NACHTMERRIE IN BODRUM
• Eddy C. Bertin •

Femke was met haar jonge zusje Jana en haar ouders met vakantie op Bodrum. Een toeristenval maar ook een leuke vissershaven in het Zuidwesten van Turkije aan de Egeïsche Zee, onder Izmir. Zelfs zo dicht bij het Griekse eilandje Kos dat je er met een overzetboot heen kan.
Ze hadden het oude kasteel gezien dat over de zee uitkijkt, en wandelden langs de haven, waar veel mooie houten zeilboten aangemeerd lagen. ‘Heerlijk, ruik die zeelucht’, zei vader. ‘De herfst is toch ideaal voor een vakantie, helemaal geen toeristen meer.’ Hij verzweeg maar dat ze niet tijdens de zomermaanden konden gaan omdat hij geen verlof kreeg op zijn werk.
‘Geen toeristen, zelfs geen mensen,’ zuchtte Femke. ‘Ik verveel me dood’, zei Jana. Geen wonder, Bodrum was zowat uitgestorven. Ze wandelden door de vele smalle straatjes met zoveel leuke winkeltjes, die allemaal potdicht waren. Het was alsof voor de Turken het winterseizoen al begonnen was.
‘Komaan, we zijn schatrijk!’ zei moeder, ‘vader is net naar het wisselkantoor geweest’
‘Voor honderd euro kreeg ik 120 miljoen Turkse Lire! Nooit zoveel geld op zak gehad. Natuurlijk kost een biertje wel drie miljoen hier.’
‘Geef mij maar een cola,’ zei Femke, ‘da’s maar twee miljoen’
‘Oké, we gaan iets drinken en iets eten,’ zei moeder. ‘Het is al na de middag, ik begin honger te krijgen.’
Na wat zoeken vonden ze een visrestaurant dat zowaar open was. Het terras bestond uit eenvoudige houten tafeltjes en wat stoelen, die gewoon op het strand stonden. Ze hadden een mooi zicht op de baai en verder weg op het kasteel. De uitbater had een grote zwarte snor en sprak gelukkig Engels.
‘De vis is vers gevangen,’ zei hij, ‘en heel goedkoop want er zijn bijna geen toeristen meer.’ Ze kregen al dadelijk een slaatje en een grote kom frieten. ‘Vis later, eerst bakken,’ verduidelijkte de man.
‘Het water ziet er heerlijk uit,’ zei Femke, ‘ik ga even pootje baden.’
‘Erg koud,’ zei de restaurantbaas.
Femke lachtte. ‘Ik heb geen schrik van de kou.’
‘Toch oppassen. Niet diep gaan. Vorige week nog, toerist uit Engeland, diep in water. Kou aan hart. Verdronken, weggespoeld in zee.’
‘Zo ver ga ik niet hoor,’ zei Femke.
‘Pas toch maar op,’ zei moeder, ‘ik heb gelezen dat hier soms grote kwallen dicht bij het strand zijn.’
‘Geen nood, ik heb rubberen strandschoenen aan!’
Femke liep het strand af, en dan voorzichtig het water in. Brrr! Het was verdorie echt érg koud. Toch ga ik nu niet terug, dacht ze, anders lacht Jana me weer uit. Voetje voor voetje ging ze verder het water in, hobbelend over de stenen onder water. Het kille water kroop hoger, tot aan haar knieën, dan tot aan haar billen. Eenmaal erin was het helemaal zo erg koud niet meer.
Iets gleed zacht en koud langs haar linkervoet. Wat wier of een plasticzak, dacht Femke. Ze keek achterom. Het terrasje zag er plots heel ver weg uit.
Het koud ding kronkelde om haar voet en gaf een plotse ruk, zodat Femke even struikelde. Ze keek naar beneden, het water was vuil en grauw, ze zag alleen iets wits rond haar voet. Iets dat harder aan haar voet sleurde.
Femke gilde toen ze achterover viel in het water en plots ondergedompeld werd in de ijzige koude. Proestend kwam ze overeind maar het ding hield haar vast, probeerde haar onder te trekken. Femke stak beide handen onder water en voelde iets kouds dat grimmig bewoog rond haar voet. Wat het ook was, het leefde! Het probeerde haar mee te sleuren, de diepere zee in.
Femke gaf een harde ruk en het ding liet haar los. Gillend draaide ze zich om en rende uit het water. Ze was haar ene strandschoen kwijt en de stenen waren hard onder haar voeten.
‘Wat is er? Wat is er?’ Moeder in grote paniek.
‘Iets greep me beet,’ huilde Femke, ‘het wilde niet loslaten.’
Vader keek naar haar voet. ‘Het is oké, je hebt maar een paar schrammen,’ zei hij. ‘Kom, ik wind mijn zakdoek om je voet, op één schoen kan je niet lopen.’
‘Kwal,’ mompelde de uitbater, ‘soms dicht bij strand. Gevaarlijk.’
‘Het doet geen pijn. Ik ben alleen erg geschrokken,’ zei Femke.
De inmiddels gebakken vis smaakte heerlijk. Ze namen een busje terug naar het hotel, met zo’n voet in een zakdoek was wandelen wat moeilijk.
Maar ’s avonds begon Femke’s voet pijn te doen. De schrammen waren felrood geworden en bloedden zelfs een beetje. Femke’s vader ging naar de receptie.
‘No, no doctor. Naar özel Bodrum hastanesi. Poliklinik in Marsmabedi Straat. Heel de nacht open.’
Gelukkig was er een taxistation naast het hotel. Een behulpzame chauffeur bracht Femke en vader onmiddellijk naar de polikliniek, en zei zelfs dat hij op hen zou wachten tot ze klaar waren.
De dokter onderzocht Femke’s voet en keek dan heel vreemd. ‘Geen kwal,’ zei hij tot vader. ‘Dit hier zijn sporen van nagels. Menselijke vingernagels!’
Een half uur later stonden Femke en haar vader op het strand, met de politie. De restaurantuitbater verscheen in paniek met een zaklamp, hij dacht dat men zijn restaurant ging overvallen. Femke kreeg grote rubberlaarzen aan en ging het donkere water in om de politie te tonen waar ze aangevallen werd. De politiemannen hadden sterke zaklampen en stokken met haken, en ook grote laarzen. Dan wuifden ze Femke weg: ‘Ga terug op strand nu!’ Maar Femke keek om en zag hoe ze met hun stokken iets vasthaakten dat net onder het water dreef, iets dat groot en wit was. Ze sleepten het op het strand, dan werd het weggevoerd in een ziekenwagen.
Een politieman kwam bij Femkes vader. ‘De verdronken Engelse toerist,’ zei hij, ‘lag daar al meer dan een week. Zat vast in zeewier, zo dicht bij het strand. Vissen hadden tong, neus en ogen al opgevreten. Maar hij had dit in zijn ene hand.’
Hij overhandigde Femkes rubberen strandschoen aan haar vader.

© Eddy C. Bertin

CONVERGENTIE
• Frank Roger •

Wat een prachtige dag, dacht Sandra. Een blauwe hemel, een licht briesje, en warm maar niet te heet. Toen ze naar haar geparkeerde auto stapte met haar aankopen leek een zonovergoten terras haar te wenken. Ach, waarom ook niet? Ze dumpte haar zakken in de koffer van haar auto en snelde terug naar het terras. Ze bestelde een cappuccino en ging er gemakkelijk bij zitten, genietend van de zon die haar gezicht streelde en de vredige atmosfeer. Ze sloot haar ogen voor enkele seconden, opende ze weer en liet haar blik ronddwalen. Mensen reden af en aan, op weg naar of van het winkelcentrum. Iedereen leek relaxed en gelukkig, vele mensen hadden kinderen mee, en hun schrille kreetjes en gelach vulden de lucht. Sandra nipte van haar cappuccino en dacht: Ik zou hier voorgoed kunnen blijven zitten. Waarom weggaan? Dit is perfect! Het geluid van krijsende banden verbrak de betovering. Ze fronste het voorhoofd, en zag hoe een rode Mercedes nog net een aanrijding kon vermijden met een witte Toyota die van de parkeerplaats wilde wegrijden. De twee chauffeurs maakten heftige gebaren en gaven elkaar de schuld van het bijna-ongeluk. Blijkbaar wisten ze het dispuut te regelen, want de Toyota reed weg en de Mercedes nam zijn plaats in. Sandra schudde het hoofd. Hoe konden mensen zich zo gedragen? Ze wilde haar cappuccino uitdrinken, maar tot haar verbazing bleek er een cola op de tafel voor haar te staan. Had iemand haar drankje verwisseld met een cola zonder dat ze het gemerkt had? Dat leek weinig waarschijnlijk. Ze keek om zich heen, en merkte dat iedereen op het terras cola aan het drinken was. Dat was vreemd. Had die gozer met zijn dreadlocks, die daar zijn krant zat te lezen, geen biertje gehad? En had ze de ober enkele minuten geleden geen twee koffies zien brengen voor dat zwarte koppel? Nu hadden ze ook allemaal een cola voor zich, en dat leek hen niet te verontrusten. Ze nam even haar eigen cola beet, als om te controleren of die wel echt was. Hij was wel degelijk heel echt. Haar cappuccino was verdwenen. Wat was hier aan de hand? Ze richtte haar aandacht weer naar de parkeerplaats, staarde naar de Mercedes die de goede sfeer had verbroken. Wacht even, was dat geen rood model geweest? Nu was die wit. Maar auto’s veranderden niet zomaar van kleur. Was het een andere auto? Hij leek precies op de rode, behalve de kleur. En niemand parkeerde zijn auto hier voor een paar seconden. Speelden haar ogen haar misschien parten? Of had een flauwe grappenmaker hier een practical joke van enorme proporties opgezet? Ze bestudeerde de parkeerplaats wat aandachtiger, en merkte dat er opvallend veel witte en grijze auto’s stonden. Was dit enkele minuten geleden ook al zo geweest? Of waren alle auto’s in felle kleuren weggereden en vervangen door witte en grijze? Dat leek niet erg waarschijnlijk. Ze bekeek de auto’s nauwkeuriger. Wat was dat? De blauwe Volvo naast die Mercedes was plots grijs geworden. Ze had hem niet echt van kleur zien veranderen, maar het was beslist dezelfde auto, daar bestond geen twijfel over. Dit kan gewoon niet, dacht ze. Dit is volslagen onmogelijk. Dit is pure waanzin. Zou ze de mensen op het terras moeten zeggen wat ze ontdekt had? Ze keek om haar heen, merkte dat het zwarte koppel en de man met de dreadlocks er niet meer waren. Dat was vreemd, ze had in die paar ogenblikken niemand zien weggaan. Een man zat zijn krant te lezen waar die knul met zijn dreadlocks had gezeten. Hij vertoonde trouwens een frappante gelijkenis met die andere kerel, of was het zijn vroegere zelf? Het zwarte koppel was vervangen door een blank, tenzij ook die mensen plots hun kleur hadden verloren. Hé, was dit een patroon? Was alles zomaar aan het veranderen, terwijl zij hier zat te kijken? Eerst de auto’s, en nu de mensen? Werden sommige kenmerken uitgewist en vervangen door meer gebruikelijke? Maar dat was belachelijk! Ze schudde het hoofd, sloot haar ogen voor enkele seconden. Wat was hier aan de hand? Dit kon geen practical joke zijn. Maar er moest wel een verklaring voor bestaan. Was ze aan het hallucineren, was ze gek aan het worden? Had iemand een bepaalde substantie in haar cappuccino gedaan? Of in haar cola? Ze kwam overeind en wandelde rond op de parkeerplaats, in gedachten bijhoudend waar er rode en blauwe auto’s geparkeerd stonden. Een zwarte Mercedes, een rode Honda, een donkerblauwe Audi. Ze lette op kleine details, noteerde zelfs nummerplaten, zodat ze de auto’s straks nog zou herkennen. Als hier inderdaad iets vreemds en onverklaarbaars gebeurde, dan moest ze er absoluut zeker van zijn voor ze het aan anderen ging vertellen. Maar bij wie kon ze gaan aankloppen? De mensen op het terras? Ze kende niemand van hen. De politie? Kon ze dit krankzinnige verhaal aan de politie vertellen zonder te worden gek verklaard? Ze kon misschien enkele vriendinnen bellen, of haar moeder. Ze wandelde terug naar de plaatsen waar de gekleurde auto’s hadden gestaan, en merkte dat de Mercedes nu grijs was. De nummerplaat was nog onveranderd, dus moest het om dezelfde auto gaan. De Honda bleek nog altijd rood te zijn, maar de Audi was wit geworden. Wat dit ook was, het werd erger en het ging snel. Ze moest iets doen. Plots kreeg ze een idee. Was alles wel in orde met haar eigen auto? Ze haastte zich terug naar waar ze haar blauwe Datsun had geparkeerd, maar kon die niet direct vinden. Er stonden vier witte auto’s van dat type, maar geen van de nummerplaten kwam overeen met die van haar. Verdomme! Dit kon niet waar zijn. Ze balde haar handen tot vuisten en vloekte, boos omdat ze haar eigen auto niet meer kon herkennen. Ze probeerde haar sleutel op alle Datsuns die ze opmerkte, maar zonder succes. Haar auto was verdwenen, of was op mysterieuze wijze veranderd. Maar waarom was haar sleutel dan niet mee veranderd? Ze leek de enige te zijn met een autoprobleem. Alle anderen gedroegen zich zoals gebruikelijk, zonder enig spoor van bezorgdheid. Wat was hier verdomme aan de hand? Ze nam haar telefoon en belde haar moeder, maar die nam niet op. Misschien was ze weer in slaap gesukkeld, of was ze haar toestel vergeten meenemen. Haar bejaarde moeder was nooit gewoon geraakt aan “al die nieuwe technologie”. Ze belde enkele vriendinnen, maar met beperkt succes. De enige die ze aan de lijn kreeg was Lynn, die zoals gebruikelijk non-stop praatte over van alles, maar ze kreeg geen kans om het probleem aan te snijden of vragen te stellen. “Ik bel je nog terug,” zei Lynn, en dat was het. Hier was ze dan, alleen in een dolgedraaide wereld, zonder haar auto en haar aankopen, wanhopig zoekend naar een uitweg. Ze wandelde terug naar het terras en bleef staan toen ze getroffen werd door een vreemd gevoel. Er was iets niet normaal aan al die mensen, maar ze kon niet direct zeggen wat. Ze bestudeerde de mannen en vrouwen die daar zaten, allen met een cola. Plots daagde het haar. Geen enkele van deze mensen was in enig opzicht opvallend. Het was geen typische verzameling mensen die je op een terras of waar dan ook zou aantreffen. Er waren geen zwarten, geen types met dreadlocks, niemand met kleurige kleren, niets dat ook maar in de ruimste betekenis van het woord “opvallend” was. Deze mensen leken allemaal opmerkelijk normaal en trokken goed op elkaar. En zij was de enige persoon hier die blijkbaar verveeld zat met die situatie. Het is net zoals met die auto’s die grijs en wit worden, besefte ze. Ook de mensen werden “kleurloos”, iedereen werd beroofd van de kenmerken die hem deden opvallen. Alles en iedereen werd herleid tot zijn grootste gemene deler. Drankjes werden cola, rode auto’s wit, dreadlocks veranderden in een normaal kapsel. Er was sprake van een duidelijk patroon, ook al was het complete onzin. Zoiets gebeurde nu eenmaal niet, kon ook niet gebeuren. Maar toch gebeurde het, en zij zat er middenin. En om een of andere vreemde reden had het verschijnsel gelukkig geen vat op haar. Ik moet terug thuis zien te raken, besloot ze. Per taxi, met auto-stop, hoe dan ook. Thuis zal ik tot rust kunnen komen, mijn situatie bekijken en beslissen wat ik eraan kan doen. Het is zinloos om hier te proberen mijn auto terug te vinden, of om tegen deze mensen te praten. Ze zijn eerder een onderdeel van het probleem dan de oplossing ervan. Ik moet hier weg. Gelukkig duurde het niet lang voor ze een taxi vond. Het was een grijze auto, wat haar niet langer verwonderde. Daar gaf ze nu niet meer om, ze zou al blij zijn als ze veilig thuis raakte. Terwijl ze onderweg waren vroeg ze aan de chauffeur: “Heb je soms toevallig het nieuws gehoord? Is er niets gebeurd? Iets dat buiten het gebruikelijke valt?” De man schudde het hoofd. “Alleen maar de gewone toestanden. Niets dat me is bijgebleven.” Hij was niet erg spraakzaam en beperkte zich tot “Ja“ en “Nee” toen ze nog enkele vragen stelde, dus gaf ze het maar op. Ze staarde wat uit het raampje, en bestudeerde wat ze zag op straat. Het meeste bevestigde haar vrees dat de wereld een verschrikkelijke transformatie aan het doormaken was. Het waren niet zozeer de auto’s die haar beangstigden. Toegegeven, er vielen geen gekleurde auto’s meer te bespeuren in het verkeer, voornamelijk witte en een enkele grijze. Zou zelfs de “kleur” grijs verdwijnen uit het straatbeeld, en wit als enige “overlevende” van het veelkleurige verleden blijven? Het waren vooral de mannen en vrouwen die haar met vrees vervulden, een vrees die veel dieper ging. Het was niet gewoon zo dat speciale of typische kenmerken weggefilterd werden. Het proces was al verder gevorderd. De mensen op het trottoir leken nu allemaal op elkaar, droegen dezelfde kleren, ontdaan van felle kleuren, en tot haar ontzetting hadden ze allen uitdrukkingsloze gezichten. Het meest angstaanjagende was dat iedereen “hetzelfde” gezicht leek te hebben, het soort gezicht dat zo “gewoon” was dat het in een mensenmassa onopgemerkt bleef, dat nauwelijks te beschrijven viel omdat het zich in geen enkel opzicht onderscheidde van de rest. De mensen die ze zag waren niet langer individuen, maar anonieme elementen van een menigte, en niemand leek verontrust door de transformatie die zich had voorgedaan of was er zich zelfs maar van bewust. Iedereen leek best tevreden en zorgeloos. Er was enkel nog een verschil tussen mannen en vrouwen. Ze hoopte maar dat dit verschil niet ook ging verdwijnen. Ze sidderde toen ze dacht aan wat deze ontstellende evolutie kon hebben veroorzaakt, wat de gevolgen ervan zouden zijn en hoe het zou aflopen. Ze vroeg zich ook af waarom zij er niet door aangetast leek, hoewel ze het waardeerde een uitzondering te zijn. De weinige agenten die ze zag op straat waren net zoals de anderen. Ze hadden dezelfde verandering ondergaan, en leken even anoniem en vaag tevreden als de rest. Het had duidelijk geen zin om de politie te bellen om hulp. Ze was opgelucht toen de taxi halt hield voor het appartementsgebouw waar ze woonde. Ze betaalde de chauffeur en haastte zich naar het veilige toevluchtsoord van haar flatje, waar ze direct de TV aanzette. Er moesten gewoon extra nieuwsbulletins zijn, gewijd aan het spectaculaire verschijnsel dat anderen ongetwijfeld ook hadden opgemerkt. CNN had zoals gebruikelijk de aandacht toegespitst op buitenlandse thema’s, en de nieuwsberichten onderaan het scherm vermeldden niets bijzonders. Wat haar het meest trof was het gezicht van de nieuwslezer, dat in schrikwekkende mate leek op wat zo alomtegenwoordig was op straat. Betekende dit dat het verschijnsel al de hele natie had getroffen, of misschien zelfs de hele wereld? En wat betekende dit voor haar? Was zij de enige persoon die aan de transformatie was ontsnapt? En in dat geval, waarom was zij daarvoor uitgekozen? Ze schakelde over naar enkele andere stations, maar ook daar bleken geen extra nieuwsbulletins te zijn. Ze probeerde een paar buitenlandse TV-zenders, in de hoop dat het verschijnsel zich nog niet tot in alle uithoeken van de wereld had verspreid, maar jammer genoeg kon ze die vreemde talen niet begrijpen, en als er al programma’s gewijd waren aan deze transformatie, dan ontging de informatie haar. Ze bleef maar willekeurig van kanaal veranderen, in de hoop toevallig op iets te stuiten dat interessant of informatief kon zijn. Ze zag fragmenten van allerlei programma’s, films, feuilletons, muziekvideo’s en reclamespotjes, tot ze plots middenin een interview belandde dat haar aandacht trok. Een man met wit haar en een bril, een archetypische universiteitsprofessor, zei net: “…het is duidelijk dat hier een kritisch punt is bereikt, waar individualisering en diversificatie tot hun eindpunt zijn gevoerd, en de slinger zal onvermijdelijk terug zwaaien…” Ze ging rechtop zitten en verhoogde het volume wat, maar het gezicht van de professor was al vervangen door een reclamespotje, en toen veranderde ze per ongeluk weer van kanaal en kwam middenin een western terecht. Ze probeerde terug te keren naar dat vorige TV-station, maar dat lukte haar niet. Ofwel was dat programma afgelopen, ofwel kon ze het station niet meer vinden. Het was trouwens moeilijk om de verschillende stations van elkaar te onderscheiden. Alle beelden leken in elkaar over te lopen, en dezelfde gezichten schenen overal op te duiken. Was dit alweer een bevestiging van haar theorie, of werd ze gewoon te moe? Ze keek nog enkele minuten, vond toen niets meer van belang en schakelde de TV uit. Ze dacht na over dat ene zinnetje dat haar aandacht had getrokken. Had het een aanwijzing bevat? Natuurlijk wist ze niet waaraan dat programma was gewijd, en over welk onderwerp die man had gesproken. Misschien had hij zitten uitweiden over iets dat niets te maken had met wat zij gezien had, en had ze enkel maar het verband gelegd omdat ze zo wanhopig was om een uitleg te vinden voor de waanzin die haar wereld overspoelde. Ze leunde achterover, trachtte zich te concentreren en hard na te denken. Stel nu even dat die professor inderdaad commentaar had verstrekt bij het probleem in kwestie. Als ze dat zinnetje correct had begrepen, zou dat betekenen dat de mensheid zijn hoogst mogelijke graad van individualisering had bereikt, en dat de wereld nu de evolutie terugdraaide in een poging om het evenwicht te herstellen, door het uitvlakken van alle verschillen om zo weer tot een “normale” toestand te komen. Dat was uiteraard een volslagen absurde en bespottelijke uitleg. Enkel een pseudowetenschapper kon met dergelijke onzin op de proppen komen. Misschien had ze het zinnetje dus toch verkeerd begrepen, omdat ze de context niet kende waarin het was uitgesproken. Voor zover ze wist kon het een komisch programma geweest zijn, een satirisch “nieuwsbulletin” of misschien zelfs een reclamespotje. Aan de andere kant was de werkelijkheid die ze gezien had even absurd en bespottelijk als de “uitleg” van die man. Stel nu even dat de wereld inderdaad trachtte de “scheefgetrokken” situatie op een erg kosmische manier te herstellen, door het weefsel van het heelal zelf te herkneden. Waarom was zij er dan immuun voor? Was ze minder “individualistisch” dan de anderen en hoefde ze daarom niet te worden “aangepast”? Of zou haar beurt nog komen, werkte dit proces in vlagen eerder dan in één klap? Ik kan wel een koffie gebruiken, dacht ze, om mijn geest weer helder te krijgen. In de keuken kon ze geen voorraad koffie meer vinden, en haar koffiezetautomaat al evenmin. Er stond wel een enorme voorraad flessen cola, wat ze nooit kocht. Ze had een hekel aan die frisdrankjes. Hoe was al dat spul hier gekomen? Ze verliet de keuken met een vertroebelde geest. Om haar gedachten beter te kunnen ordenen nam ze een pen en een notitieboekje en begon haar ideeën en vaststellingen neer te schrijven. Ze had twee bladzijden vol gekrabbeld toen ze haar pen neerlegde en naar het toilet ging. Terwijl ze haar handen waste keek ze in de spiegel en staarde verbijsterd naar wat ze zag. Was zij dat in de spiegel? Zo’n kapsel had ze nog nooit gehad. En dat grijze T-shirt, zoiets had ze nooit gedragen. Ongetwijfeld was haar hele garderobe “vergrijsd”. En haar gezicht! Lieve hemel, wat was er met haar gezicht gebeurd? Was dat niet hetzelfde gezicht dat ze overal had gezien? Wat was hier verdomme aan de hand? Hoe kon alles zo veranderen, terwijl ze diep binnenin zichzelf bleef? Terwijl ze haar spiegelbeeld bekeek begon het shockeffect weg te ebben. Dat T-shirt viel eigenlijk nog best mee. En haar kapsel was ook in orde. Een overweldigende gemoedsrust vervulde haar, alle gevoelens van vrees en bezorgdheid verjagend. Ze droogde haar handen, wierp een laatste blik in de spiegel en keerde terug naar de woonkamer. Wat had haar zo dwars gezeten, enkele seconden geleden nog? Ze kon het zich niet meer herinneren, maar dat was niet zo erg. Als ze het zo snel vergat, kon het onmogelijk van groot belang geweest zijn. Ze liep naar de keuken, schonk een groot glas cola uit en dronk het met enkele slokken leeg. Toen schonk ze het glas nog eens vol en nam het mee naar de woonkamer. Op de tafel zag ze een pen en een notitieboekje, volgeschreven met nauwelijks leesbare woorden. Wat lag dat hier te doen? Ze greep het notitieboekje, scheurde de bladzijden gevuld met gekrabbeld handschrift eruit en wierp ze in de prullenmand. Toen nam ze haar telefoon om enkele vriendinnen te bellen. Terwijl ze wachtte tot Lynn opnam nipte ze van haar cola en keek ze naar buiten. Wat een prachtige dag, dacht ze. Een grijze hemel, een licht briesje, en warm maar niet te heet. Alles was perfect, wat kon je nog meer wensen? Toen hoorde ze de stem van Lynn en al spoedig waren ze in een fijn gesprek verwikkeld.

© Frank Roger http://www.frankroger.be

DE REGENS
• Frank Roger •


“Deze vlottenstructuur zal het niet lang meer uithouden,” zei Jean-Marie terwijl hij enkele dringende herstellingen aan het uitvoeren was. “De wind en de golven rukken die sneller uiteen dan wij de schade kunnen herstellen.”

“Het is een mirakel dat we nog altijd in leven zijn,” riep François terug, gehurkt aan de rand van het “visgat” in het midden van het drijvende dorp.
“Dat zeg je nu al iedere dag, zover als mijn geheugen teruggaat,” antwoordde Jean-Marie, grinnikend.
“Ik neem aan dat je geheugen maar enkele dagen teruggaat. Herinner je je nog de tijd voor de regens? Het leven op het vasteland? Doet dat nog een belletje rinkelen?”
“Ik heb geen flauw idee waarover je het hebt,” gaf François toe, en proestte het uit. Toen hij iets onder het vlot zag doorzwemmen haalde hij uit met zijn rudimentaire speer, maar miste. “Daar gaat onze lunch,” weeklaagde hij.
“Ik ben jullie zwarte humor kotsbeu,” riep Rebecca vanuit het opgekalefaterde restant van een gammele reddingssloep die als slaapkamer fungeerde. Ze was al enkele dagen ziek en raakte snel geïrriteerd.
“Het is onze manier om de dag door te komen,” repliceerde Jean-Marie. “Of dacht je dat wij deze levensomstandigheden leuk vinden?”
“Begin nu niet weer te ruziën,” kwam François tussenbeide. “Laten we de handen uit de mouwen steken. Vang vis, voer herstellingen uit, doe iets nuttigs.”
“Het regent niet meer,” merkte Rebecca op. Ze keek omhoog naar de donkergrijze hemel. “Misschien krijgen we voor het eerst wat zonneschijn sinds… wel, hoe lang geleden al? Misschien begint het waterpeil te zakken. Misschien vinden we het vasteland.”
“Laat die misschiens maar vallen en stop met dromen,” zei François. “De regen is onze enige bron van drinkwater. We hebben in geen eeuwen nog het vasteland gezien, en misschien zien we het nooit meer. En wat het waterpeil betreft… het lijkt wel of de hele wereld onder water staat. Wie weet moeten we de rest van ons leven doorbrengen op deze schamele verzameling vlotten, scheepswrakken en rommel die we een drijvend dorp noemen.”
“Probeer je me een beetje hoop te geven?” vroeg ze, op het punt in tranen uit te barsten.
“Ik tracht alleen maar de werkelijkheid onder ogen te zien,” legde hij uit. “Is het mijn schuld dat we nu al wekenlang stortregens over ons hebben gekregen?”
Hij schudde het hoofd, en herinneringen kwamen teruggevloeid. De eindeloze regens hadden alles weggespoeld, een einde gemaakt aan het normale leven, en de meeste schepsels die op het land leefden gedood, wellicht met inbegrip van de mensheid. Een handvol zielen die zich, net zoals zij, vastklampten aan het leven op een krikkemikkig samenraapsel van vlotten, waren misschien de enige overlevenden. En als ze niet snel ergens aanspoelden, als er nog een kust bestond, dan zou het ook voor hen voorbij zijn. Een beetje sarcasme hielp om de moed erin te houden…
“Het was echt niet nodig me daaraan te herinneren,” antwoordde ze.
“Het spijt me. Het zal niet meer gebeuren. Misschien schaffen we de vrije meningsuiting maar beter af, ja?”
“Hou op met dat gekibbel en kijk eens naar die boot aan onze linkerkant,” zei Pedro van aan de andere zijde van het dorp. Ze staarden allemaal die richting uit en hun mond viel open van verbazing.
Een gigantische olietanker passeerde hen. Vanuit hun positie was het niet mogelijk te bepalen of er mensen aan boord waren. Was het schip bewoond door een groot aantal overlevenden die de tanker hadden omgevormd tot een drijvende stad, hadden ze misschien een soort georganiseerde maatschappij in ere hersteld op de dekken van hun nieuwe wereld? Of was dit maar een spookschip, op drift zonder enige bestemming? Ze zouden het nooit te weten komen en staarden naar de hoog optorenende structuur tot die weer achter de horizon verdwenen was. Het was de eerste maal dat ze een schip van die omvang gezien hadden dat nog zeewaardig was.
Later op de dag ving François twee vissen, nauwelijks genoeg voedsel voor de elf mannen en vrouwen die in het drijvende dorp woonden – ook al hadden Rebecca en Jocelyne, Pedro’s vrouw, geen honger. Jean-Marie mopperde dat ze nu al te lang rauwe vis geserveerd kregen, en dat er dringend meer variatie op het menu moest. De meeste dorpelingen waren te moe en te hongerig om te lachen, en Rebecca schudde alleen maar het hoofd.
Het begon weer te regenen, en terwijl de mannen met dekdienst hun voorraad drinkwater aanvulden gingen de anderen schuilen. Het bleef de hele avond en nacht maar neerplenzen, en ze vroegen zich zoals altijd af wat de volgende dag zou brengen. Nog meer regen, een karige portie rauwe vis, weer een dag aan boord van een vlottenstructuur die dreigde uiteen te vallen. Waren er elders overlevenden die misschien meer succes gekend hadden dan zij?
De volgende dag begon zeer traditioneel. De stortbui was geslonken tot een druilregen, de zon ging schuil achter een donkergrijs wolkendek, en het drijvende dorp was het enige element dat de eindeloze watervlakte die hen omringde doorbrak. Gelukkig hadden ze voldoende drinkwater, en Pedro en Abdel wisten enkele grote vissen te vangen – eens te meer zou het menu enkel vis bieden.
Rond de middag verraste Jean-Marie zijn dorpsgenoten met de kreet: “Vasteland in zicht! Vasteland!”
“Probeer jij soms grappig te zijn?” vroeg François.
“Ben je aan het hallucineren of verlies je gewoon je verstand?” voegde Pedro eraan toe.
“Vasteland!” herhaalde Jean-Marie alleen maar. “Recht voor ons uit! Ik kan het nauwelijks geloven, maar toch is het zo. We zijn gered!”
De voltallige dorpsbevolking, met inbegrip van de zieken, kwam kijken naar de verbazingwekkende en onwaarschijnlijke ontdekking van Jean-Marie. Toen ze allen met eigen ogen konden zien dat ze inderdaad afstevenden op het vasteland, barstten ze uit in gejuich en onbedaard gelach. Mannen en vrouwen vielen elkaar in de armen, knuffelden en kusten elkaar, en er ontstond zelfs een echte feeststemming.
“Welk land zou dat kunnen zijn?” vroeg Pedro.
“Het kan niet anders dan de flank van de Mount Everest zijn,” antwoordde François.
“Nederland is het in ieder geval niet,” bevestigde Abdel.
“Het speelt geen rol waar we aanspoelen, zolang we dit verdomde drijvende dorp maar kunnen verlaten voor het uiteen valt. Ik kan niet wachten om voet aan land te zetten,” zei Jocelyne, enthousiast ondanks haar ziekte.
“Jammer dat we van hier geen details kunnen zien,” merkte Jean-Marie op. “We hebben geen idee waar we zullen terechtkomen.”
“Hij heeft gelijk,” zei Abdel. “Misschien zal dat land volslagen onherbergzaam blijken. Zouden we niet beter wachten om te feesten tot we weten dat we in een veilige omgeving belanden?”
Toen ze dichterbij kwamen zagen ze vormen bewegen op het strand. Kon dit het welkomstcomité zijn?
“Andere overlevenden?” vroeg Pedro zich af.
“Luister eens,” zei Rebecca.
“Dat zijn geen menselijke stemmen,” concludeerde Abdel. “En kijk eens naar al dat wrakhout waarmee het strand bezaaid ligt.”
“Hier is iets niet pluis,” zei Jean-Marie. In zijn stem klonk diepe bezorgdheid door. “Laten we terugkeren.”
“Er is geen terugkeer mogelijk,” antwoordde François. “Per slot van rekening is dit dorp niet meer dan een losse hoop drijfhout. We gaan waar de stroming ons heenvoert.”
“We zullen terechtkomen waar zo te zien vele andere overlevenden zijn aangespoeld,” stelde Pedro op kalme toon. “Kijk maar eens naar al dat afval. Het is wat er rest van de schepen en de vlotten van onze voorgangers. De stroming voert blijkbaar iedereen hierheen.”
“En die schepsels weten dat, en ze wachten ons op,” vulde Abdel aan. “Wat zijn dat eigenlijk? Wolven? Wilde honden?”
“Ik weet niet wat het zijn, maar ze hebben duidelijk honger.”
“En ze weten dat er een nieuwe voorraad vlees aankomt.”
Het geblaf en gehuil van de meute uitgehongerde roofdieren was nu oorverdovend. Binnen enkele ogenblikken zou de vlottenstructuur aanspoelen op de kust, waar ze zo reikhalzend naar uitgekeken hadden. Jammer genoeg zouden ze niet lang kunnen genieten van hun verblijf op het strand.
“Het vasteland,” fluisterde Jean-Marie. “Eindelijk vinden we dan het vasteland…”
“…en dan blijkt het net lunchpauze te zijn,” ging François verder.
Ze kregen niet de kans om daar nog iets aan toe te voegen.


© Frank Roger

www.frankroger.be

DE NACHT DAT DE DOOD TOESLOEG EN GEWOON KEIHARD DOORGING
• Frank Roger •


Inspecteur Bonham fronste het voorhoofd toen hij zijn telefoon hoorde rinkelen, en hij nam de hoorn op met de zekerheid dat er slecht nieuws aankwam.

"Inspecteur?"

"Ja," zei hij, met een stem waarin berusting doorklonk.

"Ik vrees dat we er nog eentje gevonden hebben, ditmaal in Cromwell Street. Als u zo snel mogelijk hierheen wil komen?"

"Ik kom onmiddellijk. Is dit weer zo'n, hoe zal ik het zeggen, bijzonder geval?"

"Nee, Inspecteur, dit lijkt een eerder onschuldig geval te zijn. Hij strompelt maar wat rond en jaagt toevallig voorbijkomende kinderen en bejaarden de stuipen op het lijf. Ik neem aan dat hij binnen enkele minuten in elkaar zakt voor hij kans gezien heeft om voor ernstige problemen te zorgen. Maar we hebben in ieder geval een ploeg nodig om alles op te ruimen."

"Natuurlijk," zei inspecteur Bonham. "We komen eraan. Hou een oogje in het zeil."



Al spoedig waren ze onderweg naar de plaats van de misdaad. Toch jammer dat een dergelijk incident moet gebeuren in een keurig deel van de stad als Cromwell Street, dacht Bonham toen ze door het nachtelijke stadslandschap scheurden. De drie leden van de "opruimings"-ploeg zwegen, zodat hij zijn gedachten de vrije loop kon laten. Hij was getraind om de confrontatie aan te gaan met alle soorten misdadigers, zelfs het ergste type van seriemoordenaars, maar niets had hem voorbereid op de weerzinwekkende gruwel die dit stadje de laatste weken had geteisterd.De eerste maal dat iemand de term "serie-reanimator" had gebruikt had hij dit idee vol minachting weggelachen, nog steeds overtuigd van het feit dat ze hier te maken hadden met een grappenmaker behept met een ziekelijk gevoel voor humor. Maar de lijkschouwingen hadden geen ruimte voor twijfel gelaten: alle slachtoffers waren onlangs overleden personen, van wie de dood officieel was geregistreerd, en die via een of andere onpeilbare methode weer tot leven waren gewekt en losgelaten op een niets vermoedende wereld, tot men zich over hen ontfermde, of, zoals vaak het geval was, tot ze ineen zegen.



De meeste van de weer tot leven gewekte lijken waren eerder onschuldig geweest, maar de aanblik ervan was voor vele voorbijgangers te veel gebleken. Sommigen waren flauwgevallen, of waren misselijk geworden bij het zien van een weer tot leven gewekte man die op straat rondhobbelde, met verteerde vingers om zich heen tastte, onduidelijke geluiden gromde, schaamteloos pronkte met zijn misvormde en rondbengelende lichaamsdelen, en een spoor achterliet van verrot vlees, gestold bloed en verschrompelde organen. Ze werden allen zonder onderscheid gedreven door de drang die hen bezeten had voor hun dood. Sommige van de "gereanimeerden" waren er slecht aan toe geweest, ten gevolge van rigor mortis of voortschrijdende ontbinding, en waren al snel door hun knieën gezakt en hadden liggen stuiptrekken tot ze "opgeruimd" werden en herbegraven.



Er waren echter een paar vervelende gevallen geweest. Bonham kon zich nog levendig het hoertje herinneren, dat gedood was door een klant die haar niet had kunnen betalen. Nadat ze weer tot leven gewekt was ging ze weer koortsachtig op zoek naar nieuwe klanten, en stortte haar verminkte lichaam op jongemannen die haar pad kruisten, waarbij ze hen iedere zin in sex ontnam voor tenminste een paar maanden. Toen de opruimingsploeg uiteindelijk op het toneel verscheen had ze zicht juist op een pizzabesteller geslingerd, en dit met zo'n kracht dat haar wulpse vormen compleet uit elkaar gevallen waren, wat een surrealistische dimensie verleende aan het tafereeltje. Een lid van de ploeg had het beschreven als "een man, van kop tot teen bedekt in veelkleurige smurrie, en zittend als middenin een pizza van gigantische afmetingen."



Dan was er het geval geweest van een dronkaard, het slachtoffer van een overdosis, die enkel uit de dood herrezen was (met enige hulp van de anonieme reanimator) om cafés binnen te glippen en de drankjes van de klanten te pikken. Toen hij ze naar binnen goot vloeide het bier weer weg uit een hele reeks lichaamsopeningen, wat een walgelijke stank produceerde en voor een afschuwelijke troep zorgde. Zijn verschijning had niet bepaald geleid tot een verhoogd barbezoek in het stadje.



Het meest genante geval was echter dat geweest van een verkoper van verzekeringen die omgekomen was in een auto-ongeluk. Eenmaal weer tot leven gewekt sloop hij rond, en sloeg de voorbijgangers met ontzetting met zijn gruwelijk verhakkelde lichaam. Hij duwde hen papier dat hij van de straat had opgeraapt in het gezicht, als waren het documenten die hij hen ter ondertekening aanbood, en beroofde hen vervolgens van hun geld. Ze hadden hem enkel kunnen stoppen met het lastig vallen van mensen door hem volledig te "ontmantelen", maar zelfs dan hadden de afzonderlijke stukken zich hardnekkig verzet tegen dit dwarsbomen van het diepgewortelde instinct tot zakendoen.



De misdaden waren al wekenlang het gespreksonderwerp bij uitstek geweest. Over de man die deze afschuwelijke wandaden op zijn geweten had was nog weinig of niets bekend. Inspecteur Bonham koesterde echter nog steeds de hoop om hem op een dag op heterdaad te betrappen.

Toen ze in Cromwell Street arriveerden zag Bonham het slachtoffer in het midden van de straat staan, woest molenwiekend met zijn armen, en gedurig stukken van zijn lichaam verliezend ten gevolge van deze koortsachtige inspanningen. "De man was vroeger politie-agent, en regelde toen het verkeer," vertelde iemand aan Bonham. "Hij is nog steeds verknocht aan zijn oude baantje, maar nu jaagt hij de chauffeurs de doodsschrik op het lijf eerder dan het verkeer soepel te doen verlopen."



"Regelen jullie dit zaakje maar even," zei Bonham toen hij uit de auto stapte. "Ik denk dat het de moeite loont hier wat onderzoek te verrichten. Ik ben zo terug." De meeste weer tot leven gewekte lijken lieten een spoor achter dat gevolgd kon worden, en dit geval vormde geen uitzondering op die regel. Met zijn wapen in de aanslag rende Bonham in de richting van waaruit de arme drommel moest gekomen zijn. Het spoor van verdroogde stukjes en beetjes die de man onderweg was kwijtgeraakt voerde hem in een smalle, donkere steeg. Hij wachtte tot zijn ogen zich hadden aangepast aan de duisternis, en schuifelde toen behoedzaam verder. Er bewoog niets, en geen enkel geluid verbrak de drukkende stilte. Het spoor leidde hem in een zijsteegje, waar Bonham plots gestopt werd door een metalen hek. Zijn eerste gedachte was, Hier klopt iets niet. Deze rondhobbelende ondode man kan onmogelijk over dit hek geklommen zijn. Ofwel was dit hek hier dus geplaatst na zijn doortocht, ofwel was hier een vals spoor aangebracht om hem te misleiden. Misschien was het veiliger om dit geval niet verder te onderzoeken. Ongetwijfeld zouden er andere kansen volgen.

Hij stond op het punt de hoop op te geven en onverrichterzake terug te keren toen een stem hem sissend aansprak.

"Hé, wacht even. Dit is het moment waarop je zolang gewacht hebt. Dit is de enige kans van je leven om me bij de kraag te vatten. Je bent nog nooit zo snel geweest. Je bent nog nooit zo dichtbij geweest. Gooi die kans nu niet weg. Pak me maar, als je kan."

Bonham verstijfde, en tuurde in de richting vanwaar de stem gekomen was. De man bevond zich duidelijk achter het hek. Die vage vorm, zou dat hem kunnen zijn? Hij richtte er zijn wapen op, maar vuurde nog niet. Nee, dat waren vuilnisbakken, of stapels afval. Het was moeilijk om iets te onderscheiden in deze duisternis.

"Kom me maar halen," plaagde de stem hem, van een eindje verderop. "Mijn leven ligt in jouw handen. Waarop wacht je eigenlijk, kerel? Vooruit!"Ik moet over dit verdomde hek klimmen, besloot Bonham. Misschien krijg ik nooit een andere kans om de rotzak bij de kladden te grijpen. Nu kan ik misschien de rekening vereffenen. Ik mag deze gelegenheid niet door mijn vingers laten glippen. Ik zal deze verdoemde griezel even laten boeten voor zijn misdaden. Die arme agent in Cromwell Street, die zichzelf, hoe onbewust dan ook, tot een parodie van de ordehandhaving maakte. En al die arme, onschuldige zielen, of het nu hoertjes waren of verkopers van verzekeringen, die beroofd waren van de eeuwige rust die ze ten volle verdienden. Deze misdaden waren zo fundamenteel onrechtvaardig, zo hartverscheurend oneerbiedig ten opzichte van de meest essentiële menselijke waarden, zo godvergeten verkeerd en afschuwwekkend...



Woede welde in hem op, een niet te stoppen getij dat alle andere gedachten en emoties wegspoelde. Hij greep zijn wapen stevig beet en dacht, Ik kom je halen, jij onmens. En ik knal je neer. Wees er maar zeker van dat ik een manier vind om te rechtvaardigen dat ik je ter plaatse neerknalde. Je bent al zo goed als dood, kerel. Ik kom eraan.

Inspecteur Bonham begon over het hek te klimmen. Weglopen heeft geen zin meer, dacht hij. Geniet maar van je laatste momenten. Want ik ga je doden. Dat laatste woord echode nog steeds in Bonhams geest (Doden! Doden! Doden!) toen het metalen hek plots onder stroom gezet werd, en het hoge voltage dat door zijn lichaam flitste iedere vezel roosterde. Het laatste dat Bonham hoorde voor de wereld zwart werd was een waanzinnig gelach dat van vlakbij kwam.

***


Het zwart loste langzaam op. Inspecteur Bonham voelde zich koud en levenloos, maar niettemin gedwongen om overeind te komen. Er is iets met me mis, dacht hij. Het was als een kater, maar dan wel tien maal erger. Het was alleen geen echte pijn, maar eerder een verschrikkelijk gevoel van verdoving en stijfheid, alsof hij jarenlang geslapen had.

Toen hij eindelijk overeind stond keek hij om zich heen. Zijn blik was troebel, en het bleek onmogelijk om zijn ogen op iets te richten. Dit duistere steegje kwam hem vaag bekend voor, maar hij scheen geen duidelijke herinneringen te bezitten. Ik moet doden, was zo ongeveer de enige gedachte die uitkwam boven het geruis dat zijn geest vulde. Doden, doden, doden.

Hij richtte zijn blik naar beneden en merkte dat hij een wapen in zijn hand hield, en dat die hand volledig verkoold was. Dat bleek ook het geval met de rest van zijn lichaam. Wat is er met me gebeurd? dacht hij vaagjes. Een ongeluk of zo? Om een of andere redenen bleek hij ook al niet te ademen. Vreemd, dacht hij, heel erg vreemd.

Maar uiteindelijk had dit allemaal geen belang. Het enige dat telde was de aandrang die nu onweerstaanbaar begon te worden, een dwingende kracht die zijn geest domineerde. Doden, doden, doden.Hij nam zijn wapen stevig beet en begon het steegje uit te wandelen, nog steeds wat stijfjes.

Ik moet doden, dacht hij. Doden, doden, doden.


© Frank Roger
www.frankroger.be

VROUW MET STAART ZOEKT MAN • John C. Vermeulen •


Een hittegolf van anderhalve dag en vervolgens ging het uiteraard onweren. Kort nadat de eerste donderslag over de jachthaven van Wemeldinge gerommeld was, werd er op de romp van de Wentelteef geklopt. Dat was de naam van onze boot. Had niets met mijn vriendin te maken, al dachten sommigen van wel. Ik mompelde binnensmonds zoiets als: ‘Ga ergens anders spelen!’ Maar Evy, mijn vriendin dus, die veel gastvrijer is dan ik, stak meteen haar hoofd naar buiten. ‘Kom erin,’ hoorde ik haar uitnodigend zeggen. Het had mij destijds veel meer moeite en vooral dure etentjes en een hoop leugens gekost om haar die gevleugelde woorden te ontlokken.
Er klonk gestommel aan dek en Johan verscheen in de kajuitingang, met zijn kater op de arm. ‘Geen belet?’ vroeg hij een beetje onzeker toen hij mijn gezicht zag. Niet dat ik een echte zure vent zou zijn, hoor. Ik heb alleen maar zo’n kop. Johan lag met zijn boot, Vitamine Sea heette het ding, enkele plaatsen verderop aan dezelfde steiger als wij. Hij en ik waren niet echt dikke vrienden - ik heb trouwens geen vrienden, ik heb alleen maar vriendinnen, mannen weten waarom - maar soms maakten we wel eens een praatje en dronken we samen een borrel in de cockpit. Zo gaat dat in jachthavens en op campings en overal waar mensen met dezelfde wat dwaze hobby bij elkaar hokken. En een sierlijke vriendin of echtgenote helpt natuurlijk ook om belangstelling te trekken. Je weet wel; zo eentje die, terwijl ze wulps een blonde haarlok naar achteren gooit, van zichzelf zegt: ‘Ik ben het waard.’ Ze komen eropaf als wespen op een glas bier.

Johan was een wat eenzame man, had ik al gemerkt. Twee jaar eerder had zijn vrouw hem laten kiezen tussen haar of die rotboot van hem, zoals zij het noemde. Hij had dat omgedraaid, voor hem ging de keuze tussen zijn boot en dat rotwijf. Uiteraard had hij voor zijn boot gekozen, om redenen die duidelijk zullen zijn voor iedereen die ook een mooie boot heeft en een vrouw die… nou ja. Laten we beleefd blijven. Sindsdien bestond zijn enige vaste gezelschap uit een grote kater die Poescafé heette. Evy nodigde Johan naar binnen en hij nestelde zich met zijn lange lijf een beetje moeizaam vanwege een rugkwaal waarvan wel meer zeilers last hebben, in een hoekje van de kajuit. Dat hoekje waarvandaan je alles goed kunt overzien en met een goed uitzicht op de gastvrouw. Ik zit daar zelf ook graag op andere boten. Vooral als de gastvrouw er ook zo eentje is van “ik ben het waard”, zoals eerder omschreven. Omdat het onweer Johan nerveus scheen te maken, gaf Evy hem maar meteen een flinke borrel. Overigens een normaal ritueel onder zeilers. Zeilen is zo’n verdomd bangelijke bezigheid dat je er best niet aan begint als je helemaal nuchter bent. Dit indachtig de definitie van zeilen: doodziek en zeiknat worden terwijl je tegen enorme kosten heel langzaam nergens heengaat.

Toen de donder opnieuw rommelde, als het geluid van een trein die door een lange tunnel reed, keek Johan schichtig naar het plafond van de kajuit. Hij leek bang dat er ieder ogenblik iets op zijn hoofd zou kunnen vallen. Hij had Poescafé op zijn schoot gezet en hij zat het beest voortdurend op een wat mechanische manier te strelen. Toen hij niet van plan leek uit zichzelf de mond open te doen, vroeg ik: ‘Wat scheelt eraan, Johantje? Bang voor de donder?’ Ik probeerde een vertrouwelijk lachje, alsof ik best begreep dat het kabaal daarboven niet alleen bij kleine kinderen op hun systeem kon werken. ‘Niet voor de donder, nee,’ antwoordde hij. En hij voegde er wat raadselachtig aan toe: ‘Toch niet zolang het alleen maar de donder is…’ Hij sloeg zijn borrel achterover en keek met de blik van een hond die voor de vitrine van een slagerswinkel staat, naar de fles die op de kaartentafel stond. Evy zet de fles namelijk altijd buiten handbereik van bezoekers. Kwestie van de verleidingskracht te beperken. Niet dat ze van Hollandse komaf is, maar we hebben tapijt op de vloer van de cabine en daar kun je maar beter niet op kotsen.

Poescafé zat ronkend te spinnen. Een onverwachte windvlaag deed de boot even schudden en ergens begon met een nijdig, irriterend ritmisch geluid een kabeltje tegen een metalen mast te tingelen. Opeens zei Johan: ‘Ik ben als de dood voor de dag dat die verrekte kat terug zal komen.’ Hij rilde demonstratief. Evy en ik wierpen allebei een verwonderde blik naar Poescafé. Het beest knipoogde slaperig. ‘Een kat?’ vroeg ik. ‘Is er een kat weg? Had je er dan nog eentje?’ Johan schudde het hoofd. ‘De kat van die UFO…’ Ik stond op en pakte de fles van de kaartentafel om wantrouwig het etiket te bestuderen en aan de hals te snuffelen. Het leek gewone ouwe klare van de soort die je op iedere fatsoenlijke boot met een gastvrije schipper zoals ik kunt vinden.

Ik schonk tegen mijn geloof in Johan nog een flinke neut uit en pakte er zelf ook een om de communicatie te vergemakkelijken. Daarna vroeg ik: ‘Je gaat ons hier toch niet komen vertellen dat jij een vliegende schotel gezien hebt?’ De bootjeswereld is misschien hét biotoop van de sterke verhalen, maar er zijn grenzen. ‘Een UFO,’ corrigeerde hij. ‘En ja verdomme, ik heb er een gezien. Sterker nog...’ Hij rook aan zijn borrel, diep inhalerend met gesloten ogen alsof hij coke aan het snuiven was. ‘...Ik ben er zelfs binnenin geweest!’ Ik had zulke verhalen gelezen, over hele families die door groene mannetjes ontvoerd waren en die dan allerlei enge experimenten hadden moeten ondergaan en zo, maar ik had nog nooit eerder zo’n halve gare in levende lijve ontmoet. ‘En er zat een kat in dat ding?’ informeerde ik belangstellend. Hij keek geïrriteerd. ‘Spotten, hè? Nou ja, je hoeft me niet te geloven, hoor. Je hoeft zelfs niet naar me te luisteren, ik hou verder m’n bek wel. Ik heb het verhaal trouwens nog niet eerder verteld, aan geen mens. En nu weet ik ook weer waarom niet. Ze kunnen allemaal de pot op! Laat ze maar lachen hè, Poescafé? Wij weten het onze.’ Hij krabde achter het rechteroor van de genoeglijk ronkende kater. ‘Kom nou, Johan,’ drong mijn vriendin aan. ‘Wie a zegt moet ook b durven zeggen.’ Ze was gek op verhalen waar een mysterieus luchtje aanzat, en daar hoorden vliegende schotels ook bij. Met of zonder kat erin. ‘Wie a zegt moet ook b zeggen?’ Johan trok een gezicht. ‘Waarom eigenlijk? Om de geiten een plezier te doen misschien?’ ‘Toe nou, vertel op, please, please?’ Als het nodig is kan Evy erg overtuigend smeken en die eenzame Johan trapte er natuurlijk in. Zijn blik dwaalde even naar haar ietwat strakzittende T-shirt, sprong daar schichtig en schuldbewust weer van weg en schakelde vervolgens op oneindig. Hij zweeg nog even, vermoedelijk om de dramatische spanning wat op te voeren. Na dit hele ritueel begon hij: ‘Het gebeurde op een avond, midden april dit jaar. Je moet weten dat ik altijd redelijk vroeg in het seizoen begin te varen om te kunnen gaan vissen vooraleer de grote massa zondagvaarders op het water verschijnt. Ik lag voor anker op mijn gewone stek bij de Galgenplaat. De dag was al bijna om en de twee andere vissers die daar gelegen hadden, waren reeds naar de haven teruggevaren. Er viel niet veel te vangen die dag, maar het was een mooie vroege voorjaarsavond. Het was niet koud en er was geen zuchtje wind. Dus was ik niet gehaast om voor het donker terug naar Wemeldinge te koersen. Waarom zou ik ook? Er zit toch nooit iemand op me te wachten.’ Hij trok een gezicht dat waarschijnlijk bedoeld was om meevoelen op te wekken, maar dat werkte niet zo goed. Bij mij niet althans. Venten! ‘Ik zat samen met Poescafé in de cockpit een paar scholletjes schoon te maken voor het avondeten, en toen gebeurde het.’ Johan laste weer een strategische pauze in. Terwijl gooide hij de rest van zijn borrel in zijn keelgat dat kennelijk uitmondde in een enorme vergeetput voor alcohol. Ik probeerde te helpen: ‘Opeens schoot er een geheimzinnige straal uit de hemel naar beneden, een onzichtbaar orkest van vijftig man begon flink van jetje te geven in Dolby Surround Sound en de naam van George Lucas verscheen in koeien van letters boven de Zeelandbrug?’ Johan keek me broeierig aan. ‘Denk jij nou echt dat je grappig bent?’ ‘Dat is hij alleen als hij in de slaapkamer staat met niets anders dan zijn hemd en sokken aan,’ zei Evy. ‘Vertel verder.’ ‘Ik hoorde iets ja, dat wel.’ Johan keek me even vuil aan. ‘Een gerommel als van een naderende onweerbui. Een beetje zoals daarnet. Dat was nogal vreemd vermits er letterlijk geen wolkje aan de lucht was. Dus kijk ik verwonderd in het rond, en wat zie ik?’ ‘Een vliegende schotel,’ antwoordde ik automatisch. En ik wist er zowaar serieus bij te blijven. ‘Een UFO,’ corrigeerde Johan opnieuw. ‘En dat ding landde bovenop de Galgenplaat, in het midden van de zandbank, verdomd als ’t niet waar is! De zeehonden wisten niet hoe gauw ze weg moesten komen.’ ‘En daar heeft niets van in de kranten gestaan?’ vroeg ik. ‘Het was al laat, het was erg rustig en ik denk dat die UFO van op enige afstand nauwelijks zichtbaar was. En de pers zie je tegenwoordig alleen maar als er weer eens een minister naast de pot pist.’ ‘O, op die manier.’ Poescafé geeuwde alsof hij dat verhaal al rot vanbuiten kende en het hem verveelde als een dooie muis. Maar Evy vroeg gretig: ‘Hoe zag dat ding er dan uit? Vertel! Vertel!’ ‘Als een grote zeepbel,’ beschreef Johan met wat meer enthousiasme omdat hij een dankbare toehoorder gevonden meende te hebben. ‘Doorzichtig maar met bewegende kleuren erin, zo’n beetje als rookslierten.’ ‘Die groene mannetjes zaten daar waarschijnlijk flink te paffen,’ opperde ik. ‘Groene Michel, wed ik.’ Johan negeerde me hooghartig. ‘Je kon binnen dingen zien bewegen zonder dat je eigenlijk wist wat je zag, heel eigenaardig. Eigenlijk zou ik bijna durven zeggen dat het mooi was om te zien…’ ‘En met een geluid als van de donder,’ vulde ik aan. ‘Waren er echt geen stralen of zo? Groene stralen? Au verdomme!’ snauwde ik toen Evy me onder de tafel een schop tegen het linkerscheenbeen verkocht. ‘Niks geen stralen,’ antwoordde Johan die deed alsof hij niets gemerkt had van die laffe aanval. ‘En toen de machine eenmaal geland was, werd het compleet stil. Vreemd stil, zou ik durven zeggen. Zelfs de meeuwen gaven geen kik meer.’ ‘Waarschijnlijk was de soundtrack gebro-’ Ik trok haastig mijn benen op toen ik vanuit mijn linkerooghoek mijn vriendin een dreigende beweging zag maken. ‘…Er gebeurde een hele tijd niks, ik zag nergens een deur opengaan of zo. En toen stond er zomaar opeens een gestalte naast de UFO op het zand. Een menselijke gestalte, dacht ik eerst. En die figuur liep in mijn richting tot aan de rand van het water…’ Johan keek opeens wazig, alsof de herinnering hem pakte. ‘Poescafé ging haast uit de bol, hij stond op de tenen met een gekromde rug en alle haren recht overeind.’ ‘Aha, dat marsmannetje was een grote, kwaaie hond,’ zei ik. Ik dacht aan die Butch, van Tom & Jerry. Destijds waren dat mijn favoriete tekenfilms vanwege al dat artistiek onverantwoorde geweld. ‘Nee, een kat.’ Johan keek me uitdagend aan. ‘Ik verdenk onze vriend ervan dat hij een katofiel is,’ zei ik tegen Evy. Wie weet wat we te horen zouden krijgen als zijn kater zou kunnen praten, dacht ik. Maar zoiets zeg je in deftige kringen niet hardop zolang iedereen nog nuchter is. Mijn vriendin keek me niet eens aan, haar blik was geboeid op Johan gericht. ‘Let maar niet op die oen,’ zei ze tegen hem. ‘Vertel gewoon verder.’ ‘Was het een groene kat?’ probeerde ik nog. Maar nu negeerden ze me allebei. ‘Het was een kat, zo groot als een mens en ze liep nog op de achterpoten ook. Ze had zo te zien een pels en een staart, maar verder zag ze er helemaal uit als een vrouw, en niet eens een lelijke, o nee!’ Opnieuw die wazige blik. ‘In je eentje leven is niet goed voor een man,’ stelde ik vast. Maar weer luisterde er niemand. Ofwel ze deden alsof. ‘Misschien zou je een Thaise poetsvrouw kunnen nemen, ging ik koppig verder. ‘Want een hoer is ook geen oplossing. ‘Zo’n dame verleent wel hand- en spandiensten aan heren van stand, maar je komt toch altijd weer een beetje leeg naar buiten en-’ Nu keek Evy me aan. ‘Zou jij niet wat op de steiger gaan wandelen, zeveraar? Kun je een beetje afkoelen, zo te horen heb je het nodig!’ Ik zweeg verongelijkt terwijl Johan verder ging: ‘Ik wist niet wat me overkwam, toen die kattenvrouw me wenkte. Het was alsof ik m’n eigen wil kwijtwas, ik verkeerde in een soort trance.’ Zijn blik schoot uitdagend naar mij, maar ik deed alsof m’n neus bloedde. ‘Voor ik goed besefte wat ik deed, was ik met Poescafé in de bijboot gestapt om naar de zandplaat te roeien.’ Eenzaamheid was echt niet gezond, dacht ik. Ik besloot voortaan wat vriendelijker te zijn tegen Evy. Voor een ouwe lelijkerd als ik liggen de aantrekkelijke jonge dames immers niet meer voor het grijpen. Want zo rijk ben ik nu ook weer niet. Ik kan koken, ik ben okselfris en ik was m’n eigen sokken, maar voor je dat allemaal uitgelegd hebt, zijn ze al lang weggelopen. Johan deed er nog een schepje bovenop. ‘Ze was écht heel mooi,’ zei hij dromerig. ‘Van nabij zag ze er vreemd genoeg nog menselijker uit dan vanuit de verte. Met magnifieke groene ogen met verticale spleetpupillen, net als bij een echte kat. Haar pels leek zacht als zijde en ze had een prachtige volle staart. Het puntje stond omhoog en het trilde een beetje…’ ‘Ik denk dat Freud daar wel een verklaring voor gehad zou hebben,’ kon ik niet nalaten op te merken. Deze keer kneep Evy me hard in het vetplooitje dat zich sedert enkele jaren boven mijn broeksriem aan het vormen is. Het deed gemeen zeer. ‘En dan dat soepele lijf, en die lange benen. Want ze had geen poten maar echte, eindeloos lange benen, als van een topmodel.’ ‘Bij sommige vrouwen is dat precies andersom,’ stelde ik vast. En toen Evy me fronsend aankeek: ‘Gelukkig behoor jij tot de betere soort, schatje!’ Ik wou haar in de nek kussen, maar ze weerde me af, met een gezicht alsof ik iets vies aan mijn kin had hangen. Johan was nog altijd lyrisch aan het doen: ‘En die bewegingen van dat lijf, als van zacht golvende warme olie…’ Ik vroeg: ‘Wat had je die dag allemaal gedronken?’ ‘En ze kon nog praten ook, ze sprak Engels.’ ‘Net zoals die marsmannetjes in Amerikaanse films,’ zei ik. ‘Die kunnen ook allemaal Engels, zelfs al zijn het reptielen. Hebben ze in de ruimte geleerd van onze radio-uitzendingen en zo, weet je wel? Da’s gemakkelijk voor degenen die de dialogen moeten schrijven.’ ‘Ze zei: Hellauauauw, mijn naam is Chatka en ik kom van de Kristallen Steeg aan het eind van de Melkweg, van de planeet Bac-à-Sable. I need a man, ik heb een man nodig.’ Johan scheen aan te nemen dat ons Engels niet veel betekende. Hij trok even aan de boord van zijn trui, alsof hij het warm kreeg bij de herinnering. ‘Ik antwoordde dat ik een man van de aarde was, I’m a man from planet Earth, zei ik dus. En dat ik Johan heette en of ik wat voor haar kon doen. Haar in contact brengen met de overheid of zo, met the authorities.’ Nu keek hij ongelukkig. ‘Eerst geloofde ze me niet, dat ik een man was, bedoel ik. Ze lachte me verdomme uit!’ Evy zei troostend. ‘Dat mens had gewoon geen smaak.’ ‘Of misschien vond ze dat je niet behaard genoeg was,’ opperde ik behulpzaam. Of dat je staartje te klein was, dacht ik gemelijk. Maar ook dat hield ik voor mezelf. Johan knikte afwezig, alsof hij die mogelijkheden overwoog. ‘Daarna deed ze me een vreemd verhaal dat de vrouwelijke wezens van haar soort slechts één keer in hun hele leven een gedurende een korte periode vruchtbaar waren. Hierin moesten ze tot iedere prijs voor een nageslacht zorgen, wilden ze niet uitsterven. Op hun planeet waren er echter nog nauwelijks mannen, en daarom zwierven de vruchtbare vrouwtjes naar andere werelden uit om een partner te zoeken. En Chatka was aan het eind van haar oestrusperiode zodat het allemaal bijzonder dringend werd. Ze had tijdens de reis een reclamespot van de aarde opgevangen over krachtvoer in blik waar katers groot en sterk en levendig van werden en bovendien een mooie glanzende vacht kregen, en nu wou ze met alle geweld zo’n kater vinden. En nog vlug ook. En toen was ik zo stom Poescafé uit de bijboot te gaan halen.’ Johan sloeg zijn derde borrel achterover en stak het glas op naar Evy die automatisch de fles pakte. ‘Chatka deed eigenlijk nogal uit de hoogte, zoals je dat wel eens vaker hebt bij veel te mooie vrouwen, en daarom wou ik haar even op haar plaats zetten, sufferd die ik ben.’ Johan ging ongemakkelijk verzitten. Met een pijnlijk gezicht rechtte hij de rug. ‘Toen ze Poescafé zag, was ze eerst vertederd. O wat leuk, een miniatuurtje! riep ze uit.’ Meesmuilend imiteerde Johan het ietwat mauwende stemgeluid van Chatka, zoals hij haar noemde. ‘Eerst was Poescafé nog lichtelijk hysterisch, maar van zodra Chatka hem op de arm nam, kalmeerde hij helemaal. En toen ontdekte dat kreng iets…’ ‘Wie, Poescafé?’ vroeg ik onschuldig. ‘Nee, dat kattenwijf verdomme!’ Nu rilde Johan zichtbaar. ‘Zie je, Poescafé is natuurlijk gecastreerd, en toen Chatka dat merkte, werd ze opeens vreselijk boos. Ze eiste een verklaring voor die barbaarse verminking, zoals ze het noemde. That barbarian mutilation. En toen ik haar probeerde uit te leggen dat we dat deden omdat die beesten anders veel te hard stinken, because of the bad male smell, zei ik, zette ze haast haar klauwen in m’n strot!’ De volgende borrel ging eraan. ‘Alsof we nog geen last genoeg hebben met Gaia,’ zei ik meelevend. Johan zette het lege glas met een klap neer op de tafel. ‘Ze had heuse klauwen,’ huiverde hij. ‘Ik praatte als een advocaat om haar uit te leggen dat er helemaal niets barbaars was aan dat castreren en dat de katten op planet Earth alleen maar beesten waren, enzovoort. Maar dat hielp allemaal geen ene moer. Tot ik de ingeving kreeg haar wijs te maken dat het op de aarde een heilige traditie was om katers te castreren van zodra ze aan hun voortplantingsplicht voldaan hadden. Voor tradities scheen ze namelijk nogal wat respect te hebben. En ja hoor, ze bedaarde. Maar toen kwam de klap op de vuurpijl…’ Johan zweeg even terwijl Evy zijn glas nogmaals bijvulde. Hij keek geboeid naar haar hand die de flessenhals omkneld hield. Daarna nam hij eerst een gulzige slok voor hij zijn verhaal vervolgde: Zoals ik al zei, zat Chatka in hoge tijdnood, en vermits er geen andere, meer geschikte partner in de buurt was, eiste ze dat ik het nodige zou doen. You have to do your thing, zei ze…’ Ik zat me inwendig te bescheuren, maar omwille van Evy en haar vinnige rechtervoet hield ik mijn gezicht in de plooi. Ik zei alleen maar: ‘Liefde is er keihard invliegen en slapjes afdruipen.’ Er kwam geen reactie. Dus probeerde ik het opnieuw: Chatka was een poesje, zo lekker als een soesje. Maar wie haar wou berijden, moest aan katofilie lijden. ‘Als jij nou niet je stomme bek gaat houden!’ Ik keek Evy een beetje geschrokken aan. Johan scheen haar wel behoorlijk in de ban te hebben met zijn maffe verhaal. ‘Oké, oké, ik zeg al niks meer,’ zei ik mokkend. Johan zei: ‘Ik mocht tegenstribbelen wat ik wou, er was geen lieve moederen aan; ik moest en zou mee het dak op.’ Mijn belofte van daarnet was meteen vergeten. ‘Hè?’ deed ik. ‘Wel ja, binnenin die UFO. Er waren daar allerlei toestanden, je wist niet wat je zag. Enorme bollen breiwol, grote muizen, en ook een heet zinken dak…’ ‘Hou op!’ smeekte ik. Evy zei: ‘Ben jij een vervelend mannetje vandaag zeg!’ (Dat zei ze tegen mij.) ‘Sorry, Johan,’ bracht ik er met enige moeite uit. ‘Ga vooral verder.’ ‘Nou ja, ik ga jullie niet met de details vervelen,’ zei Johan. ‘Maar daar gebeurde het dus, op dat dak.’ Evy keek een beetje teleurgesteld. ‘Die details vinden wij niet vervelend, hoor!’ Johan leek te aarzelen. ‘Wat ze allemaal deed met die gespierde staart van haar…’ ‘Ja?’ zei ik, in weerwil van mezelf toch ook opeens een beetje nieuwsgierig. ‘En dan die lenigheid…’ Johan keek alweer wazig. ‘Ik denk dat ik voortaan een gewone vrouw maar simpeltjes zal vinden.’ Er klonk een nieuwe donderslag en het was alsof Johan een stukje kleiner werd. Hij praatte een beetje moeizaam, toen hij verder ging met zijn relaas: ‘Na afloop kreeg ik een groot glas melk en we aten er een sardientje bij. Even werd het zelfs nog bijna gezellig, maar toen…’ Hij slikte en keek hulpbehoevend naar Evy, alsof zij de enige was van wie hij nog enige heil verwachtte. ‘…Toen begon ze weer over dat verdomde castreren.’ ‘Aha!’ deed ik. Johan knikte somber. ‘Juist. Ze verklaarde op plechtige toon dat ze zich aan de heilige tradities van planet Earth moest houden. Zodra haar jongen geboren waren, zou ze terugkomen om haar plicht te vervullen. To fulfil her duty, zo zei ze het.’ ‘Met een scherp mes,’ zei ik onverbiddelijk. ‘Maar Johan toch!’ zei mijn vriendin ontsteld. Met andere mannen toont ze vreemd genoeg altijd meer medelijden dan met mij. Misschien zijn die ook wel meer meelijwekkend, zo troost ik mezelf dan. ‘Ik weet me geen raad,’ bekende Johan. ‘Je moet goed beseffen: dat gebeurde allemaal al een poos geleden, en die UFO’s reizen met honderd keer de snelheid van het licht. Die ouwe Einstein kende er niks van. En katten zijn lang geen negen maanden drachtig. Kunnen jullie zich nu voorstellen hoe ik me voel, iedere keer dat ik het hoor donderen?’ ‘Ongeveer zoals Poescafé toen je hem naar de dierenarts bracht,’ veronderstelde ik, behulpzaam als altijd. Evy vroeg met ontzag: ‘Was dat mens echt zo sterk?’ ‘Je hebt er geen idee van,’ antwoordde Johan smartelijk. ‘Dat had natuurlijk ook zo z’n plezierige kanten. Zoals toen ze me omhoog hield om…’ Nee, daar hebben jullie geen zaken mee. Evy probeerde opnieuw: ‘Wie a zegt, moet ook-’ ‘Alsjeblieft, zeg!’

Ik stond op om door een van de kajuitraampjes naar buiten te kijken. Na enkele tellen vroeg ik langs mijn neus weg: ‘Hoe zei je ook weer dat die UFO eruit zag?’ Toen ik omkeek, zat Johan me als versteend aan te staren en hij zag werkelijk zo bleek als een zeezieke. Als die kerel niet echt verschrikkelijk bang was, speelde hij het wel erg realistisch. Ik begon te vermoeden dat hij op die bewuste avond in april een hallucinatie gekregen had en dat hij zijn waanvoorstellingen als echt gebeurd was gaan ervaren. Ik vroeg met een blik op zijn alweer lege glas: ‘Het is bekend dat hengelaars behoorlijk wat kunnen hijsen tijdens het sporten, hè?’ Johan haalde diep adem voor hij antwoordde: ‘Ik wist wel dat ik beter mijn mond kon houden. Maar weet je, soms is het moeilijk alles in je eentje te verkroppen…’ Zijn blik dwaalde weer even steels naar Evy’s T-shirt terwijl hij een beetje onvast opstond. ‘Bedankt voor de gezelligheid, Evy.’ Tegen mij zei hij niets meer. Zonder verder nog een woord, klom hij met zijn kater op de arm naar buiten, de andere hand aan zijn pijnlijke rug. Het was begonnen met regenen en ik keek Johan hoofdschuddend na toen hij gebogen wegliep over de natglimmende steiger. Opeens wist ik niet zo goed meer wat ervan te denken. Dat was het laatste wat we van Johan zagen. Zijn boot lag voortaan verlaten en verkommerend in zijn ligplaats. Pas maanden later ontving ik toevallig een nieuwtje op over hem. Het verhaal luidde dat hij vertrokken was naar een van die landen aan de Perzische Golf om een baantje in een harem aan te nemen. John C. Vermeulen (©)

WITTE HANDSCHOENEN
• Guido Eekhaut •


Gedurende een kort ogenblik wisten we dat wij de uitverkoren zouden zijn. Het was het ogenblik waarop onze bezoeker elk van ons aanraakte met de tip van de vingers van zijn linkerhand, een hand zorgvuldig omsloten door een witte katoenen handschoen. Zo onsubstantieel wit dat ze lichtgevend leek, die handschoen, als uit een reclame voor wasmiddel. Het soort van reclame waar ik vroeger altijd naar keek, ondanks de spot van Richard.
Richard was mijn man, vóór dit allemaal gebeurde.
Vooraleer de wereld aan zijn einde kwam.
Onze bezoeker sprak niet. Taal was hem overbodig. Met één oogopslag vertelde hij ons zijn verhaal, met een andere vertelde hij ons alles over zijn intenties.
Met beide oogopslagen loog hij, en tegelijk vertelde hij de waarheid.
“Je weet wel,” zei Anne, terwijl ze koffie inschonk in die veelkleurige namaak art-nouveau kopjes die ze met zoveel passie verzamelde. “Je weet wel: Diane, de schoonzus van mijn neef. Hij verdween vorige week, mijn neef. Maar niemand treurt …” Ze zweeg plots en staarde in haar kopje.
Er verdwenen voortdurend mensen. Weinige overblijvers vonden de tijd of energie om daarover te treuren. De wereld liep op z’n eind, niemand kon het verhelpen.
De koffie van Anne smaakte zoals mijn moeder die maakte, had net dezelfde geruststellende geur. Zelfs haar gebakjes, die ochtend uit de oven gehaald, deden me denken aan een huis en een jeugd die lang geleden overgeleverd waren aan de sloophamer – de échte sloophamer en die van de tijd.
Ik probeerde me te herinneren wie Diana was, of wie ze was geweest, maar het lukte me niet. De voorbije weken en maanden verloren oude bekenden steeds meer hun materiële substantie. Ze dreven steeds verder weg op een oceaan die niet alleen onpeilbaar diep maar ook steeds naamlozer werd.
Niemand had zich ooit voorgesteld dat het zó zou verlopen. Niemand had zich ooit voorgesteld dat het zou gebeuren.
Anne bood me nog een gebakje aan. Ze maakte ze zelf, met gember en stukjes abrikoos erin. Onmogelijk zoet, zoals ook mijn moeder dat deed.
Tijdens de voorbije maanden hadden heel wat mensen de smaak van zelfbereid voedsel opnieuw ontdekt. Uit noodzaak.
En de warmte van een houtvuur.
Ik probeerde me te herinneren wat Anne me wilde vertellen over Diana, met wie ze nooit goed had opgeschoten omdat die zo graag uitpakte met de dure cadeaus die haar man voor haar kocht. Anne wist – of vermoedde – dat die cadeaus er alleen maar waren omdat hij haar bedroog. Diana zou niet uitverkoren worden door onze bezoeker, wist Anne.
Ze scheen de intenties van onze bezoeker te kunnen afleiden uit de meest terloopse van diens oogopslagen.
Buiten liep de lente op z’n einde. Er kondigde zich een intens hete zomer aan.
Wellicht onze laatste zomer. Maar daarover praatten we niet.
Ik at het gebakje en dronk koffie. We verveelden ons niet, maar er was weinig anders te doen. Niets wat je deed had nog zin.
“Ze vertelde me langs de telefoon dat ze het niet meer aankon,” zei Anne. De telefoon was een van de weinige dingen die nog werkten. Opdat mensen van op afstand afscheid konden nemen. Zonder elkaar onder ogen te moeten komen. Ook nu vertrouwden we onze emoties toe aan onze technologie.
Anne en ik in haar keuken vormden geen uitzondering.
Ze liet haar vermoedens over het lot van Diana onvermeld.
Zelfs de stilte die met steeds grotere regelmaat tussen ons viel, wanneer we zo tegenover elkaar aan haar keukentafel zaten, vonden we niet meer hinderlijk. Wij waren overigens niet de enigen die de geruststellende kwaliteiten van de stilte herontdekten. Ook de natuur zelf had zich al maandenlang gehuld in een geluidloosheid die we uit noodzaak hadden aanvaard. Elke vogel en elk insect leek op de hoogte van het naderende einde. Misschien had onze bezoeker hen ook aangeraakt, hen ook – één schijnbaar ogenblik lang – beloofd dat ze uitverkoren zouden zijn. In ruil voor hun stilte.
Allemaal waren we betrokken in dezelfde samenzwering.
We hadden ons tot stilte verbonden.
Eigenlijk méér dan dat: we hadden ons ertoe verbonden ons lot zonder morren of opstandigheid te aanvaarden.
De aanraking van zijn katoenen vingers. Méér hadden we niet nodig gehad.

Sinds enige tijd duurde de avondschemering langer dan voorheen. Misschien had de beweging van de aarde zich vertraagd. Niemand stoorde zich daaraan. Metabolismen leken zich aan de groeiende onzekerheid van de tijd hebben aangepast.
Bomen staken als puzzelstukken tegen het ondergaande licht af.
Groeiende onzekerheid? Neen, precies het tegendeel: we wisten nu heel precies hoe het met ons zou aflopen.
Anne stond aan het keukenraam. Ze leek op iemand te wachten. Iemand die haar met een katoenen hand zou aanraken en haar beloven dat ze gered zou worden. Buiten hield de kalme stilte aan. Uitspansel en natuur hielden de adem in, wachtend op de laatste daden van de mens.
Onze bezoeker heeft nooit een woord gesproken. Zo ontliep hij elke discussie over zijn rol in het gebeuren. Misschien niet eens opzettelijk. Sommigen vroegen zich zelfs af of hij wel kon praten. Het was echter duidelijk dat hij niet hoefde te spreken. Iedereen leek te begrijpen waarom hij hier was.
Om ons te begeleiden.
Ik dacht enige tijd na over de neef van Anne die was verdwenen. Het werkwoord was een eufemisme, iets wat mensen gebruiken in tijden van crisis. Mensen verdwenen niet zomaar, ze doofden uit. Ze verloren niet hun geloof in het leven, maar hun geloof in het verleden. Ze beseften dat alles wat de mens ooit betekend had, nu zinloos was geworden. Er zou later niemand meer zijn om zich de mens te herinneren – diens daden, exploten en woorden.
“Waarom is hij gekomen?” vroeg Anne, op zeker moment, ergens tussen schemer en duister in. “Waarom zijn ze gekomen?” Want hij was niet alleen geweest, die bezoeker. Ze waren met velen geweest, plots bezorgd om het lot van mensen die ze, met niet meer dan een oogopslag, troost boden.
De vraag was tijdens de voorbije maanden te vaak gesteld geweest, maar nooit beantwoord.
Wie echter niet geloofde in de handoplegging, doofde onvermijdelijk uit.
“Ik verdraag de nacht niet langer meer,” zei Anne.

Hij stond achter Anne, die hem schijnbaar niet had opgemerkt. Zorgvuldig, alsof het om een intrigerend experiment ging, raakte hij met de tippen van de gehandschoende linkerhand haar schouder aan. Ze voelde het niet, zo luchtig was de aanraking. Hij trok voorzichtig zijn hand terug en verhief zich van de grond. Langzaam, statig, zweefde hij omhoog. Het geluid dat hij maakte deed denken aan de vleugels van een duif, opstijgend, fladderend, een evenwicht zoekend op luchtstromen die hij alleen kon waarnemen.

Guido Eekhaut ©

VERMIST
• Frank Roger •



“Meneer O’Keefe? Mag ik een ogenblikje van uw tijd?”

Timothy O’Keefe keek door het besmeurde raampje en zag dat het een agent was die had aangeklopt. Dat kon onmogelijk goed nieuws zijn. Hij besefte dat hij niet veel keuze had, opende de deur en zei: “Goede morgen. Kom erin. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
Terwijl de agent naar binnen kwam beval Timothy zijn hond om te gaan liggen.
“Rustig, Caesar,” zei hij op gezaghebbende toon. Hij zou moeten proberen het dier onder controle te houden.
De agent liet zijn ogen door de woonwagen dwalen, keek naar de hond en naar Timothy’s weinige schamele bezittingen. Wat kwam hij hier zoeken?
“Mag ik u een paar vragen stellen?”
“Natuurlijk.” “Hebt u gisteren bezoek gekregen? Van een jonge vrouw?”
“Ja,” zei Timothy. “Er is een sociaal werkster langs geweest om een probleem te bespreken.”
“Kunt u daar iets meer over vertellen?”
“Ze zei me dat er klachten waren. Sommige mensen kunnen blijkbaar mijn manier van leven niet aanvaarden. Ik leid hier een eenvoudig bestaan in mijn woonwagen, ver van alles en iedereen. Caesar is mijn enig gezelschap. Ik ben een beetje een kluizenaar. Veel heb ik niet nodig, ik vraag aan niemand gunsten, bemoei me enkel met mijn eigen zaken en aanvaard wat de natuur me biedt. Het probleem is dat sommige mensen een deel van de natuur als hun eigendom beschouwen, en als ik de giften van de natuur aanvaard beweren deze mensen dat ik heb gestolen wat hun toebehoort. Daar draaide het probleem dus eigenlijk om.”
“Ja, meneer O’Keefe, ik ken uw reputatie. Kon u een regeling voor het probleem treffen met de sociaal werkster?”
“Zo zou u het kunnen stellen. De plooien zijn gladgestreken. Ik verwacht geen problemen meer.”
“Wat gebeurde er na uw gesprek? Heeft juffrouw Sanchez iets speciaals gezegd of gedaan voor ze weer vertrok?”
Hij schudde het hoofd. Caesar kwam overeind en begon aan de laarzen van de agent te snuffelen. Timothy likte zijn lippen en zei: “Van al dat praten krijg ik dorst. Wilt u ook iets drinken? Ik vrees dat ik u alleen maar een beetje water kan aanbieden. En misschien enkele kleine hapjes.”
Hij rommelde in een van zijn gammele kasten, haalde twee glazen tevoorschijn, een kan water, en een bordje met etensrestjes. Timothy leegde snel zijn glas. De agent nipte alleen maar van het zijne, maar de ‘borrelhapjes’ raakte hij niet aan. Wellicht stelde hij zichzelf liever niet bloot aan de gastronomische normen – of het gebrek daaraan – van zijn gastheer.
“Juffrouw Sanchez is sinds gisteren vermist,” legde de agent uiteindelijk uit. “We praten nu met iedereen die haar nog gezien heeft, in de hoop aanwijzingen te vinden. U bent een van de laatste mensen die haar moet ontmoet hebben. Mocht u iets weten dat nuttig zou kunnen zijn, dan had ik dat graag vernomen. Aarzel niet om contact met ons op te nemen als u later nog iets te binnen schiet dat ons zou kunnen helpen. We kunnen iedere tip gebruiken.”
“Ik begrijp het,” zei Timothy. “Ik vrees dat ik u niet kan helpen.”
“Dan ga ik maar weer. Bedankt voor uw tijd.”
De agent liet nog eenmaal zijn ogen door de woonwagen rond spieden, alsof hij verwachtte plots het lichaam van juffrouw Sanchez te ontdekken, netjes opgeborgen in een van de kasten. Toen vertrok hij en liep terug naar zijn auto. Timothy gooide de hapjes op de grond, waar Caesar ze gulzig naar binnen werkte.
Hij dronk ook het glas van de agent leeg en schudde het hoofd. Werd de politie niet verondersteld aanwijzingen te vinden en vermisten op te sporen? Blijkbaar waren ze toch niet zo bekwaam. De agent had niet eens de stukjes vlees herkend, het enige wat nog restte van juffrouw Sanchez, en hij had ze vlak voor zijn neus gehad.
Gelukkig had Caesar zich ditmaal gedragen. Toen dat meisje hem hier een bezoekje had gebracht was dat wel even anders geweest. Ze hadden zijn probleem besproken, en toen had juffrouw Sanchez een gebaar gemaakt dat Caesar verkeerd had geïnterpreteerd. De hond, die honger had en prikkelbaar was, had zijn tanden in haar been gezet nog voor hij had kunnen tussenbeide komen, en ze was aan het gillen geslagen. Timothy had ervoor gezorgd dat het gillen ophield, want dat had tot ongewenste aandacht kunnen leiden. En aangezien Caesar en hij aanvaardden wat de natuur hen bood, en de natuur zo attent was geweest om hen juffrouw Sanchez aan te bieden… Ze hadden al een poos geen vlees meer gegeten, en het meisje vormde een welkome afwisseling voor de verdomde paddestoelen en het fruit dat hij vond (of “stal”). Het was verbazingwekkend hoeveel een hongerige hond kon verslinden. De restanten had hij aan de zwerfhonden gegeven die hier altijd rond hingen, en verder had hij alle sporen zorgvuldig uitgewist. Timothy had ook zijn deel gegeten, maar veel had hij niet opzij gelegd – dat had ook weinig zin als je geen koelkast had. Die agent had toch wel een bijzondere delicatesse aan zich laten voorbijgaan.
Hij was blij dat hij eigenlijk niet had gelogen tegen de agent. Hij had in zekere zin een regeling voor het probleem getroffen met de sociaal werkster, de plooien waren gladgestreken en hij verwachtte geen problemen meer. En er was niets dat hij kon doen om te helpen. Dat waren zijn woorden geweest.
En bovendien had die agent geen reden tot klagen. Die kerels waren taai en nauwelijks te verteren. Zou hij ooit beseffen hoeveel geluk hij had gehad?

© Frank Roger
www.frankroger.be

NA DE CRASH
• Celtica •


De klap volgde op een moment van puur genieten. De Verzorger omvatte hem aan alle kanten en kneedde zijn lijf, terwijl kirrende geluidjes aan hem ontsnapten. Knorrend genoot hij van het interwezenlijk contact, dat deze keer echter bijzonder kort duurde. De ruimte waarin ze zich bevonden, begon te schudden en te trillen, een snerpend geluid teisterde zijn gehoor en eindigde abrupt, tegelijk met de klap.

Wat er gebeurde was te chaotisch om te kunnen begrijpen. Het ene moment voelde hij hitte en werd zijn luchttoevoer bijna afgesloten. Het volgende moment rolde hij over een onbekende, immobiele substantie en kwam tot stilstand tegen iets stevigs.
Hij moest echt even bijkomen. De geuren rondom hem waren uitermate indringend. Hij schakelde zijn zicht in en nam de omgeving in zich op. Het duurde even voor hij gewend was aan de scherpte van de kleuren. Laag zag hij voornamelijk groen, bruin en felgeel, terwijl boven hem een helder blauwe kleur overheerste, afgewisseld met wat beweeglijk wit. De lucht die tot hem kwam, was totaal anders dan hij gewend was. Desondanks nam zijn luchttoevoer deze zonder problemen op.
Overal om hem heen werd hij leven gewaar. Bewegende wezentjes die het luchtruim doorkruisten en relatief klein spul dat op de immobiele onderkant van deze plek voortbewoog. Zelfs het groen, bruin en geel om hem heen voelde levend aan. Het maakte zijn binnenste onrustig. Deze omgeving was compleet nieuw voor hem, ze leek in niets op zijn thuis. Daar voerde de kleur geel de boventoon, echter nergens zo fel als hier. En leven kwam er slechts sporadisch voor.
In het blauwe uitspansel brandde een zon. Dat kende hij, al was hij er twee gewend. Die stonden verder weg dan deze en er omheen was het niet blauw zoals hier, maar grauwgeel. In een hoek van zijn gezichtsveld zag hij dat het zonlicht weerkaatste op iets glimmends, waar donker gekleurde lucht boven hing. Het trok zijn aandacht. Voorzichtig zette hij zich in beweging en rolde ernaartoe.
Zijn voelers begonnen te trillen op het moment dat hij de aanwezigheid van zijn Verzorger voelde. Die zond noodsignalen uit, maar hij kon onmogelijk dichterbij komen. Hij herkende de klank van de signalen, maar deze klonk vervormd en allesbehalve prettig. De donkere concentratie lucht die een barrière vormde tussen hem en zijn Verzorger, werd veroorzaakt door iets waar zijn voelers hem voor waarschuwden. Het rook al net zo vies als het eruitzag. Hij had geen idee wat hij moest doen om zijn Verzorger te helpen. Had deze pijn? Honger misschien? Eigenlijk maakte het niet uit, want zolang de donkere lucht daar was, zag hij geen mogelijkheid om dichterbij te komen. Onrustig wendde hij zijn zicht af van het onaangename beeld en voelde zich op slag een stuk beter.
Hij beschouwde de omgeving nieuwsgierig en begon opnieuw te rollen. Harder en harder ging hij, tot de lucht om hem heen geluid begon te maken. Wat een zalige sensatie! Zijn buitenkant trilde net zo opgewonden als zijn binnenkant. Zijn voelers zorgden ervoor dat hij tegen geen enkel obstakel botste, maar er razendsnel langs en tussendoor dook. Ook het contact met de immobiele onderkant van deze omgeving was geen probleem voor hem. Zijn dicht opeengepakte, lange haren en ronde vorm maakten van hem een perfect voortrollend object. Oneffenheden deden hem niets, hij schoot er rakelings overheen. Hij genoot van zijn tocht. Tot het moment dat de onderkant vloeibaar werd...
Intense paniek overviel hem. Uit alle macht probeerde hij te keren, terug te gaan naar de vaste substantie. Dat was echter onmogelijk, het vloeibare spul drukte hem naar beneden, ontnam hem zijn luchttoevoer. Het drong bij hem naar binnen en even was het alsof zijn leven hier zou stoppen. Maar dat gebeurde niet. Iets pakte hem vast en trok hem omhoog, de vrije ruimte in.
“Hé, wat is dit nou? Mam, kijk! Wat is dit voor beest?”
Een warm wezen had hem gered uit de vloeibare substantie. Langzaam ebde de paniek uit hem weg, zijn luchttoevoer begon beetje bij beetje weer normaal te werken. Zijn buitenkant voelde smerig aan. De substantie klitte aan hem en drukte zijn temperatuur, waardoor hij bijna net zo hard trilde als daarnet. Nu was de sensatie echter helemaal niet prettig. Wat een geluk dat het warme wezen hem vast had.
“Hè, getsie Jasper. Het lijkt wel een verzopen kat,” hoorde hij het geluid van een tweede wezen.
Dit boog over hem heen en raakte hem aan. De geur die deze twee warme wezens verspreidden, liet zijn voelers trillen.
“Nou, een kat is het niet, hoor mam. Moet je kijken, het heeft niet eens pootjes!”
“Gek... Geen idee wat dit is. Maar het is beest en het heeft duidelijk warmte nodig. We kunnen het in het picknicklaken rollen, dan droogt het op.”
De twee wezens legden hem op de vaste ondergrond en drapeerden iets om hem heen. De vloeibare substantie aarzelde even, maar verkoos het toen om in het omhulsel te trekken. Dat luchtte op en al snel had hij behoefte om het kleffe ding van zich af te schudden. Daar kreeg hij echter niet de gelegenheid toe. De wezens wisselden klanken met elkaar uit, waarna één van hen hem weer opnam, tegen zich aan hield en zich in beweging zette. Nieuwsgierig bewoog hij zich zo dat zijn zicht boven het omhulsel uitkwam.
Het wezen met wie hij meereisde, begaf zich naar een voorwerp, waar het zonlicht op weerkaatste. Het ding stuurde een vage herkenning naar zijn brein, zeker toen een deel ervan week door een beweging van het wezen, dat zich met hem in de opening zette. Het deel ging achter hen dicht en sloot hen af van de buitenwereld.
Ook al zag het er compleet anders uit, toch vertoonde het een verre gelijkenis met de Zoever waar zijn Verzorger hem in meegenomen had. De temperatuur in het voorwerp was nog aangenamer dan in de vrije ruimte en hij knorde van genot.
“O, kijk nou mam, hij vindt me lief!”
De klanken droegen verrukking in zich en even deed het wezen hetzelfde als zijn Verzorger zo vaak deed. Het kneedde hem en maakte kirrende geluidjes. Het drapeerde zich bijna helemaal om hem heen en legde zijn blote vlees tegen hem aan, waardoor hij even geen beelden kon waarnemen. Desondanks voelde het goed. Het liet hem bovendien voelen dat hij al een tijdje niet gegeten had.
“Wees nou voorzichtig, Jasper, je weet helemaal niet wat voor beest dit is. We zullen thuis de encyclopedie er eens op naslaan.”
Het warme voorwerp waar ze zich nu in bevonden was allesbehalve een Zoever. Het was een Brommer en soms zelfs een Bruller, die schokte en hobbelde op een bijzonder onaangename manier. De honger die bij hem opgekomen was, maakte al snel plaats voor misselijkheid. Hij begreep niet dat de wezens er geen last van hadden. Ze wisselden bijna constant ontspannen klanken uit. Ineens slaakte één van hen een irritante, hoge toon. Het brommen en schokken stopte abrupt.
“Kijk daar! Een brandende auto!”
Het wezen dat hem vast had, volgde het andere wezen de Brommer uit. Zelf keek hij boven het kleffe omhulsel uit om te zien waar de wezens zo heftig op reageerden. Een eindje van hem vandaan zag hij de smerige lucht, die aan concentratie had ingeboet, boven de resten van de Zoever hangen. Heel zwak drongen de noodsignalen van zijn Verzorger tot hem door. De wezens die hem gered hadden, bewogen zich in de richting van de signalen en ineens kreeg hij een idee. Eenmaal buiten de Brommer was de lucht die tot hem kwam minder benauwd. De misselijkheid trok uit hem weg en maakte weer plaats voor honger. Misschien had zijn Verzorger daar ook last van. Nu de smerige lucht verminderde, kon hij misschien bij hem in de buurt komen.
“Mam! Kijk nou, dat is geen auto! Mam!”
De geluiden van zijn redder deden pijn aan zijn gehoor. Ze klonken schril, doordringend. Het werd tijd dat hij uit dat kleffe ding kwam en zich kon verwijderen van de geluidsvoortbrenger van dat wezen. Hij begon te draaien, net zolang tot hij los kwam van het ding en hij zich uit de warme greep van zijn redder kon losrukken. Hij viel op de immobiele onderkant van deze wereld.
“Het is een... Het is...”
“Ja echt: een ruimteschip! Mam, kijk, het is een ruimteschip!”
“Jasper, pas op, niet te dichtbij! Verdorie, waarom heb ik hier geen bereik?”
“Hé mam... Zou dat beestje... Zou het een alien zijn? Een soort ET?”
“Ik weet het niet, jongen, maar ik moet echt 112 bellen! Nee hoor, het lukt niet, geen bereik...”
Even ervoer hij een spijtig gevoel jegens zijn warme redder en diens begeleider. Het was prettig geweest in hun nabijheid. Maar nu hij vlakbij zijn Verzorger was, dacht hij dat hij een oplossing voor diens noodsignalen had. Hij richtte zijn zicht en zijn voelers op zijn redder, de kleinste van de twee. De warmte in het wezen werd veroorzaakt door bewegende substantie in diens binnenste. Bovenaan het wezen zat een brein, waar veel van die substantie doorheen vloeide. Het werd echter beschermd door iets hards. Maar daar vlak onder was een deel waar hij gemakkelijk bij kon. Hij stelde zijn snijders in en duwde zich tegen de zwaartekracht in omhoog. Een snerpend geluid tergde zijn gehoor op het moment dat hij tegen het wezen aanbotste en zijn snijders een diepe vore in het blote vlees trokken. Opnieuw voelde hij zich doordrenkt in vloeibare substantie. Deze keer was het echter warm en levend. Zijn lijf nam de substantie op als een spons en even explodeerden de kleuren om hem heen door pure extase.
“Jasper! Mijn god, nee! Jasper!”
Ondanks dat zijn redder schokkend maar verder geluidloos op de grond lag, duurde het snerpende geluid voort. Het werd voortgebracht door het grootste wezen, dat zich over het kleine heen boog. Het beefde van top tot teen en straalde volkomen paniek uit. Al snerpend zocht het de omgeving af, zocht naar hem. Snel schudde hij de extase van zich af. Hij stelde nogmaals zijn snijders in en rolde met volle snelheid op het tweede wezen af. Het gesnerp nam in intensiteit toe, tot zijn snijders zich ook in het warme vlees van dit wezen boorden. Daarna kon hij in alle rust genieten van zijn maal.
Na enige tijd drongen de noodsignalen van zijn Verzorger weer tot zijn brein door. Het geluid was veel zwakker dan voorheen. Het gaf hem het gevoel dat het weinig zin had om hem te redden. De staat waarin de Zoever verkeerde, was deplorabel, hij twijfelde of deze zomaar weer in beweging zou komen. Hij overwoog zijn situatie. Om hem heen was veel leven, de omgeving bood ongekende mogelijkheden. Zijn Verzorger was goed voor hem geweest, maar nodig had hij hem niet. Nee, liever ging hij hier op verkenning. Tevreden over zijn besluit schudde hij zich en rolde weg.

Celtica

© Rianne Lampers

DE MAN DIE IN DE TIJD KON REIZEN
• Frank Roger •



Het was de hele dag bloedheet geweest en ik was blij de Lege Zandloper te betreden, in de wetenschap dat me hier prima bier en goed gezelschap wachtten. Ik stelde niet bepaald tot mijn verrassing vast dat mijn vriend Enzo al aanwezig was, nam plaats aan de bar naast hem en vroeg hoe hij het stelde.

“Met mij is alles is in orde,” zei hij, “maar jij ziet er dorstig uit. Wat dacht je van een Quintine om dit pijnlijke probleem op te lossen?”
Ik stemde in met zijn strategie en enkele ogenblikken later bleek mijn dorst een makkelijke prooi voor het Quintine-offensief.
“Er is echter nog iets dat me dwars zit,” ging Enzo verder, blijkbaar ontevreden met zijn aanvankelijke antwoord op mijn vraag. “Zie je, mijn zoontje is nu zes maanden oud, en ik krijg hem nauwelijks te zien. Ik vind dat werkelijk verschrikkelijk erg. Hoort een vader zijn zoon dan niet te zien opgroeien?”
“Absoluut,” antwoordde ik. “Ik zie maar twee mogelijkheden. Ofwel voed je je zoontje hier op in de Lege Zandloper, ofwel probeer je af en toe eens thuis te zijn. Nu weet ik best dat je die tweede optie ondenkbaar acht, en ik verwacht je zoontje dan ook spoedig hier te ontmoeten.”
“Je bent heel erg grappig,” mopperde Enzo. “In ieder geval heb ik de eerste zes maanden van het leven van mijn zoontje gemist, en dat valt nu eenmaal niet meer te veranderen.”
“Oh, jawel,” zei de man die rechts van Enzo zat plots. We keken allebei de vreemdeling aan, wachtend op een woordje uitleg.
“Als je in de tijd zou kunnen reizen zou je kunnen terugkeren en iedere minuut van de zes maanden die je hebt gemist beleven,” zei de man. “En ik weet waarover ik het heb. Ik ben een van die bevoorrechten die in de tijd kunnen reizen.”
“Ach zo,” zei Enzo sceptisch. “Kun je dat bewijzen?”
“Geen probleem,” zei de vreemdeling. “Betaal nog een rondje van dat bier en ik maak een kleine trip in de tijd om jullie te overtuigen.”
Enzo betaalde nog een rondje Quintine, we hieven het glas en namen een slok. We keken allebei de vreemdeling aan, die zijn glas voor de helft leegdronk en geen woord sprak.
“Wel,” zei Enzo na enkele ogenblikken. “Ging je geen demonstratie tijdreizen geven?”
“Dat heb ik zopas toch gedaan,” zei de man op lijzige toon.
“En waarom hebben we dan niets gezien?” vroeg Enzo.
“Ik ben weggegaan naar een punt in de tijd dat twee jaar in de toekomst ligt, en kwam dan terug naar hier op hetzelfde tijdstip vanwaar ik vertrok, wat verklaart waarom jullie niets zagen. Vanuit jullie oogpunt was ik maar een fractie van een seconde weg, te kort om te kunnen geregistreerd worden door jullie ogen. Je moet weten dat ik het risico niet wilde lopen dat mijn Quintine verschaald zou raken.”
“Dat is een hoogst redelijk excuus,” gaf Enzo toe, “maar het ontkracht wel je tijdreisdemonstratie. Hoe kun je nu verwachten ons te overtuigen als we niets zien?”
“Het is niet omdat jullie niets merkten dat ik niet in de tijd gereisd heb,” weerlegde de vreemdeling.
“Als je iets wilt bewijzen zul je ons toch moeten overtuigen,” stelde ik. “Je mag rustig theorieën blijven verkondigen, maar je zult ons enkel kunnen overhalen met onweerlegbare feiten. Toon ons dat je in de tijd kunt reizen. Geef ons een tastbaar bewijs. Leg ons uit hoe het tijdreizen in zijn werk gaat. Hoe ga je heen en weer in de tijd?”
De man zuchtte, dronk zijn glas leeg en zei: “Ik herlokaliseer mijn coördinaten in het tijdruimtecontinuüm, kalibreer mijn vectoren in de vier dimensies, stel mijn de- en hermaterialiseringsparadigma’s in en zo flits ik heen en weer. Let wel, ik besef best dat dit jullie petje te boven gaat. En van al dat praten krijg ik dorst. Kunnen we nog iets drinken? Misschien iets hartigs en donkers, een biertje dat past bij mijn gemoed?”
Enzo bestelde een rondje Florival en zei, “Denk je niet dat een tweede demonstratie een goed idee zou zijn?”
De man nam een flinke slok van het bruine bier en knikte. “Akkoord.” Hij schudde het hoofd, knipperde een paar maal en zei: “Wel, ik ben terug. Ditmaal heb ik een reis naar het verleden gemaakt, en keerde ik terug naar mijn vertrekpunt. Ik kon me er niet toe brengen iets later terug te keren, omdat ik wist dat dit heerlijke bruine brouwsel hier voor me klaar stond.” Hij reikte naar zijn glas en dronk gulzig.
“Je waardering van onze bieren is inmiddels voldoende bewezen,” gaf Enzo toe, “maar ik kan helaas niet hetzelfde zeggen van je vermogen om in de tijd te reizen.”
De man wierp hem een boze blik toe, en mompelde iets binnensmonds. Het was onduidelijk of hij geïrriteerd raakte door onze weigering om zijn bewijsvoering te aanvaarden, of dat hij alleen maar dronken werd. “Jullie nemen me niet ernstig,” zei hij met lispelende stem. “En nochtans vertelde ik jullie de waarheid. Ik heb die twee trips in de tijd werkelijk gemaakt.” Hij dronk zijn bier leeg en mepte op de bar.
“Wat kan jullie dan wel overtuigen? Stel dat ik een reis in de tijd maak en terugkeer naar een punt in de tijd dat flink wat later ligt dan mijn vertrekpunt. Dan is mijn bewering bewezen, maar jullie afwezigheid bij mijn terugkeer zou het allemaal zinloos maken. Of stel dat ik terugkeer naar een punt in de tijd dat voor mijn vertrekpunt ligt, dan weten jullie nog niet waarover het allemaal gaat, omdat we dit gesprek nog niet gevoerd hebben, en ook in dat geval is de inspanning voor niets geweest.”
“Dus je geeft toe dat je geen bewijs kunt leveren van je bijzondere talent?” concludeerde Enzo.
“Wacht even, er is wel degelijk nog een mogelijkheid die jullie beslist zal overtuigen. Het is mijn laatste kans. En ook jullie laatste kans. Bekijk me eens goed. Noteer alle details.”
“Welke details?” vroeg Enzo. “Waar heb je het over?”
“De details van mijn uiterlijke verschijning,” legde de man uit. “Mijn gezicht, mijn haar, mijn hemd, alles. Tracht je te herinneren hoe ik er uit zie, tot in de kleinste details.”
We bekeken hem grondig en namen nota van ieder aspect van zijn uiterlijke verschijning.
Uiteindelijk zei de man: “Kijk, ik ga nu naar het toilet, vanwaar ik enkele reizen in de tijd ga maken, een behoorlijk groot aantal trips naar het verleden en naar de toekomst, en als ik terugkom dan zullen jullie beslist overtuigd zijn. Zorg er wel voor dat er nog een biertje voor me klaar staat als ik weer opdaag. Tot ziens.” De man wipte van zijn barkruk en ging naar het toilet.
Enzo vroeg me wat ik ervan dacht, en ik antwoordde dat ik mijn twijfels had over deze man, wiens belangstelling voornamelijk leek uit te gaan naar het versieren van gratis bier. Geen wonder dat hij nu naar het toilet moest. Ik bestelde voor ons allebei een Kwak, en we hadden nauwelijks onze discussie van het onderwerp aangevat of de man kwam alweer terug.
Het was wel degelijk dezelfde man, hoewel hij er anders uitzag. Hij had nu grijs haar, zijn gezicht zal vol groeven en rimpels, en zijn hemd was vuil en gekreukt, hier en daar zelfs gescheurd. Hij klom weer op zijn kruk, wanhopig speurend naar het biertje dat hem beloofd was. Op Enzo’s wenk gaf de barman hem een Kwak, en hij dronk ervan alsof hij in geen jaren nog een biertje had gesmaakt.
Enzo en ik bestudeerden het uiterlijk van de man en wisselden blikken uit. Was de man een truc aan het opvoeren? Was dit nu bedoeld als overtuigend bewijs voor zijn vermogen om in de tijd te reizen? Werden we nu verondersteld aan te nemen dat hij had rondgezworven in het grijze verleden en zich ver in de toekomst had gewaagd, om dan eindelijk terug te keren naar het toilet van de Lege Zandloper, luttele minuten na zijn punt van vertrek?
“Wel, als jullie nu nog niet overtuigd zijn, dan zijn jullie het nooit,” zei de man, dronk zijn bier leeg en verliet de pub.
“Wel, Enzo, wat denk je ervan?” vroeg ik.
“Ik denk dat die man drie prima biertjes heeft gehad zonder iets te moeten betalen. Wat hij precies heeft uitgespookt in het toilet weet ik niet, maar als ik nu eens stel dat hij daar make-up heeft aangebracht op zijn gezicht en zijn haar grijs heeft gekleurd?”
“En heeft zitten aanmodderen met zijn hemd.”
“Ach ja, zijn hemd. Alsof mensen die lange tijdreizen ondernemen geen ogenblik vinden om van hemd te veranderen, zodat ze van hun odyssee terugkeren met vuile lompen. Deze kerel was een bedrieger, die gebruik maakte van goedkope trucjes om gratis bier te scoren. We zijn erin geluisd.”
Op dat moment kwam er nog iemand terug van het toilet en zei tegen de barman: “Hé, je moet daar eens een kijkje gaan nemen. Een van de toiletten is verstopt met wat wel een gigantische massa versteende uitwerpselen lijkt.”
“Een gigantische massa versteende uitwerpselen?” riep de barman uit. “Is dit nog zo’n practical joke van die bedrieger met zijn wel heel erg slechte smaak?”
“Alsof het feit dat wij zijn bier moesten betalen nog niet erg genoeg was,” voegde ik er aan toe.
“Er is nog een andere mogelijkheid,” stelde Enzo. “De man reisde inderdaad in de tijd, hield de deur van het toilet gesloten, kwam met grote regelmaat terug om zich te ontlasten tijdens zijn uitvoerige zwerftochten in de tijd, en kwam uiteindelijk terug naar de bar om zijn biertje te halen en vertrok toen. Misschien klopt het allemaal wel.”
“Maar zijn hemd dan?” vroeg ik. “Heb je daar een verklaring voor?”
Enzo haalde de schouders op. “Ik ga soms ook naar huis met een gekreukt hemd.”
“Gezien de tijd die je hier doorbrengt zonder van kleren te veranderen lijkt me dat hoogst aannemelijk,” gaf ik toe.
“Maar Enzo betaalt tenminste zijn rekening en laat geen hopen versteende uitwerpselen na in het toilet,” zei de barman. “Ik weet wel aan welk soort klant ik de voorkeur geef.”
“Daar drink ik op,” riep Enzo juichend uit en betaalde nog een rondje. “En als de Lege Zandloper zijn reputatie eer aandoet, dan zal de volgende man die hier binnenkomt een onderzoeker in de uitwerpselkunde blijken te zijn, die maar al te graag onze hoop versteende smurrie zal willen meenemen, omdat het nu eenmaal fascinerend bronmateriaal is voor de archeologische studie die hij aan het schrijven is.”
“En hoe weten we of hij inderdaad de man is op wie we zitten te wachten?” vroeg ik.
“Hij zal een codewoord uitspreken om zijn identiteit te onthullen,” zei Enzo gniffelend, duidelijk plezier scheppend in zijn fantasie.
We draaiden allen het hoofd toen de deur van de pub open ging, en een man naar binnen kwam, verbaasd om de afwachtende blikken die hem toegeworpen werden. Hij stootte zijn knie pijnlijk tegen een stoel en zei: “Shit.”

© Frank Roger
www.frankroger.be

MEMOIRES VAN EEN CYBORG
• Andries Denturck •


Ik ben een cyborg, een mix van menselijke en cybernetische componenten, maar ben ik een mens of ben ik een robot? Aangezien ik denk, ben ik, maar wat ben ik eigenlijk? Tegen wil en dank ben ik mijn lichaam kwijtgeraakt, maar ben ik tegelijkertijd niet mezelf kwijtgeraakt? Mijn lichaam bestaat enkel nog in mijn herinneringen en wie weet hoe lang het duurt voordat ook zij vervagen en vervangen worden. Daarom schrijf ik deze memoires, de memoires van een cyborg: om de herinnering levend te houden.  Als je zo lang geleefd heb als ik - ik ben er 189 - dan herinner je je maar bitter weinig van je leven. Vooral mijn kindertijd is reeds decennialang een groot vraagteken. Herinneringen zijn vluchtig en dan is het nog maar de vraag hoeveel van wat ik me herinner, daadwerkelijk gebeurd is. Ik meen mij te herinneren dat ik als kind geïnteresseerd was in wetenschap en over alles wel een vraag klaar had. Veel van die vragen gingen dan over het gevreesde "broeikaseffect", dat toen al een vergevorderd stadium bereikt had. Na mijn laatste jaar middelbaar besloot ik dan ook chemie te gaan studeren om in al mijn jeugdig enthousiasme de wereld te verbeteren en het broeikaseffect ongedaan te maken.

Ik was echter een paar jaar te laat geboren, want die zomer nog werd de werking van enkele specifieke nano-partikels ontdekt. Die zouden dienen als katalysator bij bepaalde chemische reacties in de lucht, waardoor het broeikaseffect verleden tijd zou worden. Nano-optimisten:1, Nanopessimisten: 0. Het oorspronkelijke wantrouwen voor nanotechnologie verdween als sneeuw voor de zon en maakte plaats voor een ongebreideld toekomstoptimisme. De mensheid was haar eigen godheid geworden.   Een jaar later had het mondiale optimisme plaatsgemaakt voor een mondiale oorlog en de godheid bleek meer specifiek een oorlogsgod te zijn. Ik had nog maar net mijn eerste jaar chemie met vrucht beëindigd of ik werd onder de wapens geroepen. Na een zeer beknopte opleiding tot kannonnenvoer werd ik meteen naar het front gestuurd om er, uitgerekend in Genève, slachtoffer te worden van een nieuw soort zenuwgas. Het gas bestond namelijk uit nano-partikels die inwerkten op elke receptor van het centraal zenuwstelsel. Wie getroffen werd, doorstond helse pijnen, die pas ophielden wanneer het hart het van de stress begaf. In de liefde en in de oorlog is alles toegestaan en de verdragen getekend in vredestijd zouden daar niets aan veranderen. Die ene aanval betekende trouwens meteen ook het einde van de oorlog, aangezien de generaals inzagen dat er niets roemrijk was aan dergelijke massamoord. Er werden als vanouds een hoop verdragen getekend en handen geschud en de conventies van Genève werden nog eens dunnetjes overgedaan. Maar... Niet iedereen was gestorven door de blootstelling aan het zenuwgas. Ik behoorde tot de "happy few" die de gasaanval wonderwel overleefd hadden, maar nog niet al het leed was geleden. Ik werd geïnterneerd in een psychiatrische instelling waar ik jarenlang herstelde van mijn psychische letsels. Naar verluidt was mijn geval zo uniek dat er zelfs een speciaal syndroom naar vernoemd is. Dat syndroom heeft trouwens niet alleen mentale, maar ook fysische gevolgen. Het zenuwgas veroorzaakt namelijk een vervroegde degeneratie van het lichaam. Hier kwam de nanotechnologie in al haar ironie weer om het hoekje kijken. Telkens een lichaamsdeel het liet afweten, werd het vervangen door een cybernetische variant, waardoor ik onderhand meer robot dan mens werd. Aangezien ik continue onder invloed was van nano-pijnstillers kon ik mij niet verzetten tegen deze transformatie. Er werd mij trouwens ook nooit iets gevraagd. Een land dat haar oudstrijders verwaarloost, verwaarloost haar verleden. Ik werd uiteindelijk een mascotte van de technologische verwezelijkingen van het vaderland.
  Na een jarenlang verblijf werd ik uiteindelijk uit de psychiatrische instelling ontslaan en kon ik mijn oude leven hervatten. Ik bevond mezelf in een lichaam dat het mijne niet meer was, in een wereld waar ik totaal van vervreemd was geraakt. Als oudstrijder kreeg ik een ruim pensioen, maar ik wist niet goed meer wat ik met mijn leven nog moest aanvangen. Uiteindelijk besloot ik opnieuw te gaan studeren, ditmaal echter geen chemie, maar filosofie. Ik had een afkeer gekregen van elke vorm van wetenschap aangezien ze mij meer kwaad dan goed had gedaan. Ik weigerde dan ook systematisch elke vorm van nieuwe technologie aan te leren, zodat ik onder mijn medestudenten doorging voor een pathetische oude zak.
Die pathetische oude zak werd uiteindelijk wel benoemd tot professor in de wijsbegeerte en hij was het die de befaamde nano-profetie opstelde. Ik stelde namelijk dat het niveau waarop de wetenschapper werkzaam is, omgekeerd evenredig is tot de verantwoordelijkheid die deze draagt. Deze verantwoordelijkheid zou voor sommigen een te zware last zijn en zo zou de mensheid haar eigen ondergang betekenen. Aanvankelijk werd deze stelling smalend afgedaan. Deze keer was ik geen pathetische, oude zak meer, maar een pathetische, archaïsche doemdenker. Uiteindelijk werd mijn ontslag als professor geëist en kon ik terug naar mijn vertrouwde instelling gaan. Daar zag ik een groot deel van mijn oorlogsmakkers terug, aangezien ook zij niet in de moderne samenleving pasten.
Twee jaar geleden kwam echter aan het licht dat de partikels die eerder de wereld gered hadden ook een katalysator waren geweest bij de vorming van de gevreesde eco-radicalen. Ik kreeg mijn eerherstel, maar de planeet kreeg dit niet. Op het moment dat ik dit schrijf is de wereld er dan ook zeer slecht aan toe. Zo slecht zelfs dat hij de status "Terminaal verziekt" gekregen heeft. Ondertussen zijn mijn hersenen het enige wat nog herinnert aan mijn ouders en in tegenstelling tot de rest van mijn lichaam kunnen zij niet vervangen worden. Men kan nog wel mijn hersenen bewerken met allerhande nano-chemicaliën, maar daarvoor heb ik vriendelijk bedankt. Het doek over mijn bestaan moet ooit eens vallen en de vraag is zelfs of ik überhaupt nog besta...

Naschrift:

Met dit kortverhaal nam Andries Denturck uit de Sint-Jozefscollege te Aalst deel aan de essaywedstrijd ter gelegenheid van het Nano Nu festival, ingericht door het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek – Samenleving en Technologie.

© Andries Denturck

HET SPOOR BIJSTER
• Rianne Lampers •


“Geloof me, het is niet mijn idee, maar er is niets aan te doen. De grond is van ProRail, jullie hebben deze alleen maar in bruikleen. De directie heeft al toegezegd dat jullie allemaal schadeloos gesteld worden, precies zoals in de schriftelijke bevestiging van de procedure staat. Iedereen krijgt een mooi bedrag ter compensatie.”
De neerbuigende blik op het gezicht van de inspecteur van ProRail ergerde de bejaarde Mien mateloos. Dat kwam hier zomaar aanlopen, met een air van jewelste, om tegen haar en de hier verzamelde buurtjes te zeggen dat - hoe jammer hij het ook vond voor hen en ondanks hun bezwaren - alles toch tegen de vlakte moest. De graafmachines en bulldozers zouden over een week komen om de hele boel overhoop te gooien.
“Ja, en iedereen krijgt evenveel! Dat is toch oneerlijk? Sommigen hebben nooit wat aan hun tuintje gedaan, terwijl anderen er bloed, zweet en tranen hebben liggen,” gromde buurman Bas Slootkant.
Zijn woorden stuurden een niet onaangename rilling over Miens ruggengraat. Bas moest eens weten hoe waar zijn woorden waren.
De man van ProRail haalde zijn schouders op. “Het is niet anders. Maar zeg nou zelf: het is een meer dan redelijk bedrag. Zorg er alsjeblieft voor dat aan het eind van de komende week alles van waarde hier weg is, dan kan de klus zonder problemen geklaard worden.”
En daarmee was de kous af.
De buurtjes mopperden flink en ook Miens echtgenoot Anton deed volop mee. Hij leunde op zijn hark, zijn mond verbeten, zijn blauwe ogen venijnig. Ondanks zijn hoge leeftijd oefende hij nog steeds aantrekkingskracht op Mien uit. Zij kende de kracht van zijn schonkige lijf, de slagkracht van zijn nog altijd gespierde armen. Anton tilde zijn hark op en spuugde op de grond, vlak voor de voeten van de inspecteur. Diens vernietigende blik zocht contact met de harde ogen van de gepensioneerde slager en hij opende zijn mond om iets te zeggen.
Sussend mengde Mien zich ertussen. “Getsie, Anton, dat vind ik nou buitengewoon onhoffelijk van je. Sorry, meneer de inspecteur, maar u moet weten dat we hier al zo veel jaren van dierbare herinneringen hebben liggen. Het is voor ons niet gemakkelijk.”
De inspecteur draaide zich naar haar toe. Zijn blik was op slag een stuk milder. “Zoals ik al zei, mevrouw, het is niet mijn idee,” verontschuldigde hij zich. “Maar het is gewoon nodig in de strijd tegen de overlast langs het spoor.”
Over zijn brede schouders zag Mien hun veertienjarige kleinzoon Terence naderen. Die leek in bijna niets op zijn opa, met zijn slungelige lichaam en lange benen. Toch school er een onvermoede kracht in het joch. Ze wierpen elkaar een blik van verstandhouding toe, waarna Mien zich tot de inspecteur wendde en zei: “Ach meneer, ik begrijp het wel. U doet ook maar uw werk. Het is vast niet uw idee geweest om de tuintjes te ruimen.”
Ze liet haar blik langs de man glijden en legde een moederlijke hand op zijn arm, kneep daar vriendelijk in. De man was lang en stevig van postuur. Op samenzweerderige toon voegde ze aan haar woorden toe: “Als u eens wist wat een heerlijke gerechten ik maak met wat het tuintje ons te bieden heeft. Misschien dat u dan een beetje kunt voelen wat een gemis het zal zijn als we dit niet meer hebben. Maar ja, sommige dingen zijn nu eenmaal onomkeerbaar. Nou, weet u wat? Als u zondagavond eens rond een uur of negen langskomt, dan zorg ik dat ik nog een lekker kostje voor u heb. Wat vindt u daarvan? En wat groenten om mee te nemen naar uw vrouw.”
De verraste blik van de inspecteur deed Mien goed. Hij keek van haar naar Anton. De robuuste gepensioneerde leek te aarzelen of hij boos moest worden om het voorstel van zijn vrouw. Hij koos echter eieren voor zijn geld, spuugde opnieuw, maar nu een andere kant op.
“Tegenspreken heb ik allang afgeleerd,” grijnsde hij, in een poging geagiteerd te klinken.
Antons opmerking toverde een grijns op het gezicht van zijn kleinzoon. De jongen volgde zijn opa in de richting van het terras voor het uitmuntend onderhouden tuinhuis dat grensde aan een paadje met slecht onderhouden bouwsels en tuintjes. Dat deel van het complex werd bijna nooit betreden, uiteindelijk was niet iedere huurder even trouw in het onderhouden van zijn stukje natuur aan de rand van de stad.

Het was nog bijzonder warm voor september. Marcel Gijzen parkeerde zijn auto aan de rand van het volkstuintjescomplex langs het spoor. Het voorstel van het omaatje om daar wat te eten, was zo gemeend op hem overgekomen, dat hij het niet over zijn hart kon verkrijgen er niet op in te gaan. Nadat hij thuis zijn verhaal gedaan had, had zijn vrouw hem voor gek verklaard.
“Straks vergiftigen ze je nog,” had ze gemopperd, “of gooien je voor de trein!”
Met het beeld van de mollige oude vrouw en haar boers aandoende echtgenoot in zijn hoofd had Marcel haar uitgelachen.
Hij had haar omhelsd en gegrijnsd: “Jij kijkt te veel naar detectives, Anna. Het zijn gepensioneerden! Ik ben om een uur of tien terug. Tot later!”
Er was nog een aantal mensen aan het werk in de tuintjes en hier en daar zat een ouder echtpaar op een terrasje. Degenen die hem herkenden wierpen hem niet al te vriendelijke blikken toe, maar niet één van hen sprak hem aan. Dat hoefde ook niet, hij had geen zin in oeverloze discussies.
“Kijk eens wie we daar hebben.”
De oude vrouw kwam hem met een innemende glimlach op haar gezicht tegemoet. Ze stak een hand naar hem uit en stelde zich voor. “Mien Hoogerwaard. Dit is mijn man Anton en dat is mijn kleinzoon Terence.”
Marcel voelde zich zowaar een beetje verlegen door haar hartelijkheid. Ze deed hem aan zijn eigen oma denken, aan vroeger, aan vakanties aan zee en door zijn oma zelfgebakken appeltaart. Hij schudde haar hand, die zacht en warm aanvoelde. Aangespoord door haar stak ook haar man een hand naar hem uit. In tegenstelling tot de hand van zijn vrouw, voelde die van Anton aan als schuurpapier. Bovendien was zijn handdruk zo krachtig, dat de afdruk van Marcels trouwring in zijn vingers bleef staan. Met een licht vertrokken gezicht knikte hij naar de oude man.
“Biertje?” Dat was Terence. De puber gaf geen hand en bleef op een afstandje staan. Marcel knikte als antwoord en volgde Mien naar de klaarstaande tuinstoeltjes.
Anton zakte kreunend op één van deze neer en mopperde: “Ja, dat krijg je als je ouder wordt. Alles gaat kraken.”
Mien was Terence het tuinhuisje in gevolgd. Ze kwamen samen terug, Terence met twee flesjes bier en Mien met een schaal vol met gehaktballetjes. Er kwam stoom en een zalige geur vanaf. Het water liep Marcel in de mond. De volgende schaal die Mien aandroeg, bevatte stukjes rauwe groente, zoals peen, komkommer en tomaat.
“Allemaal uit de tuin,” glunderde Mien
Marcel lachte hardop: “Behalve dan de balletjes!”
Ze lachten om hem, het ijs was gebroken en als vanzelf kwamen de verhalen los. Op verzoek van Anton, een rasechte Rotterdammer, vertelde Marcel over de buurt waar hij woonde, de nieuwbouw daar en de ziel die nog ontbrak in de wijk. De oudjes op hun beurt vertelden over het oude Noorden en de volkstuintjes, over de hen teleurstellende kinderen en het kleinkind dat ze liefdevol onder hun vleugels genomen hadden omdat zijn ouders met de noorderzon vertrokken waren.
Anton zat werkelijk op zijn praatstoel. Hij vertelde geanimeerd over zijn diensttijd in Nederlands-Indië en Papoea Nieuw-Guinea, waar hij volgens zeggen zelfs koppensnellers van dichtbij had meegemaakt. De tijd vloog om. Nadat de gehaktballetjes op waren, haalde Mien nog een schaal met vleeshapjes. Ze smulden er alle vier van. Na zijn vierde biertje wierp Marcel een blik op zijn horloge. Tien voor half elf!
“O jee, dat wordt ruzie,” verzuchtte hij. “Ik heb beloofd om een uur of tien thuis te zijn.”
De temperatuur was nog steeds aangenaam. Het was inmiddels donker, maar een viertal tuinfakkels en wat licht dat uit het tuinhuisje kwam, maakten het reuze gezellig. Af en toe raasde een trein voorbij, die Marcel weer herinnerde aan hoe hij hier terecht was gekomen.
“Heb je niet zo’n mobiel ding? Dan zeg je toch gewoon dat je net vertrokken bent? Weet je vrouw veel!”
Marcel grijnsde instemmend en stond op. Voor hij er erg in had, ontsnapte hem een boer: de hapjes lagen verdraaid zwaar op de maag. Hij voelde dat het bier zijn blaas bovendien al aardig gevuld had.
“Als ik nog even van jullie toilet gebruik mag maken, dan ga ik er zo weer vandoor.”
“Tuurlijk. Binnen is een wc.”
Anton maakte een hoofdknik naar het huisje.
“Ach, van alle gemakken voorzien hier, toch?”
Marcel tolde even op zijn benen, grinnikte om zichzelf en wankelde achter Mien aan naar het huisje toe. Het toilet was met recht het kleinste kamertje. Het was er aan de krappe kant, dus deed hij zijn behoefte zittend. Met zijn aangeschoten toestand zou Anna vast moeite hebben, besefte hij. Als een schooljongetje zat hij op de pot te grinniken om zichzelf. Na de laatste druppel hees hij zich weer op zijn benen en ritste zijn gulp dicht. Hij trok door, deed de deur open en stapte naar buiten. Het volgende moment zag hij in een flits iets op zich af zoeven. Een adembenemende dreun liet zijn kaken op elkaar klappen, met zijn onderlip ertussen. Bloed stroomde in zijn mond terwijl in zijn hoofd een explosie van licht plaatsvond. De hitte die daarbij vrijkwam, zoog als een gigantische steekvlam in één teug alle energie, samen met zijn bewustzijn, uit zijn lijf.

Hij dobberde naakt rond op zee, op een vlot. Op en neer ging het, op een golfslag die paste bij windkracht drie of zo. Desondanks maakte het dobberen hem zeeziek. Er hing dan ook een verschrikkelijke stank om hem heen, als van rottend vlees en bedorven vis. Zijn maag speelde op. Met iedere golvende beweging kroop de inhoud daarvan een stukje verder omhoog door zijn slokdarm, zoekend naar een uitweg. Hij moest kotsen. Vreemd genoeg bleven de hapjes die Mien hem geserveerd had in zijn slokdarm steken. De uitgang was geblokkeerd!
Hij sperde zijn ogen open, zijn bewustzijn was in één klap terug. Hij dobberde helemaal niet op zee; de golvende beweging vond binnenin hem plaats. Het was pijn, die door heel zijn lijf bonkte op de maat van zijn pompende hart. In zijn mond zat iets dat aanvoelde als een homp droog brood. Met geen mogelijkheid kon hij zijn tong bewegen om deze weg te duwen. Net zo min als hij zijn lippen van elkaar kon krijgen. Er zat iets overheen. Hij knipperde paniekerig met zijn ogen en voelde een ongecontroleerde rilling door zijn pijnlijke, koude lijf golven.
Met moeite probeerde hij zijn hoofd op te richten om te kunnen waarnemen waar hij zich bevond. Bewegen was echter onmogelijk. Zijn hoofd voelde aan als een blok beton dat zwaar balanceerde op zijn nek. Hij zat op zijn achterste op de grond, met zijn armen zo strak achter hem vastgebonden dat er zat bijna geen gevoel meer in zat. De ergste pijn zat echter in zijn benen. Het kloppen en bonken deinde door zijn dijen naar zijn knieën. Die manifesteerden zich als twee gloeiende vuurballen, likkend aan het vlees van zijn dijbenen. Wat zich onder zijn knieën bevond, voelde aan alsof het sliep. Er sprongen tranen in zijn ogen en terwijl zijn ogen overliepen, vulde zijn neus zich met snot. Dat had een desastreus effect. Daar waar het snot zich ophoopte, was geen ruimte voor zuurstof. Amechtig probeerde hij om hulp te roepen, of in elk geval geluid voort te brengen. Maar gehinderd door de prop in zijn mond, kwam hij niet veel verder dan wat gepiep. Zijn lijf begon te schokken. Het protesteerde tegen het zuurstoftekort, met als gevolg dat de golfslag van zijn pijn opzweepte naar een krachtige windkracht zeven, acht, negen. Net zolang tot zijn denkbeeldige vlot omsloeg en hij verdronk in bewusteloosheid.
Bijkomen bracht geen verlichting. Zijn toestand was zo goed als onveranderd, behalve dan dat hij nu voelde dat koorts door zijn lijf raasde. In zijn oren gonsde zijn bloedsomloop als een zwerm bijen... Dat was echter niet het enige wat hij hoorde. Iemand floot een melodietje en in de verte naderde gerommel. De grond trilde. Eerst licht, maar allengs harder en harder, tot het gerommel in gebulder veranderde. Een trein!
Toen het trillen weggeëbd was en het geluid was weggestorven, hoorde hij de stem van Anton zeggen: “Waar zouden we zijn zonder de trein?”
De oude man grinnikte stompzinnig om zijn eigen flauwe woorden. Knipperend met zijn oogleden zocht Marcel naar de oude man, die vlakbij hem kwam staan. Hij gaf een schopje tegen de plek waar zijn rechtervoet hoorde te zitten. Terstond trok een misselijkmakende schok door Marcels lijf. De pijnprikkel volgde een fractie van een seconde later. Deze ontstond in zijn knie en trok schoksgewijs op door heel zijn lichaam. In doodsangst sperde Marcel zijn ogen open en waagde een poging om weg te rollen. Zonder effect. Bewegen bleef zo goed als onmogelijk, de poging had slechts nog meer pijn tot gevolg.
Anton grijnsde. Hij schudde zijn hoofd en klakte vermanend met zijn tong. “Geef het maar op, vriend, het heeft geen zin. Jij bent aan het eind van je rit gekomen. Je was het spoor al bijster,” grinnikte hij, “maar je hebt vast nooit kunnen vermoeden dat je in de restauratie terecht zou komen, is het wel? In de keuken, wel te verstaan.”
Marcel snapte werkelijk niets van wat de oude man bazelde. De restauratie?
Anton zakte door zijn krakende knieën. Zijn ogen zochten de zijne en hij grijnsde zijn gelige tanden bloot. “Weet je, daar in de Indische Oceaan heb ik het een en ander geleerd. Ze hadden wel gezegd dat de Dajaks geen mensen meer aten, maar ik weet wel beter. Samen met een maat hadden ze me te grazen genomen toen we afgedwaald waren van onze eenheid. Hij was als eerste aan de beurt en dat was mijn redding, want niet lang na het eerste feestmaal kwam mijn eenheid me bevrijden. Ik heb echter alles gezien, ook dat ze mateloos respect hebben voor hun vijanden. Laat dat een troost voor je zijn, jongen: een vijand die je hoog acht, verspil je niet, die zet je op het menu. Ik heb niets tegen jou persoonlijk, integendeel zelfs.” Anton rechtte zich weer.
De boodschap in zijn woorden boezemde Marcel ware doodsangst in.
“Sindsdien ben ik gefascineerd door mensenvlees. Als je er eenmaal van geproefd hebt, wil je niet anders meer. Zeg nu zelf: jij vond het immers ook lekker,” stelde Anton, “want je hebt de hapjes van Mien met smaak naar binnen gewerkt.”
Het wilde maar amper tot Marcel doordringen wat de oude man zei. Hapjes? Vijanden? Kracht overnemen? Hij had... Mensenvlees gegeten? Die stank hier... Wat voor vreselijks verborg deze plek, die hij amper zien kon, waaruit hij niet kon ontsnappen? Innerlijk kromp hij in elkaar tot er niets meer van hem over was dan een bibberend, klein jongetje. Een warm, nat gevoel tussen zijn benen verried dat de angst de normale mechanismen in zijn lichaam uitschakelde.
“Mensenvlees is een delicatesse,” beweerde Anton. “Het is echter het lekkerst als het slachtoffer afsterft. Eigenlijk net als met wild. Dat maakt het vlees smeuïger.”
Marcel wilde het niet horen. Niet weten. Niet beseffen. Hij wilde naar Anna toe. Haar omhelzen en zeggen dat het inderdaad tijd was om een gezin te stichten, iets waar ze al maanden om zeurde, maar wat hij steevast afgehouden had. Hij was er nu klaar voor, nu was de beste tijd. ProRail betaalde hem immers goed, hij deed zijn werk tot volle tevredenheid van zijn bazen. De toestand waar hij zich in bevond was niet echt. Geen mens at het vlees van een ander mens. Terwijl tranen zijn ogen weer vulden en hij een verloren gevecht streed met het verlies aan zuurstof door het snot in zijn neus en de prop in zijn mond, dreef zijn bewustzijn weer van hem weg.

“Hoe staat het met ons ‘konijntje’, opa?”
Voor Marcel bestond tijd niet meer, alleen bewustzijn en bewusteloosheid. Zijn dreunende hoofd voelde aan als een ballon op knappen. Korstjes rond zijn ogen lieten zijn wimpers aan elkaar plakken. Na een aantal keren knipperen, wist hij zijn ogen open te krijgen. Lodderig keek hij omhoog terwijl kruimeltjes opgedroogde troep zijn zicht vertroebelden. Schimmig vormden zich de contouren van de schonkige oude man en zijn slungelige kleinzoon. De jongen had zijn handen in zijn zakken en wisselde een schattende blik tussen hem en zijn opa.
“’t Is een taai beestje,” sprak die laatste, “tenminste... Levend wel!”
Daarop volgde stompzinnig gelach, dat samen met de realiteit de ruimte verliet waarin Marcel zich bevond.
Met zijn ogen dicht wist Marcel beelden tevoorschijn te toveren die de pijn verdreven. Herinneringen aan Anna, en verder terug, aan zijn jeugd, zijn ouders. Zijn bewustzijn selecteerde secuur de juiste plaatjes. De bijbehorende gedachten waren zo sterk, dat ze zelfs de ondraaglijke stank uit zijn neus verdreven. Hij rook gemaaid gras, de parfum waar hij zo van hield, de appeltaart van zijn oma. God, wat was die lekker geweest. Lekker. Met een grote sprong was de realiteit terug. Ze drong zijn dreunende hoofd binnen als een woeste tijger die alles verscheurde wat op zijn pad kwam. Alle angst en frustratie balden zich samen in een poging geluid voort te brengen, om te roepen om hulp, te gillen, te krijsen. Tevergeefs. Slechts een schril, hoog geluid wist hem te ontsnappen. Het was echter geen lang leven beschoren. Het geraas van een voorbij denderende trein slokte het geluid op en weg dreef zijn bewustzijn weer.
Het volgende moment dat hij weer iets waarnam, drong een grommend geluid tot hem door. Het grommen ging met horten en stoten. Het pulseerde mee op het ritme van zijn gezwollen hoofd. Slechts een speldenprik zou nodig zijn om zijn hoofd uit elkaar te laten barsten. Samen met de wereld zette deze uit, kromp ineen en zette weer uit op het moeizame pompen van zijn hart. Elk herkenbaar gevoel had zijn lijf verlaten, hij was de daadwerkelijke pijn voorbij. Hij verkeerde al in het tussengeborgte, balanceerde op de plek tussen hemel en hel.
Iets in zijn bewustzijn vertelde hem dat alle hulp te laat zou komen. Dit zou hij niet overleven. Slechts één waanzinnige hoop leefde nog in hem, en dat was de hoop op een echte begrafenis. Hij wilde niet eindigen op het bord van die geschifte oude man, zijn walgelijke kleinzoon en die bedrieglijk aardig ogende oma. Hij wilde eindigen in een kist, met bloemen erop en muziek op de achtergrond. Aan zijn baar moest zijn vrouw Anna staan, huilend om het gezin dat ze nooit met hem zou hebben, om het leven dat hem zo gruwelijk ontnomen was. Zijn familie moest er zijn, treurend om zijn oneerlijke verlies. De handen van zijn moeder moesten nog één keer langs zijn gelaat strijken. Dát was zijn laatste wens. In de verte zwol het grommende geluid aan tot gebulder. Deze keer was het geen trein.

“Kom maar op met die graafmachine, Peet!”
Ferry Bakker voelde hoe de geur van dieselolie zijn reukzin prikkelde. Hij wendde zijn hoofd af, kneep zijn ogen dicht en nieste. Met zijn ogen weer open zag hij de kleine graafmachine al hobbelend over het braakliggende stuk grond dichterbij komen. Iets verderop stond achter de metalen omheining een groepje mensen met treurige en boze blikken toe te kijken. De sanering van hun tuintjes ging hen aan het hart. Natuurlijk hadden de huurders compensatie gekregen van ProRail, maar dat verdiende amper de naam ‘pleister op de wonde’.
“Ho,” riep hij, terwijl hij een hand hief en oogcontact met zijn collega in de graafmachine maakte.
Zijn hoofdknik was het startsein voor Peter. Het grommende geluid van de graafmachine zwol aan tot een uitdagend gebrul toen Peter de graafbek onderin de bosschages dreef. Ferry hoorde de omstanders ‘boe’ roepen en ‘kunnen jullie wel, stelletje slopers’. Hij probeerde de ouwetjes te negeren. Ook rotklussen moesten geklaard worden.
Drie handwerkers kwamen intussen dichterbij om de rotzooi die Peter lostrok weg te halen en in de containers te gooien. Als opzichter bleef hem dat gelukkig bespaard.
Na de bosschages stortte de graafmachine zich vol overgave op de hekken en schuurtjes. Ferry liep om de werklui heen en volgde de ronkende machine terwijl een trein over het dichtbijgelegen spoor denderde. Dat was de reden waarom deze tuintjes eraan moesten. Te vaak liepen er mensen langs het spoor die daar niets te zoeken hadden. Junks, malloten die ‘voor de gein’ rotzooi op de rails gooiden, maar ook zelfmoordenaars. Er trok een rilling langs Ferry’s ruggengraat. Het opruimen van de resten daarvan was vaak vele malen aangrijpender dan het slopen van de herinneringen van een handjevol oudere mensen.
Een symfonie van versplinterend hout en brullend motorgeronk vulde zijn oren. Peter droeg volgens de voorschriften gehoorbeschermers. Hij hoefde ze gelukkig niet te dragen. Hij had een bloedhekel aan die dingen, ook al was de herrie niet bepaald prettig om te verdragen. De geur van hout, afgerukte bladeren en geplet gras, vermengde zich met de dieselgeur. De melange zorgde ervoor dat hij opnieuw moest niezen, nu zelfs twee keer.
“Gezondheid, opper,” hoorde hij iemand achter hem roepen.
Even hield hij halt en zette zijn veiligheidshelm af om het zweet van zijn voorhoofd te wissen en over zijn neus te wrijven.
Peter stuurde de machine naar een volgend schuurtje. Enthousiast boorden de uitsteeksels van de bak zich in het wankele gebouw. Terwijl veel van de tuintjes er netjes bij lagen, stond dit bouwsel in een van de onverzorgde percelen. Het paadje dat ernaartoe liep, was bijna geheel overwoekerd door onkruid. De machine tilde een deel van het in elkaar stortende schuurtje op, waarop een ronduit smerige stank vrijkwam. Ferry voelde hoe dit hem opnieuw tot niezen aanzette. De amoniakachtige geur dreef tranen naar zijn ogen en geschrokken sloeg hij een hand voor zijn neus en mond. Het geluid van brekend hout ging vergezeld van een akelige, schrille toon. Ook al droeg het volume daarvan niet veel verder dan zijn oren, toch sneed de toon door merg en been. Eén moment voelde hij zich ijskoud worden, vervolgens brak het zweet hem aan alle kanten uit toen hij zag wat de bak van Peters machine triomfantelijk de lucht in duwde. Een arm. Een bungelend been. Een lichaam! Die geur! Uit alle macht bevocht Ferry de golvende beweging van zijn maag naar zijn slokdarm. Hij wilde naar adem happen, maar bedacht zich terstond.
“Peet! Peet, stop!”
Peter hoorde hem niet. Natuurlijk niet. Half om half struikelend rende hij naar de graafmachine. Hij probeerde niet te kijken naar het lugubere vrachtje dat tussen de versplinterde planken en grondresten op de bak lag. De motor van de graafmachine viel stil. Ferry zag dat Peter hetzelfde zag als hij. De ogen van zijn collega puilden uit, zijn mond viel een stukje open, tot de geur ook tot hem doordrong. Peter sloeg zijn handen voor zijn neus en mond en zocht verbijsterd zijn blik.
“Jezus, Fer! Gadverdamme, wat is... Jezus, wat een stank!”
Er droop bloed langs het bungelende been onderaan de bak. Huiverend van walging draaide Ferry het schouwspel de rug toe. Met trillende handen reikte hij in de zak van zijn reflecterende jasje, op zoek naar zijn mobiele telefoon. Hij toetste 112 in en had bijna direct verbinding. Zo zakelijk mogelijk probeerde hij te vertellen waar de hulptroepen naartoe moesten komen. Hij was nog niet uitgesproken, of hij hoorde opnieuw het door merg en been gaande geluid. Eerst zacht, dan aanzwellend en weer wegstervend. Langzaam draaide hij zich om en keek naar wat hij dacht dat een lijk was. De boven de bak uitstekende arm bewoog...

Het geluid van de naderende politiewagens en ambulance trok haar aandacht. Mien draaide haar hoofd ernaartoe en onderdrukte een glimlach bij het zien van de zwaailichten.
“Wat zou er aan de hand zijn,” hoorde ze iemand vragen.
“Een bedrijfsongeval misschien?”
“Nou, dan komt er toch geen politie bij kijken, of wel soms?”
Mien knipoogde naar Anton en Terence en deed alsof ze net zo verbaasd was als de anderen. Zij wist immers dat geen mens ooit de verbinding zou leggen tussen de verlaten tuintjes, de gruwelijke vondsten en Anton en haar.
Ze sloten een mooie periode af in hun leven, een periode waarin ze hun donkerste fantasieën tot waarheid gemaakt hadden. Helaas had hun laatste slachtoffer het niet tot in de pan gered. Anton had de pest aan gehad aan de man die voor hem de verpersoonlijking van het ProRail-beleid geweest was. Hij wilde hem koste wat kost geen snelle dood bezorgen, zelfs al had zij benadrukt dat het niet de schuld van de inspecteur was dat de tuintjes tegen de vlakte moesten. Op de een of andere manier zag Anton in hem de verpersoonlijking van het kwaad en ook al wist ze dat afgestorven vlees beter smaakte dan vers vlees, had ze het in dit geval geen goed idee gevonden.
Anton had de auto van Marcel Gijzen zondagnacht in zijn eigen straat geparkeerd om zijn vrouw te laten denken dat haar man inderdaad gewoon naar huis gekomen was. Ze hadden de twee politiemannen, die een dag of wat later bij hen langs waren gekomen, zonder enig probleem met hun geveinsde onschuld om de tuin kunnen leiden. Ze bevestigden wat Marcels vrouw gezegd had, namelijk dat hij tegen half elf al naar huis vertrokken was. Eindelijk hadden ze eens profijt van hun leeftijd gehad, grijnsde Mien bij de herinnering aan de onnozele gezichten van de politiemannen.
Hiermee konden ze dit deel van hun plan dus absoluut geslaagd noemen. Toch was Mien er niet helemaal gerust op.
“Wat als ‘ie niet dood is voor de graafmachines komen?”
“Geloof me, als hij niet al dood is als ze er zijn, dan nog zal hij het niet kunnen navertellen,” had Anton haar op het hart gedrukt. “Er is niets om je zorgen over te maken.”
Een beetje spijtig had ze aangezien dat de dagen verstreken en het smeuïge hapje weigerde de pijp uit te gaan, terwijl Anton volhardde in zijn koppigheid. Ze keek naar de ravage die de graafmachine aangericht had.
De opzichter was naar de machine gelopen nadat hij een telefoontje gepleegd had. Het duurde even voor de bestuurder van het apparaat het waagde de bak iets naar beneden te laten zakken. Slechts even boog de opzichter zich ernaartoe, waarna hij zich struikelend uit de voeten maakte om een eindje verderop luidruchtig zijn maag te legen. Met half toegeknepen ogen staarde Mien naar de man. Behalve dan dat hij er aangeslagen uitzag, oogde hij gezond. Even aarzelde ze. Toen wierp ze Anton en Terence een blik van verstandhouding toe en bewoog zich in de richting van de onwel geworden man.
Vol medeleven riep ze uit: “Och hemeltje, kan ik helpen misschien?”

Rianne Lampers ©

CHALELE
• John C. Vermeulen •


Het zwoele Arusha lag een verdomd end van huis, en bovendien sliep ik al veel te lang in eenzame, broeierige hotelkamers. Het uitzicht op de overbezongen Kilimanjaro was niet echt een troost. Dus aarzelde ik nauwelijks toen ik door de klapdeurtjes van de club stapte en de prachtige halfbloed aan het linkeruiteinde van de bar zag zitten. Ze hadden me altijd wijsgemaakt dat halfbloeden het beste van twee werelden in zich verenigden als het op liefdestechnieken aankwam, en ik wachtte al lang op een kans om dit aan den lijve te ondervinden.
‘Mag er met u gepraat worden, of wordt u liever met rust gelaten?’
Dat had ik altijd een handig openingszinnetje gevonden. Het gaf ze de kans om je wandelen te sturen zonder onvriendelijk te doen en zonder dat je er je gezicht bij verloor.
De mulat zag er van dichtbij nog fraaier uit dan van ver. Maar vriendelijk was ze niet, ze keek niet eens op. ‘Laat me met rust,’ zei ze met een lage keelstem.
Ze had voor zich uit gepraat en ik hoopte nog dat ik haar niet goed begrepen had. Naar haar lege glas wijzend probeerde ik het nog eens: ‘Mag ik u iets-’
Ze gleed zo bruusk van haar kruk dat die omviel, keek me één ogenblik met een nijdige blik uit haar grote, donkere ogen aan en beende vervolgens met driftige stappen naar buiten, de gloeiende zon in.
Ik keek onthutst naar de zwarte barman die knikte alsof hij dit soort scènes normaal vond. Gelukkig grijnsde hij er niet bij, ik haat het als die inheemsen je uitlachen. ‘Foute boel,’ zei hij ernstig.
Ik bestelde rum. ‘Wat mankeert die dame?’
‘Dat ze een meneer is.’ Mozazu hield zijn te grote en te witte tanden nog altijd bedekt.
Afkeer verdrong de verbazing. ‘Een vent? Die stoot?’
‘Triest verhaal,’ zei Mozazu in zijn wat onzekere Frans. Hij wees met het borrelglaasje dat hij stond op te poetsen naar een niet meer zo jonge, rosharige blanke die alleen aan een tafeltje een boek zat te lezen. ‘Meneer Maarssen kan er u alles over vertellen. Triest verhaal,’ herhaalde hij.
Maarssen leek eerst niet geneigd om mijn plots ontstane nieuwsgierigheid te bevredigen, maar toen ik hem verzekerd had dat ik geen journalist was (ik kan goed liegen), en na drie glazen pure gin begon hij bij te draaien.
‘Geen mens gelooft het, en dat is een van de redenen waarom ik het verhaal niet graag vertel,’ legde hij uit.
‘Ik kijk niet zo gauw meer op van een vreemd verhaal,’ antwoordde ik naar waarheid. ‘Ik kom wel eens vaker in Afrika, moet u weten.’ Ik blikte even naar de barman die met droeve ogen voor zich uit stond te staren achter zijn nu verlaten bar. Ik vroeg me af waar zo’n man allemaal aan dacht tijdens zijn lege momenten. Nog altijd ongelovig, vroeg ik: ‘Was dat prachtige stuk nou echt een vent?’
‘Gewéést,’ antwoordde Maarssen. ‘Mijn broer heeft het allemaal van nabij meegemaakt. Hij is arts, moet u weten.’
‘O, gewoon een transseksueel, dus?’ Ik ervoer iets van teleurstelling.
‘Zo zou je het kunnen noemen, ja.’ Maarssen keek zo ernstig als Mozazu, en hij had al net zulke trieste ogen. ‘Als u dat “gewoon” eraf laat.’ Hij wierp eveneens een blik in de richting van de barman. ‘De sukkel werd ensorceré, behekst…’ Hij sloeg het laatste restje van zijn derde glas gin achterover. ‘Dat is mijn mening althans.’
Even was het alsof er vanuit de vele, donkere hoeken van de schaars verlichte kroeg boosaardige wezens naar me grijnsden, en ik ervoer het begin van een rilling. Het woord “behekst” had onder het dichte lover van de Tanzaniaanse jungle een heel andere betekenis dan een paar duizend mijl naar het noorden. Alleen de onnozele toeristen lachten erom, tenminste zolang ze de betrekkelijke veiligheid van hun hotel of hun fotosafaribusje niet verlieten.
Ik gebaarde met mijn glas naar Mozazu. ‘Ik wil echt graag het hele verhaal horen.’
‘Ja, dat zal wel…’ Maarssen zweeg tot de barman onze glazen opnieuw gevuld had. Daarna vroeg hij somber: ‘Bent u er zeker van dat u geen journalist bent?’
Ik voelde me opgelaten onder de starende blik uit zijn waterachtige, gele ogen. Een beetje ongeduldig vroeg ik: ‘Wat maakt het eigenlijk uit?’ De jungle gonsde immers van de sterke verhalen.
Maarssen wendde de blik af. ‘Het is alleen maar zo…’ Hij pakte zijn glas en nipte ervan als om te proeven of het wel dezelfde gin was als voorheen. ‘…dat ik iedere keer het gevoel heb dat ik het eigenlijk niet zou mogen doorvertellen, dat ik het niet eens zou mogen weten.’
‘Heeft uw broer dat gevoel ook?’
‘Mijn broer is dood.’
De boosaardige monstertjes in hun donkere hoeken lonkten naar me. ‘Dat spijt me,’ zei ik.
‘Ach, Frank was een ouwe zak, misschien was hij wel gewoon versleten. Er sterven hopen mensen aan een hartaanval, zeker in dit rotklimaat. En dokters vreten en zuipen er ook maar op los, net zo goed als iedereen.’
Ik kreeg het idee dat Maarssen niet zo’n hoge pet op had van wijlen zijn broer.
‘Nou goed dan, hier komt het verhaal van Chalélé, de Mau-Maru tovenares,’ zei Maarssen berustend. Hij duwde het boek opzij dat hij had zitten lezen. Het was een beduimelde pocketuitgave van De reïncarnatie van Peter Proust. ‘Een zekere Freddie - zijn achternaam weet ik niet eens - maakte samen met een stelletje andere rijkgeboren nietsnutten een voettocht door de jungle. Ingericht door een van die touroperators die rijk worden van zulke clowns. Slapen in eenpersoonstentjes, wassen wanneer je toevallig een plas water vindt, dagtochten in de stomende hitte, opgevreten worden door het ongedierte, geen contact met de beschaafde wereld, dat soort lol. Dat geeft ze aanzien bij de vrienden thuis die niet zoveel lef hebben, of die niet zo stom zijn. Hun twee inlandse gidsen liepen al na een paar dagen verloren. Het waren natuurlijk stadsjongens die een grijpstuiver probeerden te vangen en die al net zo veel benul hadden van de wildernis als die bleke stommelingen. Onze helden dachten dat het zou helpen als ze hun gidsen eens een keertje goed lens sloegen, waarop die knapen er prompt vandoor gingen. Er zijn geen zwarten meer zoals vroeger.’
Maarssen keek afkeurend alsof hij niet van zijn eigen sarcasme hield, en dronk van zijn gin. De vingers van zijn andere hand streelden dwangmatig over het omslag van het boek op de tafel.
‘Nadat ze een aantal dagen zonder hun gidsen rondgedwaald hadden, kwamen ze meer dood dan levend bij een dorp aan. Puur geluk, want er zijn daarbuiten niet zoveel dorpen als je zou denken.’ Maarssen maakte een vaag gebaar in de richting van de deur, als om aan te tonen wat hij met “daarbuiten” bedoelde. ‘De dorpelingen waren vriendelijk en onze dappere expeditie werd gastvrij onthaald, ook al was het stamhoofd de enige die drie woorden Frans verstond. Het waren de Mau-Maru’s, vrij aardige mensen met weinig belangstelling voor de rest van de wereld. Wel zijn sommige van hun gewoonten wat minder aardig. Zo verwachten ze van hun vrouwen dat die zichzelf ombrengen als hun man hen in de steek laat. Ergens aan de rand van hun dorp staat een stellage waarin een soort machete gevat zit. Het lemmet is vlijmscherp en ze kunnen het regelen op keelhoogte. Het is de bedoeling dat het slachtoffer zichzelf probeert te onthoofden door er met grote snelheid tegenaan te rennen. Als dat lukt wordt ze in een nieuw en beter leven met haar man herenigd.’ Maarssens blik gleed naar het boek op de tafel. ‘De Mau-Maru’s geloven dus in een soort reïncarnatie, al hebben ze vast nog nooit van dat woord gehoord. Dit boek is nep, een soort detectiveverhaaltje…’ Hij nam een lange teug van zijn rum. ‘Een nek is taaier dan je denkt, en volgens Frank was het zo goed als onmogelijk dat het zo’n Mau-Maru vrouw zou lukken zichzelf te onthoofden, hoe hard ze ook rende. Het probleem zouden de nekwervels zijn die-’
Ik stak afwerend een hand op. ‘Laat maar zitten,’ zei ik haastig.
Maarssen schokschouderde onverschillig. ‘Enfin, om met mijn verhaal verder te gaan: gastvrij als ze waren, zorgden die dorpelingen ervoor dat aan alle behoeften van hun blanke gasten voldaan werd.’ Hij keek me even zwijgend aan als om na te gaan of ik wel begrepen had wat hij bedoelde. ‘Aan alle behoeften,’ benadrukte hij ten overvloede. ‘En daarmee begon de ellende voor Freddie. Hij had de pech dat hij een meisje kreeg met net iets te veel temperament. Misschien hadden ze haar wel opzettelijk op hem losgelaten, ik neem aan dat die lui ook wel eens lol willen hebben. Daar komt nog bij dat die kinderen zich stoned zuipen aan een of andere liefdesdrank voor ze eraan beginnen, zodat ze helemáál uit hun bol gaan. Enfin, midden in de nacht werd het dorp opgeschrikt door een verschrikkelijk gebrul. Iedereen stormde naar buiten met het idee dat er iemand door een wild beest aangevallen was of zo.’
Maarssen onderbrak zijn verhaal om van zijn glas te drinken. ‘En?’ vroeg ik ongeduldig.
‘Freddie lag bij het vuur op de grond te kronkelen en te gillen. Hij had geen kleren aan en de anderen zagen dat hij van onderen helemaal onder het bloed zat.’
Maarssen pauzeerde opnieuw, maar ik zweeg omdat ik een beetje misselijk werd van wat mijn verbeelding me voor ogen toverde.
‘Die hete bliksem had zijn ding er haast helemaal afgebeten,’ ging Maarssen verder. ‘Het bloed spoot eruit.’ Hij keek me even aan met een blik van “je hebt erom gevraagd”. ‘En toen kwam Chalélé in beeld. Chalélé was de tovenares van de stam.’
Ik probeerde het verdere verloop te raden, hoe Freddie helemaal ontmand werd en zo, maar er klopte iets niet. Onzeker vroeg ik: ‘Was Freddie dan een halfbloed?’
Maarssen schudde het hoofd, een beetje ongeduldig alsof hij dat een stomme vraag vond. ‘Sommige van die toverdokters kennen wel degelijk hun zaakjes, en Chalélé was er zo een. Freddie genas op haast miraculeuze manier, en na een paar dagen was hij zelfs al zo ver in orde dat hij oog begon te krijgen voor de opmerkelijke schoonheid van zijn tovenares.’ Maarssen keek even dromerig. ‘Er zitten werkelijk prachtexemplaren onder die zwarte vrouwen…’
Ik dacht aan de fraaie mulat, daarstraks aan de bar, en probeerde opnieuw een verband te leggen. Het lukte nog steeds niet.
‘Chalélé had alles om een slappe figuur als Freddie aan het stomen te krijgen, en dat deed hij ook. Maar ze bleef ongevoelig voor zijn avances, en wat doet zo’n nietsnut dan die z’n hele leven lang al gewend is altijd z’n zin te krijgen?’
‘Hij verkrachtte haar,’ stelde ik vast.
Maarssen knikte. ‘Waarschijnlijk was hij te stom om te snappen dat een dorpstovenares iets helemaal anders is dan zo’n meisje dat ze je daar uit gastvrijheid voor een nacht in bruikleen geven. Maar zoals gezegd zijn de Mau-Maru’s aardige lui, ze joegen hun blanke gasten alleen maar het dorp uit in plaats van soep te koken van hun ingewanden. Ze wezen ze zelfs de richting waarin Arusha lag.’
Maarssen maakte zijn glas leeg en ik wenkte de barman terwijl ik op het vervolg van het verhaal wachtte. Ik had het opgegeven te proberen te voorzien hoe het verder zou gaan.
‘De bleekneuzen hadden meer geluk dan ze verdienden, en ze geraakten levend uit de jungle, waarna ze het eerste het beste vliegtuig naar Europa namen. De enige die niet meevloog was Freddie. Hij had te veel tijd gehad om na te denken, en denken is niet goed voor zo’n knaap. Hij was tot de conclusie gekomen dat hij niet alleen maar belust was geweest op de ebbenhouten billen van Chalélé, maar dat hij echt verliefd was op haar. Dat zijn leven zonder haar geen zin meer had en al die andere nonsens die je klieren je in zo’n situatie aanpraten. Hij had het zo erg te pakken dat hij er zelfs toe bereid was om bij de Mau-Maru’s te gaan leven. Nou ja, niets anders bezitten dan een lemen dak boven je hoofd kan ook zijn charmes hebben voor iemand die verder álles al gehad heeft.’
‘Er worden wel dwazere dingen gedaan om de gunsten van een vrouw,’ merkte ik op.
Maarssen schokschouderde op een manier alsof hij daar boven stond. ‘Enfin, hij huurde een echte gids en trok opnieuw de jungle in naar de Mau-Maru’s. Ze ontvingen hem echter lang niet zo vriendelijk als de eerste keer, hij mocht zelfs het dorp niet in. Ze lieten hem een etmaal aan de rand van de jungle wachten, tot het stamhoofd hem eindelijk kwam vertellen dat Chalélé dood was. Kort na Freddie’s vertrek was ze ziek geworden en ze had zichzelf niet kunnen genezen. Volgens Frank had Freddie haar met een virus opgezadeld waartegen ze niet bestand geweest was, dat gebeurt wel vaker bij dergelijke contacten.’
‘Arme Chalélé,’ zei ik. Freddies gevoelens lieten me nogal koud, ik had het niet zo begrepen op verkrachters.
Maarssen scheen er een andere mening op na te houden. ‘Arme Freddie,’ zei hij. ‘Want toen zei het stamhoofd iets vreemds, hij zei dat Chalélé geweten had dat Freddie zou weerkeren naar het dorp, en ze had een brouwsel gemaakt waarmee hij zichzelf van zijn liefde voor haar zou kunnen bevrijden. Hij moest het spul deels uitdrinken en deels op zijn geslachtsdelen smeren. De Mau-Maru’s schijnen te weten dat de liefde door een ander orgaan gedirigeerd wordt dan door het hart.’
Ik kreeg even een visioen van bonbondozen op Sint-Valentijnsdag, in de vorm van een penis. Alles welbeschouwd was een levend hart veel afstotelijker. Onze cultuur zit vreemd in elkaar.
Maarssen ging verder: ‘Een zwaar aangeslagen Freddie nam het medicijn mee naar huis. Een normale vent zou naar de fles grijpen, maar Freddie was ver genoeg heen om het brouwsel van zijn aanbedene te gebruiken.’
Er kwamen een paar haartjes overeind in mijn nek. De monstertjes in de donkere hoeken schenen hun adem in te houden in opgewonden verwachting. ‘Vergif?’ vroeg ik.‘Helse pijnen?’
Maarssen schudde het hoofd, opnieuw een beetje ongeduldig. ‘Zo simpel lost de jungle zijn problemen niet op. Frank heeft geprobeerd een restje van het spul te laten analyseren, maar het lab hier in Arusha is te primitief voor het fijnere werk. Ze vonden alleen maar sporen van het gif van de bufo marinus, een soort reuzenpad, van zaden van de tchatchaboom en van de kriebelerwt, en huiddeeltjes van een boomkikvors. Daarnaast zaten er nogal wat bacteriën in die voornamelijk in de menselijke vagina voorkomen, plus een heleboel chemisch inerte stoffen waar het lab geen raad mee wist. De analist van dienst zei dat het spul hem deed denken aan iets dat uit een vier jaar oud graf bijeen geschraapt was.’
‘En dat goot Freddie door zijn keelgat?’ Ik wist al dat ik die avond niet meer zou eten.
Maarssen keek me aan met zijn waterige ogen. ‘U zei het daarnet al zelf, sommige idioten doen de meest dwaze dingen om een vrouw.’
Ik zakte onderuit op mijn stoel en blies lucht uit. ‘Vertel verder,’ verzocht ik.
‘Freddie was een week terug in Arusha, toen Frank voor het eerst bij de gebeurtenissen betrokken raakte. Ze hadden Freddie bewusteloos gevonden in zijn badkamer en een dokter laten halen.’
Maarssen wachtte kennelijk tot in ongeduldig zou worden, maar ik liet me niet meer vangen.
‘Het was afschuwelijk,’ zei Maarssen en er klonk echt afschuw in zijn stem door. Toen Frank me later het verhaal vertelde, werd ik er gelijk ziek van, en ik kan toch wel wat hebben. Freddie had het mengsel van Chalélé gebruikt zoals hem opgedragen was. Eerst merkte hij geen enkel effect, maar na twee dagen kreeg hij moeilijkheden met plassen. Tegen Frank zei hij achteraf dat was ‘alsof ze hem dichtknepen’. Alleen door heel hard te persen kon hij zijn blaas nog leeg krijgen. En toen, na zowat een week, gebeurde het…’
Maarssen zweeg en keek me aan, maar ik gaf geen krimp.
‘Freddie perste en perste, en toen…’ Maarssen krabde even achter zijn rechteroor en trok een afkerig gezicht. ‘…toen vielen zijn geslachtsdelen opeens gewoon uit elkaar. De hele handel verging als het ware tot stof en brokjes, zo’n beetje als compost. Natuurlijk was Freddie van zijn stokje gegaan, je zou om minder.’
Ik slikte en ademde zo diep mogelijk. Ze hadden me geleerd dat je hiermee soms een neiging tot kotsen kon beheersen.
‘In het ziekenhuis ontdekte Frank tot zijn verbijstering dat er onder Freddies ‘verwelkte’ penis, zo noemde hij het, een rudimentaire vagina zat. Freddie was bezig daar vanonder een vrouw te worden, voor de volle honderd procent.’
Mijn maag bleef opspelen. Het kwam geen moment in me op dat het hele verhaal wel eens een wansmakelijke grap had kunnen zijn.
‘En het was nog niet voorbij,’ ging Maarssen genadeloos verder. ‘Freddie ontwikkelde in snel tempo borsten, zijn lichaamsbeharing verdween en zijn baard hield op met groeien. De laatste fase van de metamorfose vroeg wat meer tijd. Het duurde weken eer zijn huid donker werd en hij de trekken van een negroïde vrouw gekregen had.
Ik deed een zwakke poging om te spotten: ‘En toen geraakte hij in verwachting, neem ik aan?’
Maarssen scheen me niet gehoord te hebben, of hij deed alsof. ‘Chalélé had wraak genomen,’ zei hij voor zich uit. ‘De wraak van een toverdokteres…’
Ik probeerde niet te letten op de demonen in hun donkere nissen die me nu openlijk uitlachten en obscene gebaren maakten. ‘Was er dan echt geen andere verklaring mogelijk? Ik bedoel, er lopen wel meer mannen rond in een aantrekkelijk vrouwenlichaam…’ Ik zweeg toen ik besefte waar ik me bevond, op een boogscheut van de zwoele waanzin van de jungle, waar rationele verklaringen de neiging hadden om absurd te klinken.
Maarssen zei: ‘Wanneer je ouder wordt, ga je beseffen dat je maar beter de dingen kunt aanvaarden zoals ze zijn, in plaats van naar een uitleg te zoeken.’ Hij dronk zijn zesde of zevende glas gin leeg, ik was de tel kwijtgeraakt. ‘Niemand hier heeft die Chalélé ooit gezien, althans niet de echte.’
Mijn blik werd weer naar het boek op de tafel getrokken. ‘Reïncarnatie?’
Maarssen haalde eens te meer de schouders op. ‘Zeker niet in de zin zoals de sjiieten het voor ogen hebben. Hou het maar gewoon bij hekserij, dat is het meest simpele.’
‘Dat is geen verklaring.’
‘Precies,’ zei Maarssen met iets van zelfgenoegzaamheid.
Huiverig zei ik: ‘Ik heb haar aangesproken!’
‘Ik zou er maar niet over tobben,’ raadde Maarssen me aan. ‘Ga naar huis en schrijf er een stukje over voor in de komkommertijd, het hoeven niet altijd ufo’s te zijn.’ Er lag geen spoor van spot in zijn ogen.

Voorlopig schreef ik er geen stukje over. En ik bleef er over tobben, tot ik een paar weken later Maarssen opnieuw ontmoette in de club.
Hij zat aan hetzelfde tafeltje een boek te lezen, en Mozazu stond op zijn gewone plekje achter de bar in het niets te staren. Waarschijnlijk waren de duiveltjes in de donkere hoeken er ook nog, maar die hielden zich voorlopig schuil.
Ik bestelde twee glazen gin met veel ijs en ging bij Maarssen zitten. Hij las nog altijd Peter Proust, zag ik. Misschien was hij het boek uit het hoofd aan het leren. Hij accepteerde het drankje, klapte het boek dicht en keek me afwachtend aan.
‘Ik vertrek binnenkort naar huis,’ kondigde ik aan. ‘Ik dacht, ik ga nog eens gedag zeggen.’
‘Iemand die trakteert is altijd welkom,’ antwoordde Maarssen.
Ik keek steels naar de linkerhoek van de bar. ‘Heeft u Chalé… Freddie nog gezien?’
Maarssen keek verbaasd. Heeft u het dan niet gehoord? Iedereen in Arusha praat erover!
De hinderlijke kriebel in mijn nekharen was er opeens weer. ‘Ik ben net terug uit Mombasa, ik loop een paar dagen achter op de plaatselijke roddels.’ Ik keek Maarssen gespannen aan. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Freddie is dood.’
‘O!’ was alles wat ik wist te zeggen.
‘Hij maakte er een eind aan. Misschien waren er wel krachten aan het werk die hem dwongen er een eind aan te maken, wie zal het zeggen?’ Maarssen leek zoals gewoonlijk niet naar een verklaring te willen gissen.
De kriebel in mijn nek groeide uit tot een heuse huivering. Opeens waren de monstertjes er weer en ze grijnsden boosaardig. ‘Hoe is het gebeurd?’ Ik staarde Maarssen in bange verwachting aan.
‘Hij deed het met een gestolen motorfiets.’ Maarssen dronk zijn glas helemaal leeg voor hij verder ging: ‘Hij spande een stalen kabeltje tussen twee bomen, op keelhoogte…’ Het lege glas sloeg met een klap op de houten tafel en ik veerde op. ‘Als het geloof van de Mau-Maru’s klopt, zal hij inmiddels een nieuw en beter leven met zijn geliefde begonnen zijn.’

Zomaar een verhaal, dacht ik de volgende dag terwijl de jetmotoren van het vliegtuig zwoegden om hun last te ontrukken aan de eeuwige zuigkracht van het Afrikaanse continent. Ik staarde door het bekraste raampje naar de wegzakkende, donkere jungle.
‘Wilt u wat drinken, meneer?’
De stem van de stewardess had dezelfde kleur als de jungle. De jonge vrouw was zwart, ze had geheimzinnige poelen van ogen en prachtige witte tanden en ze glimlachte uitnodigend.
Met geweld onderdrukte ik het plots opkomende verlangen. ‘Geef maar wat,’ zei ik. ‘Alles is goed, als het maar geen gin is.’
Toen ze zich voorover boog om het glas op mijn tafeltje te zetten, zag ik het fijne, horizontale litteken op haar keel.
‘Voelt u zich niet goed, meneer?’ De zwarte godin keek me bezorgd aan.
Ik rukte mijn blik los van de hare. ‘Het gaat wel,’ mompelde ik.
Ik wist al dat ik er in de komende weken en maanden weer een nachtmerrie bij zou hebben.

© John C. Vermeulen

SMART WAS HET HART VAN ONS BESTAAN
• Bavo Dhooge •


‘Ik kan het niet! Ik kan het niet meer aan!’
‘Het is jouw beslissing. Jij hebt de keuze.’
‘Ik wil dat het ophoudt! Ik wil ermee stoppen!’
‘Ik kan ervoor zorgen dat het stopt.’
De twee mannen stonden tegenover elkaar in een witte kamer op de zesenzestigste verdieping van het spiegelgebouw. Als ratten in de val of witte muizen in een labyrint van een laboratorium waren ze doorheen de gangen en de liften van kamer tot kamer gevlucht om uiteindelijk op dat moment in deze ruimte te belanden: kamer 322.
Roland V rook zijn kans. Hij zag dat de overwinning binnen zijn bereik lag. Nog even volhouden en hij was er. Hij keek de man voor zich bedroefd aan, en bedacht hoe ver het was gekomen. De man kroop in een hoekje en zakte in elkaar, de armen voor zijn gezicht geslagen, als een gek die de dwangbuis afwacht.
‘Ik dacht dat ik zou winnen,’ zei hij. ‘Ik ben een winnaar. Een geboren winnaar. Ik ben geen verliezer. Ik heb nog nooit in mijn leven een spel verloren.’
Hij bleef het maar opdreunen en begon zich de haren uit het hoofd te rukken.
‘Er kan maar één dit spel winnen, vriend,’ zei Roland V.
‘Een spel? Je noemt dit nog een spel? Het is een ramp! Het is mijn leven!’
‘Je kende de regels en de reglementen toen je je inschreef.’
‘Ja, maar dit is niet meer menselijk.’
Roland V zweeg en ontweek de smachtende blik van zijn tegenstander. Hij kende de regels maar al te goed. Hij had er drie weken over gedaan om ze te laten bezinken en ten slotte toch toe te happen. En er was nog geen seconde voorbijgegaan waarop hij zijn keuze niet had beklaagd.
‘Het is nu eenmaal zo. Je weet wat je te wachten staat.’
De man begon te huilen, wierp de handen ten hemel en riep:
‘Ze hebben mijn kleine jongen suikerziekte gegeven! Mijn kindje! Ze hebben hem opzettelijk geïnjecteerd met een ziekte! De monsters!’
Roland V dacht aan zijn eigen obstakels die hij en cours de route in dit spel had moeten overwinnen. Het gaf hem om een of andere, ziekelijke reden moed om ermee door te gaan en zijn schouders niet te laten hangen.
‘Dat is de grens! Meer kan ik niet aan. Ik moest al op mijn tanden bijten toen ze vorige week mijn huis zomaar verkochten! Een mens kan maar een bepaalde hoeveelheid pijn en leed aan!’
‘Je mag nog van geluk spreken dat ze niet nog een stapje verder zijn gegaan, makker. Je vergeet dat je hier in de kwartfinale zit. Je bent hier niet voor niets geraakt, maar het echte spel moet nog beginnen.’
‘Wel, ik geef me over. Ik geef op,’ jammerde de man. ‘Ze mogen mijn naam nu al in de beker graveren, want hier houdt het voor mij op. Ik ga mijn eigen kinderen niet laten lijden voor deze stomme wedstrijd.’
‘Het zij zo,’ zei Roland V en hij haalde zijn wapen boven, een elektrische schoksabel. ‘Ben je zeker van je zaak? Ben je er zeker van dat dit is wat je wilt?’
Roland V zag de sabel in zijn hand trillen. Hij gaf de tegenstander voldoende tijd om zijn beslissing te herzien. Meer nog; hij wilde dat de man zijn beslissing herzag want hij had niet veel zin om te doen wat hem te doen stond. Het zou de vierde keer zijn en net zoals in de vorige ronden zou zijn maag hem parten spelen en net zoals in de voorronden zou hij de kamp winnen, maar opgezadeld worden met een bijkomende handicap voor de halve finales. Roland V zuchtte luid en hield de sabel op de man gericht. Hij kwam dichterbij. Nog een metertje en het contact zou plaatsvinden en de man zou in rook en as opgaan. Roland V zei:
‘Je hebt nog steeds tijd om je te bedenken. Je kan nog steeds proberen winnen. Je kan nog een comeback maken.’

Beneden, in de gigantische lobby van het sporthotel, waren de reporters, de cameraploegen en de verslaggevers verzameld rond de al even gigantische balie. Achter de balie bevond zich het grote, immense scorebord, een elektronisch bord en plattegrond van de hele stad. Er waren nog een paar opflikkerende lichtjes te zien die zich voortbewogen. Twee van de lichtjes bevonden zich momenteel in één en dezelfde kamer. Tijd voor een confrontatie en een wedstrijd dus. De rest van de wedstrijd en de kwartfinales lieten nog wat op zich wachten en waren verspreid over de rest van de stad.
‘Het ziet ernaar uit dat Ben III het zal begeven, mensen,’ riep een stem door een microfoon. ‘We hebben een wedstrijd!’
Meteen lieten de verslaggevers hun koppen koffie staan, onderbraken de ordinaire gewone gesprekken en bestormden ze het plattegrondpaneel. In afwachting van het wedstrijdpunt staarden ze af en toe naar de jonge vrouw die de lobby was binnengewandeld om zich al in te schrijven voor het volgende tornooi. Het ging om een verzorgd en levendig meisje, met op het eerste gezicht geen problemen. Je zag de mannen en vrouwen denken: wat komt zo’n lief schepsel hier doen?
Lana VII trok zich weinig aan van het tumult in de lobby en had eigenlijk ook nog niet echt een idee wat er gaande was. Ze negeerde het enorme elektronische bord alsof het een uurrooster in een vliegtuighaven of lanceerbasis was, en stapte resoluut naar het hokje waar de inschrijvingen gebeurden. Daar trof ze een oudere vrouw aan die op de goeie, ouderwetse manier, een fiche opstelde van de verschillende deelnemers.
‘Goeie middag, komt u voor een inschrijving?’
‘Ik denk het wel,’ zei Lana VII.
‘Gaat u zitten. Let u alsjeblief niet op het tumult. We zitten net in een spannende fase in de kwartfinales. Hoe heeft u gehoord van het Tornooi?’
‘Ik heb een reclame gezien tijdens een nachtdroom.’
‘De klassieke manier dus,’ zei de oudere vrouw terwijl ze notities nam.
Nadat ze de meest belangrijke gegevens van Lana VII had genoteerd zoals naam, geboortedatum, maten, hersencapaciteit, protheses, implantaten, houdbaarheidsdatum en toekomstbeeld, ging de dame over tot de werkelijke vragenlijst met betrekking tot het Tornooi:
‘Heeft u kinderen?’
‘Ja, twee.’
‘Goed. Ze zijn nog in goeie gezondheid?’
‘Ja, allebei.’
‘Goed. U bent getrouwd?’
‘Ja.’
‘Goed. Een goed huwelijk?’
‘Zo goed als een huwelijk dat toestaat.’
‘Goed. U bent dus, mag ik stellen, vrij gelukkig?’
Lana VII keek op en fronste de wenkbrauwen.
‘Natuurlijk. Dat is de reden waarom ik hierheen ben gekomen, toch? Dat is de reden waarom ik me wil inschrijven in dit tornooi. Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest in mijn hele leven. Alles zit mee. Een leuke man, een nieuw huis, twee gezonde kinderen, een goedbetaalde baan en bovendien ook nog eens een gezond lichaam.’
‘Goed,’ resumeerde de dame. ‘Dan bent u inderdaad klaar om deel te nemen. U hebt geluk want er is net een plaats vrijgekomen. Het beste bewijs dat het u inderdaad allemaal meezit. We hebben een reservelijst met deelnemers, maar als u wil kan ik wel een plekje reserveren.’
‘Dat zou prachtig zijn!’
‘Wel, dan volstaat het gewoon de kleine lettertjes in het contract nog even na te lezen en het dan te ondertekenen. Daar, helemaal onderaan, met inkt en bloed.’
Lana VII kreeg het document onder de neus geschoven. Ze werd even afgeleid door het rumoer in de lobby. Een paar reporters waren aan het jouwen, een paar supporters waren de twee spelers in de kamer aan het steunen. Ze stonden in twee clans elk aan één kant van de lobby, opgedirkt met elektronische sjaals en borden, en riepen hen moed in:
‘Je kan het, Ben! Volhouden! Je bent er bijna!’
‘Komaan, Roland! Je bent nu al zover geraakt. Jij bent de winnaar. Jij gaat die medaille halen!’
Lana VII richtte zich tot het document voor zich. Ze las en herlas de laatste paragraaf waarin stond dat elke deelnemer nadrukkelijk afstand deed van zijn of haar rechten, en de organisatie of wedstrijdleiders de macht en volledige vrijheid gaf om haar leven in de war te sturen, te verpesten en zelfs te beëindigen. Er stond ondermeer in dat alles zeer geleidelijk zou gebeuren, stap per stap, ronde per ronde op de kwalificatietabel en dat de echte, pijnlijke en serieuze regels pas werden toegepast vanaf de kwartfinales. Lana VII nam de pen en aarzelde voor ze de punt in haar duim zou prikken en het hele ding met haar eigen bloed zou ondertekenen.
‘Is er iets?’ vroeg de dame. ‘U kan er nog steeds onderuit, hoor.’
‘Neen, helemaal niet,’ zei Lana VII, ‘Ik wilde gewoon nog even denken aan het moment waarop ik besloot mee te doen.’
Lana VII had voor het eerst over deze nationale competitie gehoord in een nachtdroom die werd bestuurd vanuit de overheid. Op een nacht werd haar normale nachtrust onbewust verstoord door een boodschap van hogere rang. Daarin werd, in de vorm van een soort reclamespot, het nieuwe spel of Tornooi aan het brede publiek kenbaar gemaakt. Een stille, fluisterende stem sprak haar in:
‘Leven is lijden en lijden… is een sport.’
Die ene zin had Lana VII volledig uit haar eigen droom losgemaakt en gaf de onbekende stem de mogelijkheid om het concept verder uit te leggen:
‘Wie de hele tijd ontzettend gelukkig is, is op zich niet meer zo gelukkig want geluk begint na een tijdje te roesten. Het leven van een mens is nu eenmaal gemaakt om op en neer te gaan, heen en weer. Het Tornooi gaat ervan uit dat een mens geboren wordt om enkele noodgedwongen beproevingen te doorstaan. Helaas wordt niet elke mens geconfronteerd met zulke barrières. Er bestaan mensen die fluitend door dit leven trekken, in tegenstelling tot anderen die van de ene mislukking naar de andere strompelen. Some folks lives roll easy, some folks stumble and fall. Wel, wie zich inschrijft voor het Tornooi zal een ander mens worden. Een rijker mens, een interessanter mens en vooral… een gelukkiger mens. Want: geluk bestaat enkel en alleen door ongeluk.’
Lana VII was die ochtend wakker geworden en had onmiddellijk beseft dat de stem in haar hoofd gelijk had. Meer dan zes jaar al leed ze een ongelooflijk gelukkig bestaan. Ze had nergens over te klagen gehad. Alles zat haar mee. Bovendien was Lana VII vroeger altijd al een competitor geweest. Ze blonk altijd en overal uit in diverse sporten zoals slasherball, virtueel jagen en goocheltennis. Altijd zocht ze wel de uitdagingen op. En in dat echte geluk dat haar omringde, zocht Lana VII altijd wel ergens een kleine wedstrijd. Of het nu ging om het zuiverste bloed bestellen of het ging om de verste virtuele reisbestemming, altijd maakte ze zich op voor een wedstrijd tegen haar man, haar kinderen en de rest van haar familie.
‘Zo, u bent nu officieel ingeschreven in het Tornooi,’ besloot de dame terwijl ze het ondertekende formulier van Lana VII weer aannam.
‘Ik heb nog een paar vragen,’ vroeg Lana VII.
‘Ja?’
‘Hoe bereid ik me het beste voor? Ik bedoel, hoe bereidt een deelnemer zich het beste voor om te winnen?’
Buiten het hokje was de spanning te snijden. De lichtjes flikkerden nog altijd op het paneel. De dame klasseerde het inschrijvingsformulier en glimlachte wrang.
‘Er zijn verschillende manieren om je voor te bereiden. Je hebt mensen die op hoogtestage gaan in het Zuiden van Afrika om daar aan den levende lijve de gruwel van het alledaagse bestaan te beleven en zich daartegen, als een test, verzetten. Maar je hebt evenzeer mensen die in hun eigen huishouden zelf barstjes in hun geluk gaan veroorzaken. Ze zoeken ruzies op, misdragen zich op hun werk of zorgen ervoor dat ze voor hun eerste wedstrijd begint, al geconfronteerd worden met een paar fikse tegenslagen. Ik ken een man die bijvoorbeeld opzettelijk een collega zwartmaakte zodat hij uiteindelijk werd ontslagen. Dat was een fikse tegenslag. Eigenlijk was het ook een geluk bij een ongeluk want daardoor kon hij zich met man en macht volledig concentreren op zijn eerste ronde in de tabel, maar tegelijk had het hem al wat sterker gemaakt.’
‘Ik weet niet of ik wel bestand ben tegen zulke tegenslagen.’
‘Dat weet je pas als je aan de wedstrijd begint, liefje,’ zei de dame. ‘En laat ons eerlijk zijn: dat is eigenlijk ook de reden om deel te nemen. Iedereen wil toch weten wat zijn of haar ultieme pijngrens is, nietwaar?’

Op datzelfde moment stond de dame op en nam ze haar nieuwste rekruut mee naar de lobby. In de kamer stonden de twee mannen, Roland V en Ben III nog steeds tegenover elkaar. De laatste was rechtop gekropen en bereidde zich voor op de laatste punten.
‘Hoe ben jij hier geraakt?’ vroeg hij Roland V. ‘Heb je geluk gehad in de achtste finales of heb je echt moeten knokken?’
‘Je zou kunnen zeggen dat ik geluk gehad heb,’ zei Roland V. ‘Ik moest het opnemen tegen een vent die ze echt bij de lurven hadden genomen. In de zestiende finales hadden ze hem al bijna helemaal murw geslagen door zijn vrouw vreemd te laten gaan met een besmette gigolo. En in de achtste finales, voor hij mij bevocht, kreeg hij af te rekenen met de sterilisatie of onvruchtbaarheid van zijn eigen dochter. Je ziet: hij kwam eigenlijk al gehandicapt aan de aftrap.’
‘En jij?’ vroeg de man tegenover Roland V bijna jaloers.
‘Ik heb mijn portie wel al gehad in de vorige ronden,’ verzekerde hij hem. ‘Wees daar maar zeker van. Ik heb al heel wat verloren. Je vergeet trouwens de kopstoten die je te verwerken krijgt bij het winnen van elke ronde.’
‘Ja, ik denk dat ik wel weet wat je bedoelt. En trouwens, nu we daar toch over bezig zijn, ik denk dat je het best, zowel voor mijn als voor jouw eigen goed, zo snel mogelijk afhandelt.’
‘Je bent er zeker van?’
‘Ja, doe het! Doe het nu! Ik heb tenminste de kwartfinales gehaald, nietwaar?’
Roland V nam de elektronische sabel weer op en schakelde het devies aan dat aan de riem rond zijn middel hing. Het zette de punt van het wapen op stroom. Er was zelfs een minusuul klein vonkje te zien. Behoedzaam trad hij naar voren en nam hij de ouderwetse schermershouding aan. Sierlijk stak hij de sabel naar voren en liet hij zijn pols gracieus hangen. Zachtjes ging hij door de knieën en wachtte af tot zijn tegenstander, Ben III, uiteindelijk het hoofd zou laten hangen. Toen dat gebeurde en hij zijn kin op zijn borst liet rusten, zei Roland V:
‘En garde!’
En met één steek raakte hij de verliezende kwartfinalist pal op de borst. Er klonk een dof en onheilspellend geluid waarna de onfortuinlijke een meter verder werd weggeslingerd en op de grond viel. Hij was op slag dood. Doodgeëlektrocuteerd. Meteen schakelde Roland V de sabel uit. Er ging een koude rilling over zijn rug en niet lang daarna was het zijn beurt om de hoek in te kruipen. Hij kotste er alles uit en kreeg af te rekenen met de zoveelste hindernis in het parcours naar de ultieme overwinning. Maar hij moest en zou kampioen worden. Hij was onoverwinnelijk.
In zijn hoofd zette hij een zoveelste streepje bij op zijn eigen, inwendige scorebord dat het ongeluk in zijn leven opsomde. De strijd, hij had ze bijna gewonnen. Hij had bijna de hoofdprijs binnengehaald!

‘Je ziet,’ zei de dame beneden in de lobby tegen Lana VII, ‘dat dit eigenlijk al een beetje een voorbereiding is voor je.’
Lana VII keek hoe hoe het lichtje op het paneel stopte met flikkeren. Een paar momenten later was ze getuige hoe het verkoolde lijk van de verliezende kwartfinalist naar beneden werd gebracht en werd afgevoerd doorheen de lobby. Vlak daarna verscheen Roland V ten tonele. Hij werd onmiddellijk belaagd door de horde reporters, fotografen en supporters. Hij moest ze als vliegen van zich afstaan. Ondertussen legde zijn coach, een zekere Mr. Kin, een handdoek in zijn hals.
‘Hoe voelt u zich, meneer Roland?’
‘Had u deze overwinning verwacht?’
‘Wat was uw tactiek? Een eerste reactie?’
Roland V bleef even staan en liet de menigte bedaren. Toen stak hij een hand op en zei:
‘Ik kan alleen maar mijn tegenstander feliciteren. Hij heeft een prima wedstrijd gespeeld. Het was kantje boordje, hij had evengoed kunnen winnen, maar uiteindelijk ging het om wie het meeste geduld had en wie het koelbloedigst was. Vandaag was ik de beste, maar dat wil niets zeggen. Ik heb goed gespeeld, maar ik ben bekaf. Dank u wel.’
Roland V probeerde met dit persbericht de massa achter zich te laten, maar ze bleven hem bestoken. Halverwege botste hij tegen Lana VII aan. De twee keken elkaar een moment lang aan, maar meer werd hen niet gegund, want er werd alweer aan zijn mouw getrokken en voor hij het besefte, werd Roland V tegen de glazen deur geduwd en onderworpen aan een tweede reeks vuurvragen.
‘Meneer Roland V, nog één vraag graag.’
‘Ik heb mijn verklaring gegeven, jongens…’
‘Hoe schat u uw kansen in in de halvefinale, meneer Roland V?’
‘Ziet u zich de finale halen en misschien dit hele tornooi winnen?’
Roland V besefte dat hij er niet onderuit kon. Hij manoeuvreerde zich tussen een paar mannen en antwoordde:
‘Dat kan ik echt niet inschatten, jongens. Ik speel dit spel van dag tot dag. Van ronde tot ronde. Ik kijk echt niet verder dan de volgende wedstrijd. Maar ik moet toegeven: het vooruitzicht op de hoofdprijs die alsmaar dichterbij komt, geeft me vertrouwen en energie. Ik denk dat ik dit kan winnen. Maar het komt er nu op aan om voldoende en snel genoeg te recupereren. Echt waar.’
Op dat moment vond Mr. Kin, de coach, het meer dan genoeg. Hij trad naar voren als een soort bodyguard en maakte de weg vrij.
‘Laat hem even wat op adem komen, jongens,’ riep hij. ‘Jullie hebben hem gehoord. Hij heeft een zware wedstrijd gespeeld. En hij moet weer klaar staan voor morgen. Bovendien moet hij nu eerst naar de check-up.’
Voor Roland V zich mocht verheugen op een lekker, warm bad, een shot amnesia en een diepe slaap, werd hij eerst nog opgewacht in de kelders van het spiegelgebouw. Daar stonden de officials hem in een kamer van twee op twee op te wachten, met naald en spuit. Een bloedcontrole.
‘Hallo jongens,’ zei Roland V opmerkelijk luchtig na zijn zware wedstrijd. ‘Wat wordt het vandaag?’
‘Je begint het al wat gewoon te worden, nietwaar Roland V?’
‘Het hoort bij de routine, zeker? Serieus, wat hebben jullie dit keer voor me?’
Een van de officials, gekleed in een zwart maatpak, haalde een spuit tevoorschijn en liet een paar druppels ontsnappen. Hij hield het vocht tegen het licht en zei:
‘Wat dacht je van een portie hepatitis A, B, C en D?’
‘Ik denk er het mijne van, maar ik hou me aan de regels. Waar willen jullie het?’
Zonder de vraag af te wachten, ging Roland V zelfverzekerd zitten op een krukje, sloofde zijn mouw op en wachtte af tot hij de prik zou voelen. Hij glimlachte. Het hoorde allemaal bij het voorspel, een beetje zoals boksers vroeger op persconferenties stoer bleven en elkaars oor afbeten. Het was een kwestie van uitdagen, zelfvertrouwen uitstralen en de wedstrijd al op voorhand beslechten. Roland V had nog geen idee wie zijn volgende tegenstander zou zijn, maar door zo bereidwillig en moedwillig zijn mouw op te stropen, had hij al een streepje voor. De eerste set leek al gewonnen. Roland V beet zelf niet eens op zijn tanden toen de prik kwam en de hepatitis een baan zocht in zijn bloed. Hij kon het allemaal wel hebben. Integendeel: het leek hem zelfs nog maar weinig uit te maken. De eerste injectie bij de aanvang van de eerste ronde had hem natuurlijk misselijk gemaakt. Hij had er drie nachten niet van kunnen slapen want wie liet zich nu opzettelijk uit vrije wil injecteren met de meest vreselijke ziektes? Wie haalde het in zijn hoofd om uit vrije wil te gokken op een beursgenoteerd bedrijf waarvan de aandelen in één dag tijd gekelderd waren tot amper 2 euro? Wie zou zoals Roland V alles op het spel zitten om een stomme wedstrijd te winnen, alleen maar omdat hij ervan droomde die hoofdprijs weg te kapen? Alleen: nu was het moment gekomen dat hij altijd al had gevreesd. Hij zat in de halve finale. De mietjes waren naar huis gespeeld. Het was tijd voor het echte spel. En Roland V wist het.
‘Die hepatitis is maar een opwarmertje, nietwaar?’
‘Goed geraden, Roland V. Je bent bij de les.’
‘Je begint de kneepjes van het vak al wat te kennen, he?’
Toch behield de kersverse halvefinalist zijn goed humeur. Wat kon hij anders doen?
‘Ik dacht het al. Waarmee gaan jullie me opzadelen? Mijn arme vader uit zijn lijden verlossen? Me laten verlammen zodat ik de kamp moet vechten vanuit een rolstoel?’
Er kwam geen antwoord.
‘Ik zit er nog niet eens dichtbij, he?’
De officials keken elkaar aan, tot er eentje zei:
‘Je beseft toch dat je in de halve finale zit, he Roland V? Dat is hier geen kinderspel meer, makker.’
‘Oké, wat is het dan?’
‘Je vrouw.’
‘Mijn vrouw? Wat is er met haar? Wat gaan jullie doen?’
In één ruk was Roland V opgestaan. Hij liet het niet onmiddellijk merken maar hij was in paniek. Voor het eerst sinds dit spel van start was gegaan, begon hij ervan te zweten. Hij wist dat ze alles konden doen. Hij had het contract getekend, inclusief de kleine lettertjes die beweerden dat ze hem vanalles en nog wat konden aandoen, alsook zijn nabije omgeving, familie en echtgenote.
‘Je wist dat dit moment er ooit zat aan te komen, Roland V.’
‘Je hebt het zelfs aan jezelf te wijten. Je had maar niet tot in de halve finale moeten geraken.’
Roland V keek om zich heen. Het zag ernaar uit dat hij geen hulp zou krijgen. Hij had zichzelf te verwijten. Hij had ervoor gezorgd dat het tot dit punt zou komen. Waarom had hij het gedaan? Die hoofdprijs…? Langzaam ging hij weer zitten en liet de gedachte tot zich doordringen dat hij nu niet enkel zichzelf, maar ook zijn vrouw in deze wedstrijd had betrokken. Een soort ziekelijk dubbelpartijtje. Al die tijd dat hij zich gespaard waande omdat de tegenslagen en injecties nog niet overdreven waren, wist Roland V dat ze alles hadden opgespaard voor deze halve finale. Zijn vrouw.
‘Wat… wat zijn jullie van plan met haar?’
‘Dat kunnen we helaas nog niet zeggen, Roland V. Het zou de verrassing bederven en het zou zijn effect niet hebben mocht je het nu al weten.’
‘Je kan toch iets zeggen!’ begon Roland V zijn stem te verliezen.
‘Het spijt me.’
‘Je kan niet zomaar zeggen dat je mijn vrouw iets zal aandoen en dan weer je staart intrekken. Ik heb het recht om…’
‘Je hebt geen rechten in dit spel, Roland V. Dat weet je.’
‘Ja, maar, ik moet toch weten wat het zal zijn.’
‘Wat wil je dat we zeggen, Roland V? We kunnen zeggen dat het gruwelijk en mensonterend zal zijn. Is het dat wat je wilt?’
Zonder het zelf te willen barstte Roland V in snikken uit. Het was sterker dan hemzelf. Als een hoopje stuikte hij in elkaar. Hij schaamde zich niet voor zijn tranen. Ook dat hoorde weer bij de voorbereiding, de trainingen voor de halve finales. De tranen, zijn maag die samenkromp, de hoofdpijn, de steken in zijn zij; de officials hadden er alles voor over om de deelnemer zo goed mogelijk te laten voorbereiden, zodat de toeschouwers een leuke halve finale zouden krijgen.
‘Kun je me dan ten minste inlichten wie ik moet bekampen?’ zei Roland V terwijl hij zijn tranen droogde.
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Ik wil het weten! Oké?’
‘Goed. Zoals je wil. Hij heet Stick II en hij staat tweede op de wereldranglijst. Je kent hem wel.’
‘Jezus, Stick II?’
Hij kon het niet geloven. Dé Stick II! De man die in elke ronde van dit tornooi zowat ten dode opgeschreven was en al zeven ronden lang, van bij de preselecties, geconfronteerd werd met de meest waanzinnige voorbeelden van ongeluk, smart en leed. Stick II had zowat alles verloren wat er te verliezen was: zijn huisdieren, zijn ouders, zijn grootouders, zijn huis, zijn hypotheek, zijn zicht, zijn gehoor, zijn rechterarm en zelfs een paar organen. De man was verdomme een wandelend lijk, ten dode opgeschreven. En daar moest Roland V het dus tegen opnemen! Hij had geen schijn van een kans, dacht hij. Hij moest zelf niet eens aan de wedstrijd beginnen.
‘Je meent het,’ herhaalde hij. ‘Stick II! Jullie hebben erom gedaan, nietwaar?’
‘Waarom?’
‘Omdat het een finale avant-la-lettre is!’
‘Het is de loting, Roland V. We hebben niet gefoefeld of iets veranderd. Het is gewoon zo uit de bus gekomen.’
Hij zuchtte en stond op.
‘Hier stopt de rit dus voor mij.’
Een van de officials, een grappenmaker wellicht, liep naar de deur om hem buiten te laten.
‘Wie zegt dat? Een beetje zelfvertrouwen, he makker. In elk tornooi is er wel een verrassing. In elk tornooi sneuvelt er wel een reekshoofd. Je bent de underdog en underdogs liggen goed in de markt. Je zal alvast het publiek aan je kant hebben. Succes!’
En met deze aanmoediging verliet Roland V het gebouw.

Later die avond lag hij in bed, terwijl zijn coach Mr. Kin hem masseerde, of liever de huid zowat kapot kneep en hem een naalden- en spijkersessie gaf, en besloot hij maar half te trainen voor de halve finales. Tegen de muur hing een groot scherm waarop het nieuws van de dag te zien was: gruwelbeelden van kapotgeschoten soldaten in veertien verschillende oorlogen, zes nieuwe ziektes die waren overgewaaid van Mars, een honderdtal doden bij een natuurramp en nog meer van dat moois. Maar het hielp niet veel. Roland V wist dat dit alles hem niet zou kunnen voorbereiden op datgene wat de tornooileiding van plan was te ondernemen tegenover zijn eigen vrouw. Hij draaide zich op zijn rug en verzocht zijn coach er even mee op te houden zodat hij haar ten minste op de hoogte kon brengen. Het was nog niet te laat om een dagconnectie aan te vragen en dus zag Roland V zijn vrouw even later voor zijn geest verschijnen. Een interlokaal bewustzijnsgesprek.
‘Ja, lieverd?’
Haar stem klonk vertwijfeld en opgelucht tegelijkertijd.
‘Ik ben het. Je hebt me toch niet gezien in de kwartfinale?’
‘Neen, ik heb niet durven kijken,’ gaf ze toe.
‘Goed,’ zei hij opgelucht. ‘Je weet wat we hebben afgesproken…’
‘Maar toen ik hoorde dat je het had gehaald, heb ik naar de replay gekeken.’
‘Godver… ik wil niet dat je me ziet in de wedstrijd,’ zei Roland V omdat hij wist hoe pijnlijk het voor haar wel niet moest zijn om haar man zo te zien afzien. Daarom ook had hij haar opzettelijk nog niet ingelicht over alle gruwel die ze niet te zien had gekregen. De injecties achter de schermen, de vernederingen, de innerlijke kwellingen, de leugens, al de rest.
‘Ik…ik weet niet hoe ik je dit moet zeggen,’ begon hij te stamelen.
‘Wat is er, Roland V?’
‘Ik… heb het verknald.’
‘Waar heb je het over? Je hebt de halve finale gehaald! Nog even en je hebt de hoofdvogel afgeschoten.’
‘Ze gaan jou aanpakken, liefje,’ zei hij onzeker en voor de tweede keer die dag kon hij zijn tranen niet de baas. Hij zag hoe zijn coach, Mr. Kin hem misprijzend zat aan te kijken terwijl hij voorbereidingen trof om zijn pupil nog voor het slapengaan een korte kotssessie te ondergaan.
‘Mij? Waarom?’
‘Ze willen me treffen waar het het meest pijn gaat doen.’
‘Maar… wat zijn ze dan van plan?’
‘Ik weet het niet. Dat wilden ze niet zeggen. Ik weet alleen dat ze jou zullen gebruiken om mij te treffen. Jij bent mijn handicap voor de halve finale.’
Ze zweeg.
‘Je hebt nog niets vreemds gemerkt?’ vroeg hij voor de zekerheid.
‘Neen, ik denk het niet.’
‘Dan zal het nog moeten komen.’
Nadat ze voor die nacht afscheid hadden genomen van elkaar, kwam Mr. Kin weer op het bed afgestapt, met in zijn hand een soort spalk. Roland V kende de trucs al allemaal uit het hoofd. Om de eerste games van de volgende rondes zonder kleerscheuren door te komen zou de coach een lichamelijk letsel toebrengen zodat de pijn een essentieel onderdeel zou vormen en Roland V zich op een hoger niveau niet kon druk maken over wat er met zijn vrouw zou gebeuren. Ook het nieuws dat hij vanaf vandaag met alle mogelijke hepatitissen besmet was, zou naar de achtergrond verdwijnen door die oude truc van Mr. Kin.
‘God neen, Kin,’ bood Roland V weerstand. ‘Niet weer.’
‘Een primitieve pijn verdringt de echte pijn,’ zei de coach op zijn Oosters.
‘Oké, maar doe me een plezier. Neem een arm dit keer. Ik wil op mijn benen blijven staan.’
Zonder waarschuwing nam de coach de rechterarm vast, legde die op de rand van het bed en zette er toen zijn voet op. In één beweging brak hij met zijn volle gewicht twee botten in de arm. Roland V schreeuwde het uit, maar huilde voor het eerst die dag van blijdschap omdat hij wist dat hij de volgende uren meer aan die pijn zou denken dan aan zijn volgende wedstrijd.

De volgende week speelde Roland V zijn halve finale op diverse plekken en diverse tijdstippen. Men verloor hem geen seconde uit het oog en een paar keer ontmoette hij zijn tegenstander, Stick II, in het winkelcentrum bijvoorbeeld of bij de ombudsman. Wie van de twee de ander uitnodigde voor een ‘confrontatie’ in een van de vele kamers van het spiegelgebouw, had de beste papieren want die stond het sterkst, of beter gezegd: die had het meeste meegemaakt. Wie dan in die kamer het onderspit zou delven, stond de troostprijs te wachten: de dood, wat op zich de winnaar als een spoetnik naar de finale zou schieten.
Het zag ernaar uit dat Roland V uiteindelijk toch de finale zou missen. Stick II was een doordrijver, meer nog: de man leek een olifantenhuid te hebben en was letterlijk niet uit het veld te slaan.
Tot er een anonieme tip binnenkwam die aantoonde dat de man in kwestie doping gebruikte. Temidden van een ontmoeting in een café waar de twee mannen hun ongeluk trachtten te verdringen, gebeurde het.
‘Hoe staan de zaken ervoor?’ vroeg Stick II gespeeld luchtig. ‘Nog altijd niet van plan om op te geven?’
‘Ik ben geen opgever,’ zei Roland V maar onder het oog van de miljoenen kijkers wist hij dat hij zwart aan het liegen was.
‘Neen? Bewonderenswaardig,’ antwoordde Stick II. ‘Ik heb nochtans gehoord dat ze je vrouw in het spel hebben betrokken.’
‘Jij bent toch niet met haar vreemdgegaan?’ vroeg Roland V opkijkend.
‘God, neen! Dat niet, maar het zal wel erg zijn, neen?’
‘Ik weet niet. Ik heb er nog niets van gemerkt.’
Het was zo. Een week lang was Roland V opgezadeld met kleine ongemakken en tegenslagen, maar die grote klip, in de vorm van zijn vrouw, was nog niet aan hem verschenen. Ze leken het nog even uit te stellen. Terwijl Stick II, uit goeie bron vernomen, wel al twee gigantische opdoffers te verwerken had gekregen.
‘Hoe zit het met die beschuldiging van pedofilie, Stick?’ vroeg Roland V op zijn beurt luchtig.
‘Het is beter dan die geruchten die over mij de ronde doen over doping.’
‘Ach ja,’ zei Roland V en net toen hij wilde beginnen over de vermeende dopingaffaire werden de geruchten in daden omgezet toen zonder waarschuwing een paar officials en scheidsrechters bij hen kwamen staan met de mededeling dat Stick II werd gediskwalificeerd.
‘Hoe bedoel je, man? Laat los! Laat me spelen!’
Maar het had geen zin meer. Roland V wist niet of hij nu een gat in de lucht moest springen omdat het ernaar uitzag dat hij in de finale zat, of mdedeleven moest voelen omdat zijn tegenstander niets anders had gekund dan naar de verboden middelen te grijpen.
‘Stick II, u wordt uit de wedstrijd gezet op beschuldiging van doping, in de vorm van regelmatig gebruik van opbeurende en oppeppende middelen zoals Prozac en andere vormen van anti-depressiva.’

Toen Roland V samen met Mr. Kin in zijn hotelkamer al zijn overwinning aan het vieren was, kwam hij nog te weten dat Stick II al het hele tornooi zo uitzonderlijk presteerde en alles kon verdragen omdat hij gewoonweg geen hart meer had. De man had een kunsthart laten plaatsen en daarbovenop had hij zich geregeld suf en gevoelloos gesnoven dat het hem allemaal niets meer uitmaakte. Wat er nu te gebeuren stond, wist Roland V niet, aangezien het de eerste keer was dat iemand uit het Tornooi was gezet.
‘Wat nu?’ vroeg Mr. Kin toostend. ‘Moet je hem nu niet doden?’
‘Ik weet het niet,’ zei Roland V. ‘Ze hebben hem meegenomen voor ondervraging. Hij zal al zijn premies, sponsordeals en medailles terug moeten inleveren, denk ik. Dat op zich is al een stuk erger dan de dood, neem ik aan. Ik bedoel, hij zal aan de schandpaal worden genageld.’
‘Ja, maar op die manier komt hij er makkelijk vanaf. Het reglement wordt nu niet toegepast.’
Maar er was iets anders dat Roland V bezighield. Zijn vrouw. Door deze plotse onderbreking en opgave, hadden ze die factor nog niet aangewend. Het zou dus iets worden voor in de finale. Tenzij ze met nog iets beters op de proppen konden komen. Zonder het zelf te willen bleef Roland V zich afvragen in welke vorm ze zijn vrouw als obstakel hadden ingeschakeld. Het prikkelde hem; het zette hem aan het denken en vooral: hij werd ongelooflijk nieuwsgierig. Meer nog: een tweede opgave in de finale zou hij niet aankunnen. Hij moest het weten. Natuurlijk zouden ze nooit het risico willen nemen om een finale zonder spanning en actie af te leveren.
Toen Roland V dus die dag uit het hokje van de officials kwam, waarbij een vorm van hersenvliesontsteking bij hem werd ingeplant en ze hem als vrijwilliger hadden aangemeld voor een geheime oorlogsmissie op Venus, keek hij vooral uit naar dé ingreep: zijn vrouw. Hij kon bijna niet wachten om zijn opwachting te maken in de finale. Als een bokser stond hij als het ware in zijn hoekje touwtje te springen, klaar om met alles en iedereen de grond aan te vegen.
Maar nog voor Roland V zijn tegenstander in de finale voor het eerst te zien kreeg, wist hij hoe laat het was. Hij wist hoe ze zijn vrouw hadden ingeschakeld. Hij liep het spiegelgebouw binnen, uitgerust met de elektronische sabel aan zijn heup, op weg naar een kamer waar hij een eerste game zou uitvechten. Maar halverwege de lobby zag hij haar. Zijn vrouw! Ze was op post. Ze hadden haar inderdaad in de strijd geworpen, alleen niet zoals Roland V het verwacht had. Ze stond namelijk in de groep van de volgende deelnemers!
‘Mijn god, neen!’ riep Roland V uit.
Hij liep op haar af en tikte haar op de schouder.
‘Lana VII!’
‘Liefje, wat doe jij hier? Moet jij je niet voorbereiden op de finale?’
‘Wat doe jij hier? Zeg me niet dat je… je hebt ingeschreven?’
Ze keek hem beneveld en angstig aan.
‘Jawel.’
‘Neen!’
Hij nam haar stevig vast en drukte haar boezem tegen zijn borst aan, alsof hij nu al naar dat gevaarlijke oorlogsfront moest vertrekken. Alsof hij haar nu al had verloren, of liever: alsof zij hem nu al had verloren. Maar het was zo. Hij had de finale al verloren. Dit zou hij nooit te boven komen, dacht hij. Ze hadden hem genekt. Deze achterstand zou hij in geen week meer kunnen ophalen. Hij voelde zijn hart wegteren. Hij was op. Hoe kon ze hem dit aandoen? Wat stond er haar allemaal niet te wachten? Haar leed zou het zijne worden. Het zou zijn ondergang worden. Het zou hem de hoofdprijs kosten.
‘Waarom?’
‘Ik had een nachtdroom waarin…’
Maar Roland V hoorde de rest al niet meer. Hij wist genoeg. Een nachtdroom. Zo hadden ze het dus gedaan. Hij wist natuurlijk ook wel dat er opperste geheimhouding werd verreist van de deelnemers. Lana VII kon hem dus niet hebben ingelicht over haar inschrijving. Hij liet haar los en zag haar bezorgde blik.
‘Liefje, je kunt dit nog altijd winnen, hoor!’
‘Vergeet het,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Ik heb verloren. Ik heb jou verloren! Aan dit ellendige spel!’
‘Niet waar! Je kan het!’
‘Ach, hou op.’
Hij gaf haar een laatste kus en keek haar nog een laatste maal aan. Net toen hij op het punt stond er de brui aan te geven en in de witte kamer tegenover zijn tegenstander op de grond neer te zakken en om genade te smeken, keek hij op. Verrek: ze had gelijk. Hij was geen loser. Hij was een winnaar. Hij mocht één zaak niet vergeten. De hoofdprijs. De beloning.
‘Je kan het, liefje. Ik geloof in je!’
Hij knikte en zocht daarna de weg doorheen de drummende massa van reporters naar de bovenste verdieping. Toen hij in kamer 365 aankwam, stond zijn tegenstander, een gebroken oude man, al op hem te wachten. Roland V kende zelfs zijn naam niet. Misschien maakte dat ook allemaal niet meer uit. Het voornaamste was dat de oude man amper nog op zijn benen kon staan. Hém hadden ze helemaal leegeplunderd, dacht Roland V. En tegelijk dacht hij: dit kan ik nooit winnen. Een oude man die ondanks al dat leed nog altijd de moed vindt om me hier te staan opwachten, moet wel een heel bijzondere sportman zijn.
‘Ik ben Roland V,’ stelde hij zichzelf voor.
‘Ik… ik ben niemand meer,’ stamelde de oude man. ‘Ik ben een nietsnut. Ik heb geen enkele betekenis meer in dit leven. Ik heb niets meer.’
‘Je hebt bijna deze wedstrijd gewonnen,’ zei Roland V en op dat moment dacht hij er zelfs aan om hem de finale te schenken. Misschien zou hij dan niet gedood worden en konden hij en Lana VII toch nog ontsnappen en op een lang verdiende vakantie gaan. En zo hoefde zij ook niet deel te nemen aan de volgende aflevering van dit tornooi. Maar toen dacht hij aan de beloning, de prijs, de beker.
‘Ik denk niet dat ik het haal,’ pruttelde het mannetje tegen. ‘Ik kan niet meer. Ik heb kanker, alle mogelijke ziektes en ze hebben me ook nog eens halfdood bestraald met radioactief materiaal. Het maakt eigenlijk niet uit of ik nu win of niet; dood ga ik toch. Ik ben eigenlijk al blij dat ik het gehaald heb. Met de centen en het prijzengeld van de finale kunnen mijn vrouw, mijn kinderen en kleinkinderen een tijdje verder leven. Ik heb tenminste niet voor niets geleefd, geleden en gevochten.’
Roland V had niets meer. Hij kon niets meer zeggen. Het was zoals het was. Het was de waarheid. Wat restte hem ook nog? Maar nog voor hij zelf door de knieën kon gaan, stuikte het mannetje al tijdens hun eerste kamp neer. Het was niet zozeer een bewuste beslissing, dacht Roland V. Het was eerder een kwestie van niet meer kunnen. De handdoek werd in de ring gegooid.
‘Wat doe je nu?’ vroeg Roland V bijna met spijt.
‘Ik geef op. Je hebt gewonnen. Jij hebt het grootste tornooi van de wereld gewonnen. Ik gun het je. Je hebt het verdiend!’
‘Maar ik wil niet winnen,’ jammerde Roland V ineens.
Maar terwijl hij het zei, was hij toch trots op zichzelf dat hij had volgehouden. Een of twee seconden langer dan deze oude, gebroken man. Dat wilde toch iets zeggen. In gedachten zag hij zijn vrouw Lana VII al een gat in de lucht springen, net als de reporters die live verslag zouden uitbrengen.
‘We hebben een winnaar! Roland V heeft deze week de zesendertigste editie van het Tornooi op zijn naam geschreven! Na zijn schitterende overwinningen in de achtste en kwartfinales moest hij het opnemen tegen de topfavoriet Stick II, maar ook daar ging hij losjes overheen. In de finale werd een keiharde, gemene bikkelharde strijd verwacht, maar de kijkers bleven wat op hun honger zitten want al tijdens de eerste kamp hing Rolands tegenstander in de touwen…’
Roland V nam de uitgestoken hand van de oude man aan en trok hem op.
‘Ik zal er je eeuwig dankbaar voor zijn, jongeman,’ smeekte de man met een blik op de sabel.
‘Ik weet niet of…’
‘Je moet het doen!’
‘Ik dacht dat de verliezende finalist geen troostprijs kreeg, maar gratie?’
‘Ik wil geen gratie! Ik wil die troostprijs en wel nu! Doe het!’
‘Neen.’
Maar met het laatste restje moed en wanhoop hees de oude man zich omhoog en nam hij de punt van de elektronische sabel vast terwijl hij met zijn andere hand, worstelend met Roland V die hem van zich af wilde houden, de stroom aanschakelde. Roland V wilde nog ingrijpen, maar het was te laat. Het oude ventje greep de arm die niet de zijne was en bracht de sabel in één beweging tot bij zijn voorhoofd. Zonder nog iets te zeggen, drukte hij de punt als een askruisje tegen zijn huid en werd hij dood geëlektrocuteerd.
‘Proficiat!’ klonk het van overal uit de boxen en de schermen in de kamer. Roland V keek naar buiten door het grote, brede raam en zag een gigantisch scorebord voorbijdrijven in de lucht. Hij las zijn eigen score en uitslag ervan af en liet de verliezende namen allemaal stuk voor stuk aan zich voorbijgaan. De top tien kon hij nog bijhouden, maar de rest van het peloton was hij allang vergeten. Toen hij naar beneden keek, zag hij de menigte op straat, voor het grootste deel om hem te feliciteren, maar er waren ook een paar portestgroepen bij die dit hele verderfelijke spel een gebrek aan normen verweten.
‘Het is tijd voor de prijsuitreiking, Roland V!’

Als een koning daalde de winnaar door de gangen, de trappen en de lobby over een rode loper naar buiten waar de beker hem al stond te wachten. Zijn hart klopte dubbel zo hard.
‘Nog een geluk dat ik geen speech hoef te geven,’ dacht hij nog.
Ergens halverwege passeerde hij zijn vrouw Lana VII die naar hem knipoogde en gebaarde dat ze van hem hield en altijd wel van hem zou houden. Roland V kreeg het moeilijk en verloor bijna de controle over zijn spieren. Maar hij moest volhouden. Hij moest als een echte gladiator het hoofd hoog houden en zijn eer in ontvangst nemen. Dus liep hij gestadig door en genoot van de schouderklopjes, de handtekeningen die hij onderweg uitdeelde en de bombastische fanfare die hem muzikaal begeleidde tot het kleine, in elkaar gebokste podium waarop de grote beker met de grote oren stond. Het was een gouden beker waarin de vijfendertig namen van de vorige winnaars in stonden gegraveerd. Daar aangekomen schudde Roland V de hand van de notoire organisator en bedenker van het spel. Hij keek de massa in en merkte zijn coach op. Jammer dat hij die niet meer zou kunnen bedanken.
Toen kreeg hij de beker overhandigd. Hij nam hem met beide handen beet en stak hem als een krijger de lucht in. Het publiek barstte los in luid applaus en gefluit. Roland V besefte dat dit zijn gloriemoment was. Hij kuste de beker en dacht aan de eeuwige roem die hem dit alles zou opleveren.
Toen hield hij de beker voor zich uit en keek hij nog één keer naar zijn vrouw Lana VII.
‘Mijn god,’ stond het hem ineens bij. ‘Dat ze dit moet aanzien maakt niet deel uit van mijn ongeluk, het maakt deel uit van haar voorbereiding! Mij aan het werk zien en de hoofdprijs zien krijgen, is een test en haar eerste handicap voor haar eerste ronde!’
Het werd hem ineens allemaal duidelijk. Er zouden bij Lana VII geen injectiespuiten aan te pas komen bij de aanvang van haar eerste ronde van het Tornooi. Dit volstond.
‘Oké, dan,’ besloot hij achteloos. ‘Als het zo moet, dan is het maar zo.’
En met gesloten ogen zette Roland V, winnaar van het Grootste Tornooi, zijn lippen aan de gouden kelk en dronk in één teug het vergif op.
Een paar momenten later kreeg hij zijn beloning en hoofdprijs.

© Bavo Dhooge

SLUIT ME ALSJEBLIEF EENS OP IN JE GEHEUGEN, ALSJEBLIEF?
• Bavo Dhooge •


Het was niet zo dat Rik Harris een schaduw of een grijze duif was; integendeel, hij was de gewiekste huis-aan-huisverkoper die de firma Human Interest ooit had gehad. Harris werkte al twee jaar in het bedrijf en had een schijnbaar onuitwisbare indruk nagelaten op zijn baas tijdens zijn sollicitatiegesprek. Vooral zijn diplomatische karakter, in combinatie met zijn zachte koppigheid, had hem gebracht waar hij thuishoorde. Hij was een van de top vijf verkopers in de sectie Pépé’s, oftewel Persoonlijkheid Pakketten. En toch had Rik Harris de indruk dat men hem over het hoofd zag. Dagelijks. Een onuitwisbare indruk was misschien wel wat teveel van het goede. En met men bedoelde Rik zowat iedereen: van de secretaresses, zijn baas, zijn collega’s tot en met zijn klanten. Hij wist voor de zoveelste keer hoe laat het was toen hij die ochtend in het kantoor van zijn baas Honter zat.
‘Hoe staan de zaken ervoor, Harris?’
‘Het gaat goed,’ zei Harris hoewel hij niet graag pochte over zichzelf.
‘Hoever sta je met de introductie van die nieuwe etherische persoonlijkheid?’
‘Het slaat nog niet echt aan, meneer,’ zei Harris naar waarheid. ‘Maar dat wil niets zeggen. Toen we met die nieuwe reeks creatieve persoonlijkheden begonnen en we die op de markt brachten, moest men er ook niets van weten. Men was nog steeds in de ban van de marketeers en managers. En we weten allemaal hoe het die pakketten zijn vergaan. We zitten nog altijd met een stock van hier tot in Eneris.’
‘Je hebt gelijk, Harris,’ zei Honter terwijl hij op zijn desktopscherm een staaltje bekeek van het nieuwste prototype van een psychotische persoonlijkheid. ‘Je hebt donders gelijk. Het gaat allemaal zo snel tegenwoordig. Het ene moment is de feministische persoonlijkheid weer helemaal in, het andere moment moeten het weer allemaal macho’s zijn. Ik snap het soms ook allemaal niet meer. Maar zeg me eens, Harris, hoe gaat het me de kinderen?’
‘Zeer goed, meneer,’ zei Harris. ‘Ze ontwikkelen momenteel hun eigen persoonlijkheid.’
‘Goed, goed,’ zei Honter afwezig omdat hij nog steeds in de ban was van het voorbeeld van de psychoot. Op het scherm zag je een man ineens woedend worden en zich afreageren door een computer door het raam te gooien. ‘Een echte persoonlijkheid?’
‘Dat mag ik hopen, meneer. Ik denk dat ze nog wat te jong zijn om een pakket uit te testen.’
‘Goed, goed,’ herhaalde Honter weer. ‘Ze hebben nog de tijd, he? Wat zijn het nu weer? Twee meisjes?’
‘Een jongen en een meisje,’ zei Harris en hij vermeldde er voor de twintigste keer hun leeftijd en naam bij, maar hij wist dat het boter aan de galg was. Hij wist dat Honter geen oor had en dat zulke zaken nooit bij de baas bleven hangen. Honter was de enige –behalve Harris- in het bedrijf die zelf nog nooit een eigen persoonlijkheid pakket had uitgetest. Hij had met zijn eigen persoonlijkheid genoeg: strak, zakelijk en koel. Harris deed dan ook geen moeite meer om de namen van zijn kinderen te herhalen. Maar die ochtend brak zowat zijn klomp toen hij Honter hoorde vragen:
‘Weet je, Harris, ik ken eigenlijk nog altijd niet je achternaam.’
‘Harris,’ zei Harris. ‘Dat is mijn achternaam.’
‘Neen! Werkelijk! Dat meen je niet? Ik dacht dat Harris je voornaam was.’
‘Neen,’ zei Harris die het wel kon weten. ‘Harris is mijn achternaam. Ik heet Rik. Rik Harris.’
‘Wel heb je ooit, Rik. Mag ik je Harris blijven noemen, Harris?’
‘Wat u maar wilt, meneer.’
Maar Harris staarde naar zijn schoenen. Hij had dit gesprek al eens eerder gevoerd. Meer nog, hij had het al meer dan tien keer gevoerd. Meer bepaald: elke maand, het moment waarop hij zijn cijfers kwam afgeven in dit kantoor en dit gesprek voerde, moest hij zijn baas overtuigen dat Rik zijn voornaam was en Harris zijn achternaam. Het bleef gewoonweg nooit hangen. Hij, Rik Harris, bleef nooit hangen.
‘Meneer?’ vroeg hij voorzichtig.
‘Ja, Harris.’
‘Ik werk hier al twee jaar. Ik voel me hier goed, begrijp me niet verkeerd, maar ik heb soms het gevoel dat ik niet genoeg betrokken ben bij de zaak.’
‘O?’
‘Ja.’
‘Waar wil je heen, Harris?’
Om een of andere reden wist Harris dat Honter zijn voornaam alweer was vergeten. Dat was niet zo verwonderlijk, net zoals het niet te verwonderen was dat zijn collega’s zijn verjaardag nog altijd niet op de digitale kalender hadden gezet, dat ze niet wisten dat hij de enige was die met een oude shuttle vloog en dat hij in de top vijf zetelde van de Pépé’s.
‘Nergens, meneer,’ zei Harris en hij stond op.
Misschien moest hij maar eens een van die Persoonlijkheid Pakketten bij zichzelf inplanten. Zo zou hij er op zijn minst zeker van zijn dat zijn persoonlijkheid zou blijven plakken. Want zoals het er nu naar uitzag, was Rik Harris, na twee jaar, nog altijd een spook, een geest, een nobody.

Die dag zat Harris voor zijn zesde huisbezoek tegenover een vent die een opvliegend karakter had besteld. Hij had de hele boel twee maand geleden betaald en een maand geleden laten inplanten, en Harris was de man die moest nakijken of het pakket goed functioneerde. Hij zat voor de man in kwestie en overliep een vragenlijst.
‘U heeft dus geen grote klachten, meneer Olson?’
‘Niet speciaal, neen. Ik had het me wel iets heviger voorgesteld,’ antwoordde de man. ‘Maar eigenlijk valt het best mee. Ik heb hooguit een paar borden en glazen kapot gegooid en een paar keer heel luid geroepen, maar het is niet alsof ik mijn vrouw al heb geslagen of verkracht.’
‘Dat is niet de bedoeling, meneer Olson,’ zei Harris met een flauw lachje. Hij keek naar de volgende vraag, maar zijn klant voegde eraan toe:
‘Ik ben evenwel heel tevreden met het resultaat, als ik eerlijk mag zijn. Weet u, vroeger zou ik bij het minste in mijn schelp gekropen zijn. Ik zou het allemaal maar opgekropt hebben en als een deurmat over me heen hebben laten gaan. Ik zou er een tumor van gekregen hebben en het zou mijn hele leven en systeem hebben verpest. Maar nu, door dat agressie-pakket kan ik tenminste wat stoom afblazen. Het geeft me weer vrijheid; ik spuug het eruit, ik klop met mijn vuist tegen de muur en ik schop tegen een paar dingen, maar daarna is het gedaan en kom ik tot rust.’
‘Dat is de bedoeling,’ zei Harris. ‘Wij, van Human Interest, willen dat u zich door een pakket beter in uw vel gaat voelen. Letterlijk en figuurlijk. De natuur heeft een mens een persoonlijkheid gegeven, maar dat betekent nog niet dat dat uw meest natuurlijke persoonlijkheid is. Ik zal u nu een paar vragen stellen met betrekking tot uw lichaam en de respons die het geeft op die agressie. Het kan namelijk zijn dat we de dosis nog wat moeten bijstellen omdat uw lichaam en hart te hevig reageren waardoor de kans op een hartinfarct of een zenuwinzinking te groot is.’
‘Natuurlijk,’ zei de man die Olson heette. ‘Maar als u het niet erg vindt, wil ik wel eerst eens bellen naar mijn vrouw. Ze heeft me gezegd dat ze nog wat boodschappen moest doen, maar het is nu al na vijven en ik begin me eerlijk gezegd een beetje zorgen te maken.’
Harris hield zijn vragenlijst klaar en zag hoe de man zijn vrouw opspoorde met zijn zender. Het gesprek begon vredig, maar al snel werd Harris duidelijk dat de dosis agressie in het Persoonlijkheid Pakket te groot was. De man schoot uit zijn kraam, vervloekte zijn vrouw en begon tien minuten lang te tieren en dingen kapot te gooien. Op een gegeven moment kwam het zelfs zo ver dat Olson zijn schoen uitschopte en als hamer gebruikte om tegen zijn eigen hoofd te slaan. Het was ten slotte Harris die hem weer op het appel riep. Traag en met een zwetend voorhoofd kwam de man voor hem zitten.
‘Sorry dat je dit moest zien.’
‘Ik ben blij dat ik het heb gezien,’ zei Harris. ‘Dat bespaart me een paar vragen.’
Rik Harris begon de helft van zijn vragenlijst te schrappen en aan het eind vulde hij in het laatste hokje in:
‘Een evaluatie is aangeraden.’
Aan het einde van het gesprek trachtte Harris nog even de mogelijkheid aan te kaarten om over te schakelen van een Agressie Type 1 naar een Agressie Light, maar de man hield voet bij stuk (een deel de verdienste van het nieuwe pakket) en wilde de agressie in zijn lijf blijven voelen. Toen hij Rik Harris buiten liet, schudde hij hem de hand en zei:
‘Bedankt om langs te komen, meneer…?’
‘Harris,’ zei Harris. ‘Rik Harris.’
‘Harris? Ik dacht dat je anders heette.’
‘Neen, ik heet wel degelijk Harris,’ hield Harris met een venijnig lachje vol.
‘Wel, ik wil je bedanken, Harris. Dit heeft mijn leven veranderd. Jij ziet eruit als een keurige, evenwichtige perfecte persoonlijkheid. Jij bent een wandelende reclame voor jullie producten, zeker?’
Harris glimlachte alleen maar. Hij had geen zin om over zijn eigen aangeboren persoonlijkheid te beginnen. Waarom zou hij ook? Als hij dat zou doen, dan zou hij afbreuk doen aan het bedrijf waarvoor hij werkte. Hij kon zijn eigen persoonlijkheid dus maar aanwenden als reclame, ook al was zijn persoonlijkheid hem aangeboren, niet ingeplant.
‘Je hebt kinderen, he?’
‘Ja,’ zei Harris.
‘Ja, dat weet ik nog uit ons eerste gesprek toen we het contract hebben getekend. Wat was het nu weer? Een tweeling?’
‘Een jongen en een meisje. Ze schelen twee jaar.’
‘Welwel, waarom zat ik nu de hele tijd met die tweeling in mijn hoofd? Een mens heeft soms een bepaald gedacht over een mens, he?’
‘Ja.’
‘Zeg, wat met de verzekeringen, Floyd?’ vroeg de man opeens.
‘He?’
‘Wat als ik mijn hand breek als ik weer maar eens tegen een muur mep? Wat gebeurt er dan? Wordt dat vergoed door de verzekering van Human Interest of wordt dat op mijn rekening gezet? Wie is eigenlijk verantwoordelijk? Ik of jullie?’
‘Wel…’
Harris probeerde zich te concentreren, haalde een paar paragrafen in zijn hoofd boven uit het standaardcontract dat hij de man twee maand geleden had laten tekenen. Maar hij kon het niet. Waarom had die man hem ineens zonder veel aanleiding Floyd genoemd? Waar kwam die naam Floyd vandaan? Hij heette Harris, Rik Harris!
‘Ik…’
‘Je hoeft het me nu niet te vertellen, Floyd,’ zei Olson. ‘Ik zal het wel horen als het zover is. Zoals ik het bekijk, heb ik de zaken toch niet meer in de hand, nietwaar? Ik leef vanaf nu op de rand. Maar het voelt goed. Het is een bevrijding.’
Harris werd zachtjes buiten geduwd, maar het lag niet in zijn persoonlijkheid om het hierbij te laten. Hij was niet alleen een huis-aan-huisverkoper van persoonlijkheden, hij was een opvolger, een buddy die er zowel bij de verkoop als bij de installatie, de operatie én de opvolging op toezag dat alles naar behoren verliep. Een beetje zoals een reisbegeleider naar Antros dag en nacht betrokken bleef bij de trip van zijn klanten.
‘Ik zal het nakijken, meneer Olson,’ zei Harris.
‘Oké, geen probleem, Floyd.’
Harris wilde doorlopen, zich niet meer omdraaien en zich concentreren op de twee volgende klanten van die dag, maar hij kon het niet laten. Het werd hem te veel en het was de eerste keer dat zijn natuurlijke persoonlijkheid –evenwichtig en diplomatisch- werd verstoord. Hij kon het toch onmogelijk hierbij laten? Hij heette Rik Harris! Hij kende geen Floyd. Oké, het was de moeite niet om er een staatszaak van te maken, maar hij was en bleef de contactpersoon voor Olson en dus moest hij de puntjes wel op de i zetten. Met een flauwe glimlach draaide hij zich om.
‘Weet u, het is trouwens Harris. Niet Floyd.’
‘Wie is het?’
‘Wie is wat?’
‘Wie is Harris?’
‘Ik.’
‘Ik snap het niet, Floyd. Waar heb je het over?’
‘Ik zeg je dat ik niet Floyd, maar Harris heet. Rik Harris.’
‘Ja?’
‘Ik heb je daarnet toch net mijn naam gezegd?’
‘Ach ja, vergeten wellicht.’
De man bleef hem even stomverbaasd aankijken. Harris zag dat hij zich op gevaarlijk terrein begaf. De agressie-factor in het bloed en de hersenen van Olson begonnen te ratelen en kwamen in beweging. Hij moest opletten.
‘Wat je maar wil, Floyd. Ik wil je best Harris noemen, hoor…’
‘Dat is het net,’ zei Harris. ‘Ik wil dat je me zo noemt en niet Floyd.’
‘Luister,’ begon Olson lichtjes geïrriteerd en op het punt om ineens uit zijn kraam te schieten. ‘Is dit weer een van die vragen van je, Floyd? Is dit een test? Een test om te zien of ik weer ga beginnen flippen en te zien of dat spul van jullie zijn effect niet gemist heeft? Wel, ik kan je vertellen dat het ding werkt, hoor. Ik heb er namelijk genoeg van. Ik bedoel, je komt me hier lastigvallen in mijn eigen huis terwijl mijn vrouw alsmaar wegblijft en niet meer terugkomt, en dan heb je nog het lef om me uit te dagen ook. Wel, als je nog lang in mijn buurt blijft rondhangen, zal ik je eens een staaltje tonen van dat Agressie Type 1. Je zal dadelijk merken hoe effectief dat spul wel is.’
Harris maakte zich uit de voeten. Hij voelde zelfs niet de behoefte om te beseffen dat dit een zoveelste Persoonlijkheid Pakket was dat werkte. Er leek iets anders mis te zijn. Er was iets mis met zijn eigen persoonlijkheid. Meer bepaald: hij leek er gewoon geen te hebben!

Diezelfde avond ging hij, voor hij naar huis vloog, langs op kantoor. De meesten hadden al uitgecheckt voor het weekend. Harris trof er alleen nog de schoonmaakploeg aan, de twee robozuigers, en een oudere vrouwelijke collega die in haar kantoor zat te snotteren. Harris klopte zachtjes tegen de openstaande deur en vroeg:
‘Wat scheelt eraan, mevrouw Nipkin?’
‘Oh, Harris. U bent het.’
Harris glimlachte. Meteen ging er een zucht van opluchting door zijn lichaam. Ze had hem Harris genoemd! Het was een opsteker van jewelste. Er was dus toch nog iemand die zich hem leek te herinneren.
‘Ja, ik ben het,’ zei Harris en hij moest zich inhouden om eraan toe te voegen: ik ben het, Rik Harris.
‘Het zit me niet mee,’ ging mevrouw Nipkin verder.
‘O?’
‘Neen, helemaal niet. Ik denk dat ik te snel ben overgeschakeld op die emotionele pakketten.’
‘O, jeetje,’ zei Harris omdat hij wist wat dat te betekenen had. ‘U hebt toch vier weken gewacht, mag ik aannemen?’
‘Wel…’
Het was duidelijk dat mevrouw Nipkin er helemaal ondersteboven van was. Het gerucht deed al een tijdje de ronde dat Nipkin verslaafd was aan de pakketten. Ze had ze allemaal één voor één uitgetest, omdat ze zogezegd moest weten wat ze verkocht en waarmee ze de baan opging, maar de laatste tijd volgden die persoonlijkheden elkaar zo snel op, dat de incubatietijd van vier weken wachten niet meer werd gehaald. Zo was het dat mevrouw Nipkin in de laatste maand al drie verschillende persoonlijkheden had opgenomen. Ze leed aan een meervoudige persoonlijkheid.
‘Ik weet dat de seksueel gefrustreerde persoonlijkheid nog niet volledig was uitgewerkt toen ik het onderdanige, huiselijke karakter liet installeren. Dat gaf al een paar problemen thuis, ziet u. Maar nu is daar ook nog eens de impulsieve persoonlijkheid aan toegevoegd en ik weet met mezelf echt geen raad meer, Harris.’
‘Alsjeblief… noem me maar gewoon…’
‘Oké,’ ging mevrouw Nipkin verder. ‘Ik zal het zeggen waarop het staat, meneer Floyd. Ik heb het gevoel dat die persoonlijkheden mij aan het overmeesteren zijn.’
‘Wacht ’s even,’ zei Harris en hij deinsde achteruit.
Maar mevrouw Nipkin stond op en kreeg een soort helder licht in haar ogen. Ze leek er compleet door te zitten, maar niettemin vond ze toch de kracht om te beantwoorden aan de lokroep van haar drie persoonlijkheden. Ze kwam op Harris af en greep zijn handen vast.
‘Meneer Floyd…’
‘He, wat is dit?’
‘Zou je het erg vinden mocht ik je oraal bevredigen?’
Harris wist niet goed waar hij het had. Dit dametje sprak niet alleen wartaal, het belangrijkste wat was blijven hangen, was die naam. Meneer Floyd. Waar had ze het over?
‘Wacht ’s even,’ herhaalde hij met klem en hij duwde haar handen terug weg. Beangstigend en voor het eerst echt in paniek keek hij haar doordringend aan.
‘Waarom noem je me Floyd? Ik zei toch dat ik Harris heette?’
‘Natuurlijk heet je Harris. Dat weet ik toch!’
‘Waarom noem je me dan anders?’
‘Waarom noem je me dan meneer Floyd?’
‘Meneer Floyd, wat is dit?’
Harris stond zowat op het punt om zich de haren uit het hoofd te rukken.
‘Dat kan ik beter vragen!’
‘U heet toch Floyd én Harris. Harris Floyd: dat is toch uw naam? uw voor – en achternaam?’
Harris bekeek mevrouw Nipkin met een mengeling van weerzin en ontzag. Het was normaal dat een vrouw die verslaafd was geraakt aan verschillende persoonlijkheden ze allemaal niet meer op een rijtje had, maar dit was meer dan dat. Dit had meer te maken met zijn persoonlijkheid. Wat was er aan het gebeuren? De naam Rik bestond blijkbaar niet meer. Het was alsof er een ketting in gang was geschoten. Harris, begonnen als achternaam was nu een voornaam geworden, gevolgd door Floyd.
‘Mevrouw Nipkin,’ hervatte Harris in de hoop de sereniteit in het kantoor terug te vinden. ‘Rustig maar. Ik wil u best helpen. Maar dan moet u eerst even een paar vragen beantwoorden.’
‘U wil toch niet dat ik de vragenlijst beantwoord, meneer Floyd? U gaat me toch niet verlinken?’
‘Neen, ik heb het over een paar persoonlijke vragen. Over mijn persoonlijkheid.’
‘Uw persoonlijkheid? Waarom zou ik dat doen? Wat heb ik daarmee te maken?’
Harris haalde diep adem en vroeg zich af waarom ze dat inderdaad zou doen. Maar mevrouw Nipkin was het perfecte proefpubliek om zijn eigen persoonlijkheid te testen. Of althans, wat daarvan overbleef. Harris had haar gedurende de hele twee jaar dat hij bij Human Interest werkte, bijna dagelijks gezien. Nu hij er dieper over nadacht was zij degene waarmee hij het meest had gepraat. Ze moest hem dus wel kénnen. Meer nog, als er iemand wist wie Rik Harris, of Harris Floyd, zoals hij te horen kreeg, was, dan was het dit dametje wel.
‘Mevrouw Nipkin, eet ik hier elke dag mijn lunch of niet?’
‘Wat?’
Hij zag hoe de vraag, hoe ongewoon ook, haar vreemd genoeg wat kalmeerde.
‘Of ik hier elke dag op kantoor eet of niet?’
‘Eh… ik weet niet waar u op doelt?’
‘Antwoord op de vraag!’
De stem van Harris, oftewel Harris Floyd zoals ze hem noemde, bulderde door de verlaten gangen van het kantoor. De robocleeners keken niet op.
‘Ik denk dat u buitenshuis eet. Ik kan me alleszins niet herinneren u hier in de kantine veel gezien te hebben.’
‘Dank u wel. Volgende vraag, mevrouw Nipkin. Ben ik getrouwd?’
‘Wat?’
Harris deed zijn best zo dreigend mogelijk te kijken. Het werkte. Mevrouw Nipkin stamelde:
‘Eh, ik denk het wel, neen?’
Ze vormde een pijnlijke frons om aan te geven dat ze het eigenlijk niet echt wist en alleen maar een gokje waagde.
‘Maar dat hoeft niet in de weg te staan. Ik kan u nog altijd oraal…’
‘Volgende vraag. Mevrouw Nipkin, drink ik wel eens een kop koffie?’
‘Wel, ik meen me te herinneren…’
‘Waar werk ik in dit kantoor? Waar ligt mijn vertrek? Voor welke afdeling werk ik? Blijf ik hier of ga de baan op? Vlieg ik of rij ik? Werk ik soms tot ’s avonds laat of kom ik eerder een uur vroeger werken? Ben ik een macho of ben ik eerder vrouwvriendelijk? Welke opleiding heb ik gevolgd? Maak ik graag grapjes, ben ik een prater of een luisteraar…’
Harris wilde zijn hele cv van zijn hele leven opdreunen en in vraag stellen tot mevrouw Nipkin letterlijk naar adem hapte.
‘Heb ik kinderen, mevrouw Nipkin?’
‘Dat is een makkelijke: ja.’
‘Hoeveel kinderen?’
‘Dat weet ik: drie, neen? Twee jongens en een meisje.’
‘U heeft me echt geholpen, mevrouw Nipkin,’ zei Harris zacht terwijl hij op het punt stond de deur van haar kantoor zachtjes te sluiten. En jij kan je multipersoonlijkheidsproblemen of overdosissen zelf oplossen, armzalige trut, dacht hij erbij.
‘He, meneer Floyd, ik bedoel, wat was je voornaam nu weer?’
Harris deed geen moeite meer om te antwoorden.
‘U gaat me toch vertellen of ik juist ben? Ik zat erop, toch. Ja, toch, he?’
Harris haalde zijn schouders op en trok de deur achter zich dicht. Hij deed alsof het hem niet veel kon schelen of mevrouw Nipkin een goeie score had gehaald. Maar de waarheid, de ongelooflijke waarheid was dat hij het zelf niet eens meer wist! Drie kinderen? Het was in zichzelf ook gaan schemeren: het begon allemaal zo hard te vervagen dat hij het zelf niet meer kon bijhouden.
‘Mijn god,’ dacht hij in zichzelf terwijl hij naar huis vloog, of althans, naar de plek waarvan hij dacht dat het zijn huis was. ‘Ik ben de greep op mezelf verloren. Wie ben ik in hemelsnaam?’

Thuis lag Harris’ vrouw al te slapen. Het deed hem deugd dat hij in alle stilte en op zijn eigen tempo zijn eigen vertrek, zijn eigen woning en zijn eigen gezin in alle rust kon opnemen en ‘verifiëren’. Hij herkende alles; het was niet alsof ze met zijn geheugen of hersenen hadden geknoeid. Hij had evenmin een nieuw persoonlijkheidspakket getest; het was gewoon één grote grap geweest die hem aan het wankelen had gebracht. Harris nam een douche, kroop in zijn thermische slaapjas en ging nog even kijken bij zijn kinderen. Het waren er inderdaad twee, zoals hij altijd al gedacht had.
‘Een jongen en een meisje,’ fluisterde hij zichzelf in toen hij met een warm hart zijn spruiten in dromenland bekeek.
Pas toen hij de deur weer dichttrok, drong het tot hem door dat het inderdaad een tweeling was. Maar het waren een jongen en een meisje, neen? Was het belangrijk dat het om een tweeling ging? Wellicht niet. Hij had het in ieder geval niet belangrijk genoeg gevonden om ermee te koop te lopen. En toch. En toch had mevrouw Nipkin hem aan het twijfelen gebracht toen ze zei dat hij drie kinderen had. Maar hij had er geen drie! Hij had nergens een derde kind rondlopen. Geen bastaard, geen kunstmatig en zelfs geen spermatozoïde in de bank. Harris besloot het allemaal te laten rusten en kroop onder de wol.
In afwachting van de slaap die elk moment kon komen, bereidde hij zich voor op het gesprek dat hij de volgende ochtend wel weer zou hebben in de kantine met een van zijn collega’s. Misschien zelfs weer, zoals gebruikelijk was, met mevrouw Nipkin. Hij, Harris Floyd, zou niet veranderd zijn; integendeel: alles zou alweer gewist zijn uit het geheugen van de rest van de wereld: zijn baas, zijn collega’s, zijn klanten. Hij zag het zo alweer voor zich. Hij zag zichzelf al binnenkomen. Mevrouw Nipkin zou opkijken en vragen:
‘O, goeie morgen, Floyd. Ook een kopje koffie?’
En net zoals elke ochtend zou Harris gaan zitten en het mens moeten duidelijk maken dat hij koffie haatte. Hij zou beleefd zijn hand opsteken en weigeren.
‘O, niet in de mood vandaag?’
‘Neen, ik moet de baan op vandaag,’ zou Floyd zeggen. ‘Ik zou te nerveus worden.’
‘Jeetje, meneer Banks moet de baan op, hoor. Ga je eigenlijk veel de baan op, Floyd? Ik mag je wel Floyd noemen, he?’
Het zou een zoveelste herhaling worden. Steeds weer dezelfde routine, dezelfde vragen, dezelfde situatie, alsof Harris steeds weer dezelfde dag herbeleefde. Maar dat was het probleem niet. Hij had het al eens vroeger gecheckt. Hij had op de digitale verjaardagskalender gekeken en die ging wel degelijk vooruit. De dagen verstreken. Het zou trouwens bij diezelfde digitale kalender zijn dat hij weer maar eens op zoek zou gaan naar zijn naam en zijn geboortedatum.
‘Weet u, mevrouw Nipkin, waar sta ik ergens in die verjaardagskalender?’
‘Weet ik veel, Floyd. Wanneer is het je verjaardag?’
Het was een test, het kon niet anders. Hoeveel keer had hij zijn collega’s al niet gezegd wanneer hij verjaarde. Twee keer al had hij op die dag een mandje met kunstmatig fruit meegebracht om het alsnog te vieren en toch waren ze het weer vergeten. Meer nog: Floyd had zijn verjaardag zelf ingevoerd in het systeem! Hoe kon dat dan weer zomaar verdwenen en gewist zijn?
‘Het maakt eigenlijk niet veel uit,’ hoorde Floyd zichzelf weer zeggen als vanouds. En het mààkte ook zo gek niet veel uit, als het maar één keer zou voorkomen, maar na twee jaar zou je toch wel verwachten dat ze het weten.

Die nacht sliep Floyd weinig. Hij werd wakker met een bonkend hoofd en merkte dat zijn vrouw al was opgestaan. Hij nam een douche en besefte terwijl hij het warme water over zich liet stromen dat hij gisterenavond al een douche had genomen. Hij vergat zich te scheren en maakte op de roltrap naar beneden de bedenking dat hij zich gisterenavond niet had geschoren. Hij was in de war. Wanneer nam hij een douche en wanneer schoor hij zich? Wat waren zijn gewoonten? Die hele vreemde bedoening had hem zelf aan het wankelen gebracht.
‘Goeie morgen, liefje,’ sprak zijn vrouw hem slaperig toe. ‘Wil je je eieren hard of zacht gekookt?’
Floyd strompelde op zijn stoel, liet de vraag tot zich doordringen en dacht dat hij nog steeds aan het slapen was en een vreemde nachtmerrie had. Dit was zijn vrouw! Dit was de vrouw waarmee hij al tien jaar getrouwd was en met wie hij twee (of waren het nu toch drie) kinderen mee had. Zij moest hem toch kennen en toch was ze blijkbaar vergeten dat hij geen eieren op zijn nuchtere maag kon verdragen!
‘Eh, schatje, ik heb geen zin eieren, ik dacht dat je dat al wist.’
En terwijl hij zijn antwoord zo beleefd mogelijk formuleerde, besefte Floyd dat hij misschien zelf de schuldige of althans de aanleiding tot deze reeks misverstanden was geweest. Misschien was hij zelf op kantoor, op de baan, bij zijn klanten en misschien zelfs ook thuis zodanig beleefd en vaag geweest dat hij hen niet had duidelijk gemaakt wat zijn persoonlijkheid was. Ook nu weer had hij braafjes het aanbod voor roereieren, spiegeleieren of welke eieren dan ook afgewezen, alsof het alleen vandaag niet wenselijk was. Dat deed zijn vrouw, zijn baas, zijn collega’s misschien denken dat het op een andere dag voor Floyd wèl opportuun of gebruikelijk was om eieren te eten. Of in het geval van mevrouw Nipkin, om koffie te drinken.
‘Neen?’ vroeg Floyds vrouw voor de zekerheid. ‘Voel je je wel goed, Bankie?’
Bankie? Wie was Bankie? Een soort afkorting voor Banks? Dat kon, maar wie was Banks? Hij heette Harris Floyd, neen?
‘Ik denk het niet,’ antwoordde Floyd. ‘Ik voel me eerlijk gezegd een beetje vreemd. Afwezig. Ik denk dat ik maar onmiddellijk naar het werk vertrek.’
Hij stond op, liep op zijn vrouw af en gaf haar een vluchtige kus op haar voorhoofd.
‘He, wacht even, Bankie. Zo makkelijk kom je er niet vanaf, jongen.’
‘Neen?’
‘Neen. Wie gaat de kinderen ophalen in de leercentra?’
‘Ik?’
‘Wel, iemand zal Cider moeten ophalen.’
‘Oké,’ zei Floyd nietsvermoedend en snel omdat hij op hete kolen zat en zo snel mogelijk deze chaos, deze wanorde wilde verlaten. ‘Pik jij Cider maar op, dan zorg ik er wel voor dat ik Cyan en Ryan ophaal.’
En op dat moment raasde Floyd of eerder Floyd Banks, zoals zijn vrouw hem over één nacht ijs leek te gaan noemen, uit zijn eigen woning omdat het een labyrint werd waar hij kop noch staart aan kreeg. Hij haastte zich in zijn shuttle en eenmaal op de kantoren van Human Interest, liep hij gelijk de kantine door. Een paar collega’s, waaronder mevrouw Nipkin, keken amper op en iemand vroeg:
‘Hela, goeie morgen, Banks. Een kopje koffie?’
Maar Floyd Banks negeerde alles en iedereen en balanceerde op het randje van de onbeleefdheid. Hij liep gelijk door naar de provisiekamer waar de digitale verjaardagskalender aan het ratelen was. Met kloppend hart en bevende handen zocht Banks, oftewel ex-Floyd oftewel ex-Harris, naar zijn eigen verjaardag. Hij had zijn eigen datum van geboorte ooit eens ingegeven, daar was hij zeker van. Hij liet de verschillende werknemers van de firma Human Interest passeren. Hier en daar klikte hij op een naam waardoor het profiel en de polaroid tot leven kwam, en het leven van de werknemer in kwestie in één minuut tijd werd samengevat, vertrekkende van de geboorte, over het eerste liefje, de schooljaren, het huwelijk, de geboorte van zijn of haar eigen kinderen, het werk, de vakanties, het pensioen, enz.
Banks begon ervan te zweten. Hij vond zichzelf niet meer! Hoe kon dat nu?
‘Godverdomme, dit kan toch niet! Ik moet er toch instaan. Ik besta toch!’
En plots was het daar! Daar stond het.
‘Hier: Rik Harris,’ las hij hardop en hij liet alle spanning uit zijn lichaam ontsnappen in de vorm van een luide bulderlach. Hij klopte zelfs met een hand op het apparaat.
‘Zie je wel! Ik ben helemaal niet gek. Ik ben Rik Harris. Er is helemaal geen Harris Floyd of Floyd Banks of…’
Maar lang duurde de vreugde niet. Want net voor hij de digitale verjaardagskalender wilde uitschakelen, merkte hij op dezelfde geboortedatum nog een andere werknemer op die op dezelfde dag verjaarde: 17 april 2234.
‘Wat in hemelsnaam…?’
Banks prevelde een paar woorden die sterk leken op een gebed.
‘Harris Floyd?’
Meteen ging hij weer achter de machine zitten en ging gretig op zoek naar de andere namen waarmee men hem had opgezadeld.
‘Floyd Banks? Banks Rover? Rover Ditter? Ditter Reno? Reno…’
Er kwam een hele lijst tevoorschijn met mensen, mannen en namen die allemaal op dezelfde dag als hij waren geboren en hier in ditzelfde bedrijf, Human Interest, hun verjaardagsdatum hadden ingegeven en dus hadden gevierd! Dit was onmogelijk! Wie waren die mensen? Niemand kende die mensen. Hijzelf had ze nog nooit gezien… tenzij… Tenzij hij zelf al die mensen was! Maar…
‘Ik heb toch geen meervoudig persoonlijkheidssyndroom?’ vroeg Banks zich luidop af en hij staarde verweesd naar zijn eigen gezicht in de reflectie van de digitale jaarkalender.
Er bestond inderdaad geen mogelijkheid dat dit allemaal stuk voor stuk verschillende persoonlijkheden waren die in zijn bovenkamer kampeerden. Daarvoor was Rik Harris, of hoe hij op dit moment ook mocht heten, net niet gek genoeg. Integendeel: hij was een ordinaire man, de meest normale werknemer van Human Interest. Indien dat wel het geval was geweest, dan zou geen van die persoonlijkheden toch op dezelfde dag geboren zijn? Dan zou geen van die synoniemen, zeg maar, dezelfde voorkeuren hebben, dezelfde manieren, dezelfde levenshouding en dezelfde eigenschappen als Rik Harris. Terwijl dat net wel het geval was. Het geval wilde dat Rik Harris zelf de enige was die wist dat hij geen koffie dronk, geen eieren op zijn nuchtere maag lustte, een tweeling als kinderen had. Maar het pijnlijke was dat de rest van zijn omgeving dat niet leek te onthouden… omdat hij elke week of elke dag zelfs, iemand anders werd voor hen!

‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg Banks zich af.
Hij stond op. Het laatste wat hij deed, was de lijst afgaan. De ketting, de schakels met als enige rode draad: zijn eigen persoonlijkheid. De lijst met namen was twee jaar geleden begonnen met een zekere Dirg Gets en was momenteel opgelopen tot Banks Rover. Banks begreep er niets van, maar hij wist één ding. De hele wereld leek hem keer op keer te vergeten. Zijn persoonlijkheid verscheen elke dag als een laagje mist in de ochtend, maar tegen de middag was de mist opgetrokken en bleef er niets meer van over.
‘Er moet toch iemand zijn,’ zei Banks.
Tegen de middag had Banks al zijn afspraken met klanten afgezegd en had hij voor zichzelf een afspraak gemaakt met de interne psycholoog van Human Interest. Het ging om een kerel die Dr. Bliss heette en die instond voor de ultieme goedkeuring van de Persoonlijkheid Pakketten. Hij was ook de man die in crisissituaties, klachten of zelfs processen op het appel werd geroepen om het bedrijf te redden. Er waren immers altijd wel klanten die na inplanting van bijvoorbeeld een melancholische persoonlijkheid onbewust terug verlangden naar hun vorige persoonlijkheid. Een ingebouwde en ongewilde paradox of bug, zoals Dr. Bliss het noemde.
Banks moest niet wachten in de wachtkamer en liep onmiddellijk het kantoor van de psycholoog binnen. Een tiental minuten later had hij de hele vreemde zaak in geuren en kleuren uitgelegd.
‘Hm,’ besloot Dr. Bliss. ‘U hebt dus de indruk dat uw persoon dagelijks weer vanaf nul moet beginnen. U denkt dat u bij de mensen en uw omgeving niet blijft hangen?’
‘Ja, dat wist ik al langer dan vandaag,’ zei Banks. ‘Maar de laatste tijd is er nog iets bijgekomen.’
‘Ja?’
‘Ik weet het zelf ook allemaal niet meer. Ik heb het gevoel dat ik mezelf continu aanpas aan mijn omgeving, als een soort kameleon. Met andere woorden: als de mensen me Floyd noemen, ook al weet ik dat ik niet zo heet, ben ik geneigd daarin mee te gaan. Ik begin mijn eigen persoonlijkheid af te breken om mijn omgeving niet tegen de borst te stoten. Het wordt op de duur ook zo vermoeiend om alsmaar in herhaling te vallen, weet u, doc.’
‘Hm, ik begrijp het,’ zei Dr. Bliss. ‘Dit doet me eerlijk gezegd denken aan een heel eigenaardige zaak. Het was een éénmalig feit dat me altijd is bijgebleven en ik moet toegeven dat ik in de twintig jaar dat ik hier werk, nooit meer zoiets heb meegemaakt, meneer…? Sorry, ik ben uw naam vergeten.’
‘Ach, het maakt niet uit,’ zei Banks de schouders ophalend. ‘Welke zaak?’
‘Wel, ik herinner me een klant die de eerste reeks van Pépé’s wilde testen. We spreken over een tijd geleden toen het hele handeltje nog niet eens op de markt was en het materiaal nog allemaal moest worden uitgetest. Wij van Human Interest sprongen een gat in de lucht. De klant was heel tevreden en werd een van onze beste klanten tot hij een aantal jaren geleden het idee kreeg dat het allemaal niet genoeg was. Hij was ook verslaafd geraakt aan de Persoonlijkheid Pakketten en wilde méér.’
‘Meer?’
‘Ja, om de een of andere reden vond hij die verschillende persoonlijkheden te relatief en te soft. Hij wilde harder spul.’
Banks schoof onrustig en ongemakkelijk heen en weer op zijn stoel. Waar doelde de psycholoog op? Drugs? Hallucinaties?
‘Ik weet dat dit misschien heel onaards zal klinken, maar op dat moment kreeg ik van de directeur groen licht om behalve de Persoonlijkheid Pakketten, nog een andere divisie op te starten in dit bedrijf. Een geheim product, zeg maar, dat in dezelfde lijn lag, maar dat nog een stuk verder ging dan de gewone persoonlijkheid implantaties.’
Banks slikte. Hij was dit kantoor binnengestapt om meer te weten te komen over zijn eigen dolgedraaide persoonlijkheid, en kreeg te horen dat er een of ander mysterieus, belangrijk geheim experiment bij Human Interest werd uitgevoerd.
‘U moet begrijpen dat dit… experiment nooit het daglicht heeft gezien. Het is te zeggen: het is nooit naar buiten gebracht omdat het feitelijk nog steeds aan de gang is. Ziet u, in deze nieuwe divisie ging het niet om pakketten persoonlijkheden, maar om pakketten… zielen.’

Banks slikte nu niet meer. Hij verslikte zich. Dr. Bliss liet een portie gezuiverd water uit het plafond neerdalen en knikte naar Banks. Maar Banks stak weigerachtig een hand op.
‘Het gaat wel. Zielen, zei u?’
‘Ja. In wezen kwam het hierop neer: de klant kreeg geen verschillende persoonlijkheden, maar bood zichzelf aan als een soort van tussenstation tussen leven en dood. Mensen die waren gestorven werden als het ware opgeslagen in zijn of haar lichaam en geest, in afwachting van hun reïncarnatie naar een ander, nieuw geboren lichaam.’
‘Een tussenstation? Reïncarnatie?’
Banks had natuurlijk wel al gehoord over de verschillende vormen van religie en godsdienst, maar hijzelf hield er een vrij duidelijk geloof op na: hij geloofde namelijk in niets. Zelfs niet in reïncarnatie.
‘Dit is een grap, neen?’
‘Neen, waarom zou het een grap zijn? Ik zeg ook niet dat uw zaak een vorm van deze voorlopige reïncarntie inhoudt. Het kan evengoed iets anders zijn.’
Banks keek Dr. Bliss strak aan. Er was iets in de manier van praten en kijken dat hem aan het denken zette. Hij voelde de achterdocht in het kantoor. Hij vroeg zich af wat voor persoonlijkheid de psycholoog zelf had. Had hij een natuurlijke persoonlijkheid of droeg hij een pakket in zichzelf? Was hij getrouwd, hield hij van koffie of thee en huilde hij wel eens of was hij rationeel ingesteld? Banks kon het niet weten want hij kende de man niet echt goed, ook al wist hij dat Dr. Bliss bij Human Interest werkte.
Maar… er ging plots een kleine schok door hem heen! Toen hij zich naar het kantoor van Dr. Bliss had begeven, moest hij een digitale plattegrond raadplegen en de interne computer volgen om de weg te vinden. Bovendien kende hij niet eens de voornaam van Dr. Bliss, ook al hadden ze elkaar al een paar keer gezien in de kantine, op de parking van de shuttle en zelfs tijdens een of ander bedrijfsfeestje. Het werd langzaamaan zonneklaar: het was niet alleen Banks Rover die niet in dit bedrijf bleef hangen, ook Dr. Bliss, en wellicht ook de rest van de werknemers waren gedoemd om zich elke dag weer opnieuw bloot te geven en te bewijzen. Alsof ze elke dag weer opnieuw aan hun eerste werkdag begonnen.
‘Weet u,’ begon Banks Rover voorzichtig. ‘Ik denk niet dat ik veel over u weet, doc.’
‘Dat klopt,’ grijnsde Dr. Bliss. ‘En toch hebben wij elkaar al veel gesproken. Vreemd, he?’
Wat was er aan de hand bij Human Interest? Eén grote brainwash-operatie die ervoor zorgde dat de werknemers stuk voor stuk elke dag weer opnieuw genoodzaakt waren met een schone lei te beginnen en zodoende als een verse kracht, in hun eigen geest, aan de slag moesten gaan? Alsof ze letterlijk dagelijks werden vervangen door… nieuwe krachten. Of in dit geval: nieuwe… zielen?!
‘Ik denk dat u meer over deze zaak en mijn zaak weet dan u zelf wilt toegeven, nietwaar, doc?’
‘Dat kan best zijn. Het enige wat ik weet,’ gaf Dr. Bliss toe. ‘is dat u, evenmin als ik, weet of ik graag sport of niet, of ik rook of niet, of mijn ouders nog in leven zijn of niet, of ik jongens of meisjes als kinderen heb, of…’
‘Ja, ik snap het al,’ zei Banks Rover. ‘Of eerder: ik snap het niet. Waarom?’
Dr. Bliss zweeg en keek voor zich uit.
‘Wat is bedoeling van deze ziel-paketten? Het kan toch niet alleen een tekort aan ‘gastheren’ geweest zijn? Het kwam volgens mij Human Interest goed uit dat jullie die zielen in jullie werknemers konden laten logeren als het ware, nietwaar? Op die manier werden het dagelijks nieuwe recruten. Maar de keerzijde is dan natuurlijk wel dat de echte persoonlijkheid vervaagt tegen de achtergrond van die voortdurende veranderende zielen.’
Dr. Bliss bleef zwijgen. Hij stond op en liet Banks Rover buiten. Het enige waarmee hij deze sessie besloot was:
‘U hebt er goed aan gedaan dit… ongemak te melden, Rover.’
Banks Rover besefte toen al dat Dr. Bliss op zodanige persoonlijke voet was overgeschakeld dat hij hem bij zijn voornaam noemde. Banks Rover was al niet meer. Banks Rover was al verhuisd naar een definitief lichaam. De volgende ziel die in zijn lichaam kampeerde was Rover Ditter. Maar dat betekende dat…?
‘Ik was de klant die al die tijd geleden met de Persoonlijkheid Paketten begon, nietwaar, dokter?’
Dr. Bliss knikte zelfvoldaan.
‘Bestaat er een betere manier om producten aan de man te brengen door ze zelf uit te testen? Alleen zo weet je waarover je spreekt en hoe je die dingen kan verkopen.’
‘En dus was ik het ook,’ besloot Rover Ditter, ‘die bereid was mezelf open te stellen voor de bewaring, de tussentijdse bewaring van de gestorven zielen.’
‘Ja, maar je bent niet de enige meer, Rover. We zouden je allemaal heel dankbaar moeten zijn want je hebt de weg voor ons geopend. We hebben ons nu allemaal na verloop van tijd opengesteld voor zielen. Het is… verrijkend, nietwaar? Je zal merken als je werkelijk rondvraag doet en je collega’s probeert beter te leren kennen, dat ze al evenmin een persoonlijkheid hebben als jij. Je had het gewoon veel te druk om zelf op onderzoek te gaan. Je was ietsje te veel met jezelf bezig, Diller, om te merken dat iedereen hier bij Human Interest niets meer is dan een vaag omhulsel.’
Met dit slotakkoord dat nog een tijdje in het hoofd van Rover Diller bleef nazinderen, liet de psycholoog hem uit. Daarna ging Dr. Bliss weer achter zijn bureau zitten; hij dronk zelf het zuivere water uit het kopje dat hij voor de eerste, echte werknemer van Human Interest had besteld op en vroeg, via de videofoon, de directeur van de firma naar het voorplan:
‘Meneer? We zitten met een probleem.’
‘Is het het probleem dat we al verwacht hadden?’
‘Ja, ik vrees van wel. We hebben een code rood.’
‘Het is…hem, he?’
‘Ja.’
‘In welk stadium is hij beland?’
‘Hij zit in het stadium Rover Diller, meneer.’
‘Oké, Bliss. Je hebt er goed aan gedaan dit te melden. Ik zorg er wel voor dat deze zaak wordt opgelost.’
En op die manier werd Rover Diller later die dag naar de kantine geroepen voor zijn laatste kopje koffie –ook al kon hij dat zwarte spul nooit door zijn keel krijgen- alvorens hij in een magazijn in de kelder met een spuitje werd afgemaakt, als een zieke hond, en zodoende voorgoed het laatste restje persoonlijkheid verloor wat hem nog restte. Rover Diller was niet meer en werd nu zelf overgeplaatst naar een transferlichaam. En op de digitale verjaardagskalender kreeg de rest van de schakel of de ketting meteen een aangepaste geboortedatum.

© Bavo Dhooge

VOOR EEN STUKJE VAN JE HUID
• Eddy C. Bertin •

Wilfrid en Brian waren twee keiharde vrienden. Ze hadden samen school gelopen, en woonden in hetzelfde kleine gehucht vlak bij Greyhuysen. Wilfrid was slager en Brian werkte bij de post. Geen van de twee was getrouwd, ze bezochten liever samen de pub ‘s avonds om er vogelpik te spelen en grote pinten bier te hijsen. Ze hadden ook dezelfde passie: beide waren fervente jagers, en elk had boven zijn bed een groot jachtgeweer hangen, altijd keurig opgepoetst. In deze tijd van het jaar werden die geweren van de muur gehaald.
Brian was maar een gelegenheidsjager die meer gaten in de lucht schoot dan dat hij iets raakte, behalve soms een boom, want die kon niet opzij gaan. Maar Wilfrid was een echte fanaat. Zijn beroep deed daar natuurlijk iets aan, hij was gewend met dode dieren om te gaan. Hij bezat zelfs een kleine jachthut, vlakbij het een tiental mijlen verder gelegen bos. Natuurlijk was het wettelijk niet toegelaten in dat bos te jagen want dat hoorde toe aan een baron, en die man had zelfs een jachtopziener om stropers weg te jagen. Je kon in de gevangenis gegooid worden voor stropen in die tijd!
Maar Wilfrid kende de jachtopziener, en wist die altijd keurig te ontwijken. Hij reed met zijn fiets naar de jachthut, en verborg de fiets vlug binnen. En hij fietste vaak terug met een paar hazen of patrijzen, of soms zelfs groter wild. Dat vlees verkocht hij dan in het geheim in zijn winkel aan zijn beste klanten, die wel best eens een stukje wild wilden proeven.
Zo ook dat jaar. Wilfrid had al twee hazen buitgemaakt, en het begon al te schemeren. Hij was halfwege het bos en dacht eraan om terug te keren naar zijn hut. Op dat ogenblik kwam plots een mooie reebok tevoorschijn. De wind blaasde in Wilfrids richting en het dier had hem niet bespeurd.
Dadelijk bleef Wilfrid stokstijf staan. Wat een prachtig dier, dacht hij. Heel traag bracht hij zijn geweer omhoog en in aanslag. Over de metalen loop keek hij recht naar de reebok, en op dat ogenblik zag deze ook de jager. Het dier verstarde, en even keken de jager en de prooi elkaar in de ogen. De reebok had grote, zwarte ogen die Wilfrid star aankeken. Het was bijna alsof hij hem uitdaagde.
BANG !
Zonder een geluid viel het dier op de grond. Wilfrid dankte zijn gesternte voor zijn geluk, en sleepte het dier naar zijn hut. Het was een zwaar dier, hij zweette van het sjouwen. Maar intussen rekende hij al uit hoeveel profijt hij zou maken van al dat mooie vlees.
In de hut stak hij de haard aan, en vilde het dode dier. Het vlees deed hij keurig in zakken, en de huid hing hij te drogen aan een haak. Dan ging Wilfrid rustig slapen.
Maar halfwege de nacht werd hij wakker. Hij bleef roerloos liggen, en vroeg zich af wat hem had doen ontwaken. Een geluid...
Dan hoorde hij het opnieuw.
DRUP DRUP DRUP...
Ach, dacht hij, het is maar wat bloed dat van de huid druppelt. Niks om me zorgen over te maken.
PLOF.
Iets viel op de vloer. Verdomme, er is iemand in mijn hut, dacht hij. Wilfrid bleef roerloos liggen. Hij wilde niet laten merken dat hij wakker was. Een inbreker? Wat zou die hier willen stelen? Het vlees misschien, er schuilden regelmatig zwervers in het bos. Of misschien zijn geweer...
Dan hoorde hij nieuwe geluiden. SWISCH SWISCH... Schuifelende, vreemde geluiden over de houten plankenvloer, schuifelende NATTE geluiden. Ze kwamen dichterbij het bed.
Wilfrid grijnsde. Wie de insluiper ook was, die ging wat meemaken. Ik wacht tot hij vlak bij mij is, en dan grijp ik hem, dacht Wilfrid.
De soppende geluiden naderden, waren vlakbij het bed. Wilfrid spande zijn spieren en wilde rechtspringen... en kon niet bewegen.
Het was alsof hij helemaal verlamd was. Zijn hersens bevalen zijn spieren: spring recht! maar er gebeurde niets. Zijn lichaam gehoorzaamde niet. Het zweet brak Wilfrid uit. Hij kon alleen zijn ogen bewegen, maar het vuur in de haard was bijna helemaal uit en verspreidde slechts nog een heel vaag schijnsel in de kamer.
SWISCH SOP SPLATS
De geluiden waren bij het bed. Vanuit zijn ooghoeken zag Wilfrid een donkere massa die zich oprichtte, maar niets als een mens. Het was een slappe, vormloze massa die zich op het bed trok. De donkere gedaante duwde de dekens weg en kroop op het bed. Wilfrid voelde een kleverig harig gevoel op zijn tenen, dan zijn voeten en benen. Het kittelde een beetje maar voelde vooral nat en vies aan. De weeë geur van bloed drong ijn zijn neusgaten.
Het kleverige ding kroop hoger, over zijn buik en borst, en nog steeds kon Wilfrid zich niet bewegen. Dan, toen het vlak bij zijn gezicht kwam, zag hij wat het was.
De huid! Het was de afgestroopte, bloederige huid van de reebok!
De verlamming week, Wilfrid zwaaide met zijn armen en benen, maar de huid bedekte die al volledig. Wilfrid opende zijn mond en schreeuwde, en dan richtte de huid zich op en hij zag de kop van de reebok, met de lege holtes waar de ogen geweest waren, en het grote gat daartussen dat zijn kogel gemaakt had. De huid viel voorover en drong in zijn mond, verstikte hem.

Wilfrid schreeuwde en schreeuwde, en viel uit het bed. Hij bleef even verward liggen. Het daglicht viel door het raam naar binnen.
Wilfrid kreunde opgelucht. Een nachtmerrie, dacht hij, het was maar een nachtmerrie, maar wel eentje om nooit te vergeten.
Hij steunde op zijn handen en knieën en kroop naar de deur. Hij moest dringend frisse lucht hebben, in zijn neus stonk het naar bloed en het was alsof hij in zijn mond nog de vieze smaak van de huid voelde.
Hij stak zijn hand uit en duwde de deur open, en dan bleef hij roerloos zitten. Zijn hand... was geen hand meer. Het was een hoef, en zijn arm was een harige poot.
Ik ben behekst, dacht hij, ofwel droom ik nog. Hij wilde in zijn arm knijpen maar hij had geen vingers. Hij probeerde rechtop te gaan staan maar viel altijd terug op vier poten. Wilfrid wankelde naar buiten en knipperde tegen het felle morgenlicht.
Daar kwam een man aangewandeld. Brian, zijn vriend Brian! Natuurlijk, die kwam hem eens opzoeken om te zien hoe de jacht geweest was. Brian had zijn geweer losjes in zijn hand. Hij zag Wilfrid en bleef staan.
“Brian! Ik ben het! Help me!” riep Wilfrid. Dat wilde hij roepen, maar er kwam alleen een schor dierlijk geluid uit zijn keel.
Brian begon te glimlachen. “Nee maar, wat een kanjer,” riep hij.
Hij tilde zijn geweer op en legde aan. Heel even keek Wilfrid in doodsangst recht in het zwarte gat van de geweerloop.
BANG !

© Eddy C. Bertin