persbericht de massa achter
zich te laten, maar ze bleven hem bestoken. Halverwege
botste hij tegen Lana VII aan. De twee keken elkaar een
moment lang aan, maar meer werd hen niet gegund, want er
werd alweer aan zijn mouw getrokken en voor hij het
besefte, werd Roland V tegen de glazen deur geduwd en
onderworpen aan een tweede reeks vuurvragen.
‘Meneer Roland V, nog één vraag graag.’
‘Ik heb mijn verklaring gegeven,
jongens…’
‘Hoe schat u uw kansen in in de halvefinale, meneer
Roland V?’
‘Ziet u zich de finale halen en misschien dit hele
tornooi winnen?’
Roland V besefte dat hij er niet onderuit kon. Hij
manoeuvreerde zich tussen een paar mannen en antwoordde:
‘Dat kan ik echt niet inschatten, jongens. Ik speel
dit spel van dag tot dag. Van ronde tot ronde. Ik kijk
echt niet verder dan de volgende wedstrijd. Maar ik moet
toegeven: het vooruitzicht op de hoofdprijs die alsmaar
dichterbij komt, geeft me vertrouwen en energie. Ik denk
dat ik dit kan winnen. Maar het komt er nu op aan om
voldoende en snel genoeg te recupereren. Echt
waar.’
Op dat moment vond Mr. Kin, de coach, het meer dan
genoeg. Hij trad naar voren als een soort bodyguard en
maakte de weg vrij.
‘Laat hem even wat op adem komen, jongens,’
riep hij. ‘Jullie hebben hem gehoord. Hij heeft een
zware wedstrijd gespeeld. En hij moet weer klaar staan
voor morgen. Bovendien moet hij nu eerst naar de
check-up.’
Voor Roland V zich mocht verheugen op een lekker, warm
bad, een shot amnesia en een diepe slaap, werd hij eerst
nog opgewacht in de kelders van het spiegelgebouw. Daar
stonden de officials hem in een kamer van twee op twee op
te wachten, met naald en spuit. Een bloedcontrole.
‘Hallo jongens,’ zei Roland V opmerkelijk
luchtig na zijn zware wedstrijd. ‘Wat wordt het
vandaag?’
‘Je begint het al wat gewoon te worden, nietwaar
Roland V?’
‘Het hoort bij de routine, zeker? Serieus, wat
hebben jullie dit keer voor me?’
Een van de officials, gekleed in een zwart maatpak,
haalde een spuit tevoorschijn en liet een paar druppels
ontsnappen. Hij hield het vocht tegen het licht en zei:
‘Wat dacht je van een portie hepatitis A, B, C en
D?’
‘Ik denk er het mijne van, maar ik hou me aan de
regels. Waar willen jullie het?’
Zonder de vraag af te wachten, ging Roland V
zelfverzekerd zitten op een krukje, sloofde zijn mouw op
en wachtte af tot hij de prik zou voelen. Hij glimlachte.
Het hoorde allemaal bij het voorspel, een beetje zoals
boksers vroeger op persconferenties stoer bleven en
elkaars oor afbeten. Het was een kwestie van uitdagen,
zelfvertrouwen uitstralen en de wedstrijd al op voorhand
beslechten. Roland V had nog geen idee wie zijn volgende
tegenstander zou zijn, maar door zo bereidwillig en
moedwillig zijn mouw op te stropen, had hij al een
streepje voor. De eerste set leek al gewonnen. Roland V
beet zelf niet eens op zijn tanden toen de prik kwam en
de hepatitis een baan zocht in zijn bloed. Hij kon het
allemaal wel hebben. Integendeel: het leek hem zelfs nog
maar weinig uit te maken. De eerste injectie bij de
aanvang van de eerste ronde had hem natuurlijk misselijk
gemaakt. Hij had er drie nachten niet van kunnen slapen
want wie liet zich nu opzettelijk uit vrije wil
injecteren met de meest vreselijke ziektes? Wie haalde
het in zijn hoofd om uit vrije wil te gokken op een
beursgenoteerd bedrijf waarvan de aandelen in één dag
tijd gekelderd waren tot amper 2 euro? Wie zou zoals
Roland V alles op het spel zitten om een stomme wedstrijd
te winnen, alleen maar omdat hij ervan droomde die
hoofdprijs weg te kapen? Alleen: nu was het moment
gekomen dat hij altijd al had gevreesd. Hij zat in de
halve finale. De mietjes waren naar huis gespeeld. Het
was tijd voor het echte spel. En Roland V wist het.
‘Die hepatitis is maar een opwarmertje,
nietwaar?’
‘Goed geraden, Roland V. Je bent bij de les.’
‘Je begint de kneepjes van het vak al wat te
kennen, he?’
Toch behield de kersverse halvefinalist zijn goed humeur.
Wat kon hij anders doen?
‘Ik dacht het al. Waarmee gaan jullie me opzadelen?
Mijn arme vader uit zijn lijden verlossen? Me laten
verlammen zodat ik de kamp moet vechten vanuit een
rolstoel?’
Er kwam geen antwoord.
‘Ik zit er nog niet eens dichtbij, he?’
De officials keken elkaar aan, tot er eentje zei:
‘Je beseft toch dat je in de halve finale zit, he
Roland V? Dat is hier geen kinderspel meer,
makker.’
‘Oké, wat is het dan?’
‘Je vrouw.’
‘Mijn vrouw? Wat is er met haar? Wat gaan jullie
doen?’
In één ruk was Roland V opgestaan. Hij liet het niet
onmiddellijk merken maar hij was in paniek. Voor het
eerst sinds dit spel van start was gegaan, begon hij
ervan te zweten. Hij wist dat ze alles konden doen. Hij
had het contract getekend, inclusief de kleine lettertjes
die beweerden dat ze hem vanalles en nog wat konden
aandoen, alsook zijn nabije omgeving, familie en
echtgenote.
‘Je wist dat dit moment er ooit zat aan te komen,
Roland V.’
‘Je hebt het zelfs aan jezelf te wijten. Je had
maar niet tot in de halve finale moeten geraken.’
Roland V keek om zich heen. Het zag ernaar uit dat hij
geen hulp zou krijgen. Hij had zichzelf te verwijten. Hij
had ervoor gezorgd dat het tot dit punt zou komen. Waarom
had hij het gedaan? Die hoofdprijs…? Langzaam ging
hij weer zitten en liet de gedachte tot zich doordringen
dat hij nu niet enkel zichzelf, maar ook zijn vrouw in
deze wedstrijd had betrokken. Een soort ziekelijk
dubbelpartijtje. Al die tijd dat hij zich gespaard waande
omdat de tegenslagen en injecties nog niet overdreven
waren, wist Roland V dat ze alles hadden opgespaard voor
deze halve finale. Zijn vrouw.
‘Wat… wat zijn jullie van plan met
haar?’
‘Dat kunnen we helaas nog niet zeggen, Roland V.
Het zou de verrassing bederven en het zou zijn effect
niet hebben mocht je het nu al weten.’
‘Je kan toch iets zeggen!’ begon Roland V
zijn stem te verliezen.
‘Het spijt me.’
‘Je kan niet zomaar zeggen dat je mijn vrouw iets
zal aandoen en dan weer je staart intrekken. Ik heb het
recht om…’
‘Je hebt geen rechten in dit spel, Roland V. Dat
weet je.’
‘Ja, maar, ik moet toch weten wat het zal
zijn.’
‘Wat wil je dat we zeggen, Roland V? We kunnen
zeggen dat het gruwelijk en mensonterend zal zijn. Is het
dat wat je wilt?’
Zonder het zelf te willen barstte Roland V in snikken
uit. Het was sterker dan hemzelf. Als een hoopje stuikte
hij in elkaar. Hij schaamde zich niet voor zijn tranen.
Ook dat hoorde weer bij de voorbereiding, de trainingen
voor de halve finales. De tranen, zijn maag die
samenkromp, de hoofdpijn, de steken in zijn zij; de
officials hadden er alles voor over om de deelnemer zo
goed mogelijk te laten voorbereiden, zodat de
toeschouwers een leuke halve finale zouden krijgen.
‘Kun je me dan ten minste inlichten wie ik moet
bekampen?’ zei Roland V terwijl hij zijn tranen
droogde.
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Ik wil het weten! Oké?’
‘Goed. Zoals je wil. Hij heet Stick II en hij staat
tweede op de wereldranglijst. Je kent hem wel.’
‘Jezus, Stick II?’
Hij kon het niet geloven. Dé Stick II! De man die in elke
ronde van dit tornooi zowat ten dode opgeschreven was en
al zeven ronden lang, van bij de preselecties,
geconfronteerd werd met de meest waanzinnige voorbeelden
van ongeluk, smart en leed. Stick II had zowat alles
verloren wat er te verliezen was: zijn huisdieren, zijn
ouders, zijn grootouders, zijn huis, zijn hypotheek, zijn
zicht, zijn gehoor, zijn rechterarm en zelfs een paar
organen. De man was verdomme een wandelend lijk, ten dode
opgeschreven. En daar moest Roland V het dus tegen
opnemen! Hij had geen schijn van een kans, dacht hij. Hij
moest zelf niet eens aan de wedstrijd beginnen.
‘Je meent het,’ herhaalde hij. ‘Stick
II! Jullie hebben erom gedaan, nietwaar?’
‘Waarom?’
‘Omdat het een finale avant-la-lettre is!’
‘Het is de loting, Roland V. We hebben niet
gefoefeld of iets veranderd. Het is gewoon zo uit de bus
gekomen.’
Hij zuchtte en stond op.
‘Hier stopt de rit dus voor mij.’
Een van de officials, een grappenmaker wellicht, liep
naar de deur om hem buiten te laten.
‘Wie zegt dat? Een beetje zelfvertrouwen, he
makker. In elk tornooi is er wel een verrassing. In elk
tornooi sneuvelt er wel een reekshoofd. Je bent de
underdog en underdogs liggen goed in de markt. Je zal
alvast het publiek aan je kant hebben. Succes!’
En met deze aanmoediging verliet Roland V het gebouw.
Later die avond lag hij in bed, terwijl zijn coach Mr.
Kin hem masseerde, of liever de huid zowat kapot kneep en
hem een naalden- en spijkersessie gaf, en besloot hij
maar half te trainen voor de halve finales. Tegen de muur
hing een groot scherm waarop het nieuws van de dag te
zien was: gruwelbeelden van kapotgeschoten soldaten in
veertien verschillende oorlogen, zes nieuwe ziektes die
waren overgewaaid van Mars, een honderdtal doden bij een
natuurramp en nog meer van dat moois. Maar het hielp niet
veel. Roland V wist dat dit alles hem niet zou kunnen
voorbereiden op datgene wat de tornooileiding van plan
was te ondernemen tegenover zijn eigen vrouw. Hij draaide
zich op zijn rug en verzocht zijn coach er even mee op te
houden zodat hij haar ten minste op de hoogte kon
brengen. Het was nog niet te laat om een dagconnectie aan
te vragen en dus zag Roland V zijn vrouw even later voor
zijn geest verschijnen. Een interlokaal
bewustzijnsgesprek.
‘Ja, lieverd?’
Haar stem klonk vertwijfeld en opgelucht tegelijkertijd.
‘Ik ben het. Je hebt me toch niet gezien in de
kwartfinale?’
‘Neen, ik heb niet durven kijken,’ gaf ze
toe.
‘Goed,’ zei hij opgelucht. ‘Je weet wat
we hebben afgesproken…’
‘Maar toen ik hoorde dat je het had gehaald, heb ik
naar de replay gekeken.’
‘Godver… ik wil niet dat je me ziet in de
wedstrijd,’ zei Roland V omdat hij wist hoe
pijnlijk het voor haar wel niet moest zijn om haar man zo
te zien afzien. Daarom ook had hij haar opzettelijk nog
niet ingelicht over alle gruwel die ze niet te zien had
gekregen. De injecties achter de schermen, de
vernederingen, de innerlijke kwellingen, de leugens, al
de rest.
‘Ik…ik weet niet hoe ik je dit moet
zeggen,’ begon hij te stamelen.
‘Wat is er, Roland V?’
‘Ik… heb het verknald.’
‘Waar heb je het over? Je hebt de halve finale
gehaald! Nog even en je hebt de hoofdvogel
afgeschoten.’
‘Ze gaan jou aanpakken, liefje,’ zei hij
onzeker en voor de tweede keer die dag kon hij zijn
tranen niet de baas. Hij zag hoe zijn coach, Mr. Kin hem
misprijzend zat aan te kijken terwijl hij voorbereidingen
trof om zijn pupil nog voor het slapengaan een korte
kotssessie te ondergaan.
‘Mij? Waarom?’
‘Ze willen me treffen waar het het meest pijn gaat
doen.’
‘Maar… wat zijn ze dan van plan?’
‘Ik weet het niet. Dat wilden ze niet zeggen. Ik
weet alleen dat ze jou zullen gebruiken om mij te
treffen. Jij bent mijn handicap voor de halve
finale.’
Ze zweeg.
‘Je hebt nog niets vreemds gemerkt?’ vroeg
hij voor de zekerheid.
‘Neen, ik denk het niet.’
‘Dan zal het nog moeten komen.’
Nadat ze voor die nacht afscheid hadden genomen van
elkaar, kwam Mr. Kin weer op het bed afgestapt, met in
zijn hand een soort spalk. Roland V kende de trucs al
allemaal uit het hoofd. Om de eerste games van de
volgende rondes zonder kleerscheuren door te komen zou de
coach een lichamelijk letsel toebrengen zodat de pijn een
essentieel onderdeel zou vormen en Roland V zich op een
hoger niveau niet kon druk maken over wat er met zijn
vrouw zou gebeuren. Ook het nieuws dat hij vanaf vandaag
met alle mogelijke hepatitissen besmet was, zou naar de
achtergrond verdwijnen door die oude truc van Mr. Kin.
‘God neen, Kin,’ bood Roland V weerstand.
‘Niet weer.’
‘Een primitieve pijn verdringt de echte
pijn,’ zei de coach op zijn Oosters.
‘Oké, maar doe me een plezier. Neem een arm dit
keer. Ik wil op mijn benen blijven staan.’
Zonder waarschuwing nam de coach de rechterarm vast,
legde die op de rand van het bed en zette er toen zijn
voet op. In één beweging brak hij met zijn volle gewicht
twee botten in de arm. Roland V schreeuwde het uit, maar
huilde voor het eerst die dag van blijdschap omdat hij
wist dat hij de volgende uren meer aan die pijn zou
denken dan aan zijn volgende wedstrijd.
De volgende week speelde Roland V zijn halve finale op
diverse plekken en diverse tijdstippen. Men verloor hem
geen seconde uit het oog en een paar keer ontmoette hij
zijn tegenstander, Stick II, in het winkelcentrum
bijvoorbeeld of bij de ombudsman. Wie van de twee de
ander uitnodigde voor een ‘confrontatie’ in
een van de vele kamers van het spiegelgebouw, had de
beste papieren want die stond het sterkst, of beter
gezegd: die had het meeste meegemaakt. Wie dan in die
kamer het onderspit zou delven, stond de troostprijs te
wachten: de dood, wat op zich de winnaar als een spoetnik
naar de finale zou schieten.
Het zag ernaar uit dat Roland V uiteindelijk toch de
finale zou missen. Stick II was een doordrijver, meer
nog: de man leek een olifantenhuid te hebben en was
letterlijk niet uit het veld te slaan.
Tot er een anonieme tip binnenkwam die aantoonde dat de
man in kwestie doping gebruikte. Temidden van een
ontmoeting in een café waar de twee mannen hun ongeluk
trachtten te verdringen, gebeurde het.
‘Hoe staan de zaken ervoor?’ vroeg Stick II
gespeeld luchtig. ‘Nog altijd niet van plan om op
te geven?’
‘Ik ben geen opgever,’ zei Roland V maar
onder het oog van de miljoenen kijkers wist hij dat hij
zwart aan het liegen was.
‘Neen? Bewonderenswaardig,’ antwoordde Stick
II. ‘Ik heb nochtans gehoord dat ze je vrouw in het
spel hebben betrokken.’
‘Jij bent toch niet met haar vreemdgegaan?’
vroeg Roland V opkijkend.
‘God, neen! Dat niet, maar het zal wel erg zijn,
neen?’
‘Ik weet niet. Ik heb er nog niets van
gemerkt.’
Het was zo. Een week lang was Roland V opgezadeld met
kleine ongemakken en tegenslagen, maar die grote klip, in
de vorm van zijn vrouw, was nog niet aan hem verschenen.
Ze leken het nog even uit te stellen. Terwijl Stick II,
uit goeie bron vernomen, wel al twee gigantische
opdoffers te verwerken had gekregen.
‘Hoe zit het met die beschuldiging van pedofilie,
Stick?’ vroeg Roland V op zijn beurt luchtig.
‘Het is beter dan die geruchten die over mij de
ronde doen over doping.’
‘Ach ja,’ zei Roland V en net toen hij wilde
beginnen over de vermeende dopingaffaire werden de
geruchten in daden omgezet toen zonder waarschuwing een
paar officials en scheidsrechters bij hen kwamen staan
met de mededeling dat Stick II werd gediskwalificeerd.
‘Hoe bedoel je, man? Laat los! Laat me
spelen!’
Maar het had geen zin meer. Roland V wist niet of hij nu
een gat in de lucht moest springen omdat het ernaar
uitzag dat hij in de finale zat, of mdedeleven moest
voelen omdat zijn tegenstander niets anders had gekund
dan naar de verboden middelen te grijpen.
‘Stick II, u wordt uit de wedstrijd gezet op
beschuldiging van doping, in de vorm van regelmatig
gebruik van opbeurende en oppeppende middelen zoals
Prozac en andere vormen van anti-depressiva.’
Toen Roland V samen met Mr. Kin in zijn hotelkamer al
zijn overwinning aan het vieren was, kwam hij nog te
weten dat Stick II al het hele tornooi zo uitzonderlijk
presteerde en alles kon verdragen omdat hij gewoonweg
geen hart meer had. De man had een kunsthart laten
plaatsen en daarbovenop had hij zich geregeld suf en
gevoelloos gesnoven dat het hem allemaal niets meer
uitmaakte. Wat er nu te gebeuren stond, wist Roland V
niet, aangezien het de eerste keer was dat iemand uit het
Tornooi was gezet.
‘Wat nu?’ vroeg Mr. Kin toostend. ‘Moet
je hem nu niet doden?’
‘Ik weet het niet,’ zei Roland V. ‘Ze
hebben hem meegenomen voor ondervraging. Hij zal al zijn
premies, sponsordeals en medailles terug moeten
inleveren, denk ik. Dat op zich is al een stuk erger dan
de dood, neem ik aan. Ik bedoel, hij zal aan de
schandpaal worden genageld.’
‘Ja, maar op die manier komt hij er makkelijk
vanaf. Het reglement wordt nu niet toegepast.’
Maar er was iets anders dat Roland V bezighield. Zijn
vrouw. Door deze plotse onderbreking en opgave, hadden ze
die factor nog niet aangewend. Het zou dus iets worden
voor in de finale. Tenzij ze met nog iets beters op de
proppen konden komen. Zonder het zelf te willen bleef
Roland V zich afvragen in welke vorm ze zijn vrouw als
obstakel hadden ingeschakeld. Het prikkelde hem; het
zette hem aan het denken en vooral: hij werd ongelooflijk
nieuwsgierig. Meer nog: een tweede opgave in de finale
zou hij niet aankunnen. Hij moest het weten. Natuurlijk
zouden ze nooit het risico willen nemen om een finale
zonder spanning en actie af te leveren.
Toen Roland V dus die dag uit het hokje van de officials
kwam, waarbij een vorm van hersenvliesontsteking bij hem
werd ingeplant en ze hem als vrijwilliger hadden
aangemeld voor een geheime oorlogsmissie op Venus, keek
hij vooral uit naar dé ingreep: zijn vrouw. Hij kon bijna
niet wachten om zijn opwachting te maken in de finale.
Als een bokser stond hij als het ware in zijn hoekje
touwtje te springen, klaar om met alles en iedereen de
grond aan te vegen.
Maar nog voor Roland V zijn tegenstander in de finale
voor het eerst te zien kreeg, wist hij hoe laat het was.
Hij wist hoe ze zijn vrouw hadden ingeschakeld. Hij liep
het spiegelgebouw binnen, uitgerust met de elektronische
sabel aan zijn heup, op weg naar een kamer waar hij een
eerste game zou uitvechten. Maar halverwege de lobby zag
hij haar. Zijn vrouw! Ze was op post. Ze hadden haar
inderdaad in de strijd geworpen, alleen niet zoals Roland
V het verwacht had. Ze stond namelijk in de groep van de
volgende deelnemers!
‘Mijn god, neen!’ riep Roland V uit.
Hij liep op haar af en tikte haar op de schouder.
‘Lana VII!’
‘Liefje, wat doe jij hier? Moet jij je niet
voorbereiden op de finale?’
‘Wat doe jij hier? Zeg me niet dat je… je
hebt ingeschreven?’
Ze keek hem beneveld en angstig aan.
‘Jawel.’
‘Neen!’
Hij nam haar stevig vast en drukte haar boezem tegen zijn
borst aan, alsof hij nu al naar dat gevaarlijke
oorlogsfront moest vertrekken. Alsof hij haar nu al had
verloren, of liever: alsof zij hem nu al had verloren.
Maar het was zo. Hij had de finale al verloren. Dit zou
hij nooit te boven komen, dacht hij. Ze hadden hem
genekt. Deze achterstand zou hij in geen week meer kunnen
ophalen. Hij voelde zijn hart wegteren. Hij was op. Hoe
kon ze hem dit aandoen? Wat stond er haar allemaal niet
te wachten? Haar leed zou het zijne worden. Het zou zijn
ondergang worden. Het zou hem de hoofdprijs kosten.
‘Waarom?’
‘Ik had een nachtdroom waarin…’
Maar Roland V hoorde de rest al niet meer. Hij wist
genoeg. Een nachtdroom. Zo hadden ze het dus gedaan. Hij
wist natuurlijk ook wel dat er opperste geheimhouding
werd verreist van de deelnemers. Lana VII kon hem dus
niet hebben ingelicht over haar inschrijving. Hij liet
haar los en zag haar bezorgde blik.
‘Liefje, je kunt dit nog altijd winnen,
hoor!’
‘Vergeet het,’ zei hij hoofdschuddend.
‘Ik heb verloren. Ik heb jou verloren! Aan dit
ellendige spel!’
‘Niet waar! Je kan het!’
‘Ach, hou op.’
Hij gaf haar een laatste kus en keek haar nog een laatste
maal aan. Net toen hij op het punt stond er de brui aan
te geven en in de witte kamer tegenover zijn tegenstander
op de grond neer te zakken en om genade te smeken, keek
hij op. Verrek: ze had gelijk. Hij was geen loser. Hij
was een winnaar. Hij mocht één zaak niet vergeten. De
hoofdprijs. De beloning.
‘Je kan het, liefje. Ik geloof in je!’
Hij knikte en zocht daarna de weg doorheen de drummende
massa van reporters naar de bovenste verdieping. Toen hij
in kamer 365 aankwam, stond zijn tegenstander, een
gebroken oude man, al op hem te wachten. Roland V kende
zelfs zijn naam niet. Misschien maakte dat ook allemaal
niet meer uit. Het voornaamste was dat de oude man amper
nog op zijn benen kon staan. Hém hadden ze helemaal
leegeplunderd, dacht Roland V. En tegelijk dacht hij: dit
kan ik nooit winnen. Een oude man die ondanks al dat leed
nog altijd de moed vindt om me hier te staan opwachten,
moet wel een heel bijzondere sportman zijn.
‘Ik ben Roland V,’ stelde hij zichzelf voor.
‘Ik… ik ben niemand meer,’ stamelde de
oude man. ‘Ik ben een nietsnut. Ik heb geen enkele
betekenis meer in dit leven. Ik heb niets meer.’
‘Je hebt bijna deze wedstrijd gewonnen,’ zei
Roland V en op dat moment dacht hij er zelfs aan om hem
de finale te schenken. Misschien zou hij dan niet gedood
worden en konden hij en Lana VII toch nog ontsnappen en
op een lang verdiende vakantie gaan. En zo hoefde zij ook
niet deel te nemen aan de volgende aflevering van dit
tornooi. Maar toen dacht hij aan de beloning, de prijs,
de beker.
‘Ik denk niet dat ik het haal,’ pruttelde het
mannetje tegen. ‘Ik kan niet meer. Ik heb kanker,
alle mogelijke ziektes en ze hebben me ook nog eens
halfdood bestraald met radioactief materiaal. Het maakt
eigenlijk niet uit of ik nu win of niet; dood ga ik toch.
Ik ben eigenlijk al blij dat ik het gehaald heb. Met de
centen en het prijzengeld van de finale kunnen mijn
vrouw, mijn kinderen en kleinkinderen een tijdje verder
leven. Ik heb tenminste niet voor niets geleefd, geleden
en gevochten.’
Roland V had niets meer. Hij kon niets meer zeggen. Het
was zoals het was. Het was de waarheid. Wat restte hem
ook nog? Maar nog voor hij zelf door de knieën kon gaan,
stuikte het mannetje al tijdens hun eerste kamp neer. Het
was niet zozeer een bewuste beslissing, dacht Roland V.
Het was eerder een kwestie van niet meer kunnen. De
handdoek werd in de ring gegooid.
‘Wat doe je nu?’ vroeg Roland V bijna met
spijt.
‘Ik geef op. Je hebt gewonnen. Jij hebt het
grootste tornooi van de wereld gewonnen. Ik gun het je.
Je hebt het verdiend!’
‘Maar ik wil niet winnen,’ jammerde Roland V
ineens.
Maar terwijl hij het zei, was hij toch trots op zichzelf
dat hij had volgehouden. Een of twee seconden langer dan
deze oude, gebroken man. Dat wilde toch iets zeggen. In
gedachten zag hij zijn vrouw Lana VII al een gat in de
lucht springen, net als de reporters die live verslag
zouden uitbrengen.
‘We hebben een winnaar! Roland V heeft deze week de
zesendertigste editie van het Tornooi op zijn naam
geschreven! Na zijn schitterende overwinningen in de
achtste en kwartfinales moest hij het opnemen tegen de
topfavoriet Stick II, maar ook daar ging hij losjes
overheen. In de finale werd een keiharde, gemene
bikkelharde strijd verwacht, maar de kijkers bleven wat
op hun honger zitten want al tijdens de eerste kamp hing
Rolands tegenstander in de touwen…’
Roland V nam de uitgestoken hand van de oude man aan en
trok hem op.
‘Ik zal er je eeuwig dankbaar voor zijn,
jongeman,’ smeekte de man met een blik op de sabel.
‘Ik weet niet of…’
‘Je moet het doen!’
‘Ik dacht dat de verliezende finalist geen
troostprijs kreeg, maar gratie?’
‘Ik wil geen gratie! Ik wil die troostprijs en wel
nu! Doe het!’
‘Neen.’
Maar met het laatste restje moed en wanhoop hees de oude
man zich omhoog en nam hij de punt van de elektronische
sabel vast terwijl hij met zijn andere hand, worstelend
met Roland V die hem van zich af wilde houden, de stroom
aanschakelde. Roland V wilde nog ingrijpen, maar het was
te laat. Het oude ventje greep de arm die niet de zijne
was en bracht de sabel in één beweging tot bij zijn
voorhoofd. Zonder nog iets te zeggen, drukte hij de punt
als een askruisje tegen zijn huid en werd hij dood
geëlektrocuteerd.
‘Proficiat!’ klonk het van overal uit de
boxen en de schermen in de kamer. Roland V keek naar
buiten door het grote, brede raam en zag een gigantisch
scorebord voorbijdrijven in de lucht. Hij las zijn eigen
score en uitslag ervan af en liet de verliezende namen
allemaal stuk voor stuk aan zich voorbijgaan. De top tien
kon hij nog bijhouden, maar de rest van het peloton was
hij allang vergeten. Toen hij naar beneden keek, zag hij
de menigte op straat, voor het grootste deel om hem te
feliciteren, maar er waren ook een paar portestgroepen
bij die dit hele verderfelijke spel een gebrek aan normen
verweten.
‘Het is tijd voor de prijsuitreiking, Roland
V!’
Als een koning daalde de winnaar door de gangen, de
trappen en de lobby over een rode loper naar buiten waar
de beker hem al stond te wachten. Zijn hart klopte dubbel
zo hard.
‘Nog een geluk dat ik geen speech hoef te
geven,’ dacht hij nog.
Ergens halverwege passeerde hij zijn vrouw Lana VII die
naar hem knipoogde en gebaarde dat ze van hem hield en
altijd wel van hem zou houden. Roland V kreeg het
moeilijk en verloor bijna de controle over zijn spieren.
Maar hij moest volhouden. Hij moest als een echte
gladiator het hoofd hoog houden en zijn eer in ontvangst
nemen. Dus liep hij gestadig door en genoot van de
schouderklopjes, de handtekeningen die hij onderweg
uitdeelde en de bombastische fanfare die hem muzikaal
begeleidde tot het kleine, in elkaar gebokste podium
waarop de grote beker met de grote oren stond. Het was
een gouden beker waarin de vijfendertig namen van de
vorige winnaars in stonden gegraveerd. Daar aangekomen
schudde Roland V de hand van de notoire organisator en
bedenker van het spel. Hij keek de massa in en merkte
zijn coach op. Jammer dat hij die niet meer zou kunnen
bedanken.
Toen kreeg hij de beker overhandigd. Hij nam hem met
beide handen beet en stak hem als een krijger de lucht
in. Het publiek barstte los in luid applaus en gefluit.
Roland V besefte dat dit zijn gloriemoment was. Hij kuste
de beker en dacht aan de eeuwige roem die hem dit alles
zou opleveren.
Toen hield hij de beker voor zich uit en keek hij nog één
keer naar zijn vrouw Lana VII.
‘Mijn god,’ stond het hem ineens bij.
‘Dat ze dit moet aanzien maakt niet deel uit van
mijn ongeluk, het maakt deel uit van haar voorbereiding!
Mij aan het werk zien en de hoofdprijs zien krijgen, is
een test en haar eerste handicap voor haar eerste
ronde!’
Het werd hem ineens allemaal duidelijk. Er zouden bij
Lana VII geen injectiespuiten aan te pas komen bij de
aanvang van haar eerste ronde van het Tornooi. Dit
volstond.
‘Oké, dan,’ besloot hij achteloos. ‘Als
het zo moet, dan is het maar zo.’
En met gesloten ogen zette Roland V, winnaar van het
Grootste Tornooi, zijn lippen aan de gouden kelk en dronk
in één teug het vergif op.
Een paar momenten later kreeg hij zijn beloning en
hoofdprijs.
© Bavo Dhooge