- NACHTMERRIE IN BODRUM
- CONVERGENTIE
- DE REGENS
- DE NACHT DAT DE DOOD TOESLOEG EN GEWOON KEIHARD DOORGING
- VROUW MET STAART ZOEKT MAN
- WITTE HANDSCHOENEN
- VERMIST
- NA DE CRASH
- DE MAN DIE IN DE TIJD KON REIZEN
- MEMOIRES VAN EEN CYBORG
- HET SPOOR BIJSTER
- CHALELE
- SMART WAS HET HART VAN ONS BESTAAN
- SLUIT ME ALSJEBLIEF EENS OP IN JE GEHEUGEN, ALSJEBLIEF?
- VOOR EEN STUKJE VAN JE HUID
NACHTMERRIE IN BODRUM
• Eddy C. Bertin •
Femke was met haar jonge zusje Jana en haar ouders
met vakantie op Bodrum. Een toeristenval maar ook een
leuke vissershaven in het Zuidwesten van Turkije aan
de Egeïsche Zee, onder Izmir. Zelfs zo dicht bij het
Griekse eilandje Kos dat je er met een overzetboot
heen kan.
Ze hadden het oude kasteel gezien dat over de zee
uitkijkt, en wandelden langs de haven, waar veel
mooie houten zeilboten aangemeerd lagen.
‘Heerlijk, ruik die zeelucht’, zei vader.
‘De herfst is toch ideaal voor een vakantie,
helemaal geen toeristen meer.’ Hij verzweeg
maar dat ze niet tijdens de zomermaanden konden gaan
omdat hij geen verlof kreeg op zijn werk.
‘Geen toeristen, zelfs geen mensen,’
zuchtte Femke. ‘Ik verveel me dood’, zei
Jana. Geen wonder, Bodrum was zowat uitgestorven. Ze
wandelden door de vele smalle straatjes met zoveel
leuke winkeltjes, die allemaal potdicht waren. Het
was alsof voor de Turken het winterseizoen al
begonnen was.
‘Komaan, we zijn schatrijk!’ zei moeder,
‘vader is net naar het wisselkantoor
geweest’
‘Voor honderd euro kreeg ik 120 miljoen Turkse
Lire! Nooit zoveel geld op zak gehad. Natuurlijk kost
een biertje wel drie miljoen hier.’
‘Geef mij maar een cola,’ zei Femke,
‘da’s maar twee miljoen’
‘Oké, we gaan iets drinken en iets eten,’
zei moeder. ‘Het is al na de middag, ik begin
honger te krijgen.’
Na wat zoeken vonden ze een visrestaurant dat zowaar
open was. Het terras bestond uit eenvoudige houten
tafeltjes en wat stoelen, die gewoon op het strand
stonden. Ze hadden een mooi zicht op de baai en
verder weg op het kasteel. De uitbater had een grote
zwarte snor en sprak gelukkig Engels.
‘De vis is vers gevangen,’ zei hij,
‘en heel goedkoop want er zijn bijna geen
toeristen meer.’ Ze kregen al dadelijk een
slaatje en een grote kom frieten. ‘Vis later,
eerst bakken,’ verduidelijkte de man.
‘Het water ziet er heerlijk uit,’ zei
Femke, ‘ik ga even pootje baden.’
‘Erg koud,’ zei de restaurantbaas.
Femke lachtte. ‘Ik heb geen schrik van de
kou.’
‘Toch oppassen. Niet diep gaan. Vorige week
nog, toerist uit Engeland, diep in water. Kou aan
hart. Verdronken, weggespoeld in zee.’
‘Zo ver ga ik niet hoor,’ zei Femke.
‘Pas toch maar op,’ zei moeder, ‘ik
heb gelezen dat hier soms grote kwallen dicht bij het
strand zijn.’
‘Geen nood, ik heb rubberen strandschoenen
aan!’
Femke liep het strand af, en dan voorzichtig het
water in. Brrr! Het was verdorie echt érg koud. Toch
ga ik nu niet terug, dacht ze, anders lacht Jana me
weer uit. Voetje voor voetje ging ze verder het water
in, hobbelend over de stenen onder water. Het kille
water kroop hoger, tot aan haar knieën, dan tot aan
haar billen. Eenmaal erin was het helemaal zo erg
koud niet meer.
Iets gleed zacht en koud langs haar linkervoet. Wat
wier of een plasticzak, dacht Femke. Ze keek
achterom. Het terrasje zag er plots heel ver weg uit.
Het koud ding kronkelde om haar voet en gaf een
plotse ruk, zodat Femke even struikelde. Ze keek naar
beneden, het water was vuil en grauw, ze zag alleen
iets wits rond haar voet. Iets dat harder aan haar
voet sleurde.
Femke gilde toen ze achterover viel in het water en
plots ondergedompeld werd in de ijzige koude.
Proestend kwam ze overeind maar het ding hield haar
vast, probeerde haar onder te trekken. Femke stak
beide handen onder water en voelde iets kouds dat
grimmig bewoog rond haar voet. Wat het ook was, het
leefde! Het probeerde haar mee te sleuren, de diepere
zee in.
Femke gaf een harde ruk en het ding liet haar los.
Gillend draaide ze zich om en rende uit het water. Ze
was haar ene strandschoen kwijt en de stenen waren
hard onder haar voeten.
‘Wat is er? Wat is er?’ Moeder in grote
paniek.
‘Iets greep me beet,’ huilde Femke,
‘het wilde niet loslaten.’
Vader keek naar haar voet. ‘Het is oké, je hebt
maar een paar schrammen,’ zei hij. ‘Kom,
ik wind mijn zakdoek om je voet, op één schoen kan je
niet lopen.’
‘Kwal,’ mompelde de uitbater, ‘soms
dicht bij strand. Gevaarlijk.’
‘Het doet geen pijn. Ik ben alleen erg
geschrokken,’ zei Femke.
De inmiddels gebakken vis smaakte heerlijk. Ze namen
een busje terug naar het hotel, met zo’n voet
in een zakdoek was wandelen wat moeilijk.
Maar ’s avonds begon Femke’s voet pijn te
doen. De schrammen waren felrood geworden en bloedden
zelfs een beetje. Femke’s vader ging naar de
receptie.
‘No, no doctor. Naar özel Bodrum hastanesi.
Poliklinik in Marsmabedi Straat. Heel de nacht
open.’
Gelukkig was er een taxistation naast het hotel. Een
behulpzame chauffeur bracht Femke en vader
onmiddellijk naar de polikliniek, en zei zelfs dat
hij op hen zou wachten tot ze klaar waren.
De dokter onderzocht Femke’s voet en keek dan
heel vreemd. ‘Geen kwal,’ zei hij tot
vader. ‘Dit hier zijn sporen van nagels.
Menselijke vingernagels!’
Een half uur later stonden Femke en haar vader op het
strand, met de politie. De restaurantuitbater
verscheen in paniek met een zaklamp, hij dacht dat
men zijn restaurant ging overvallen. Femke kreeg
grote rubberlaarzen aan en ging het donkere water in
om de politie te tonen waar ze aangevallen werd. De
politiemannen hadden sterke zaklampen en stokken met
haken, en ook grote laarzen. Dan wuifden ze Femke
weg: ‘Ga terug op strand nu!’ Maar Femke
keek om en zag hoe ze met hun stokken iets
vasthaakten dat net onder het water dreef, iets dat
groot en wit was. Ze sleepten het op het strand, dan
werd het weggevoerd in een ziekenwagen.
Een politieman kwam bij Femkes vader. ‘De
verdronken Engelse toerist,’ zei hij,
‘lag daar al meer dan een week. Zat vast in
zeewier, zo dicht bij het strand. Vissen hadden tong,
neus en ogen al opgevreten. Maar hij had dit in zijn
ene hand.’
Hij overhandigde Femkes rubberen strandschoen aan
haar vader.
© Eddy C. Bertin
CONVERGENTIE
• Frank Roger •
Wat een prachtige dag, dacht Sandra. Een blauwe
hemel, een licht briesje, en warm maar niet te heet.
Toen ze naar haar geparkeerde auto stapte met haar
aankopen leek een zonovergoten terras haar te wenken.
Ach, waarom ook niet? Ze dumpte haar zakken in de
koffer van haar auto en snelde terug naar het terras.
Ze bestelde een cappuccino en ging er gemakkelijk bij
zitten, genietend van de zon die haar gezicht
streelde en de vredige atmosfeer. Ze sloot haar ogen
voor enkele seconden, opende ze weer en liet haar
blik ronddwalen. Mensen reden af en aan, op weg naar
of van het winkelcentrum. Iedereen leek relaxed en
gelukkig, vele mensen hadden kinderen mee, en hun
schrille kreetjes en gelach vulden de lucht. Sandra
nipte van haar cappuccino en dacht: Ik zou hier
voorgoed kunnen blijven zitten. Waarom weggaan? Dit
is perfect! Het geluid van krijsende banden verbrak
de betovering. Ze fronste het voorhoofd, en zag hoe
een rode Mercedes nog net een aanrijding kon
vermijden met een witte Toyota die van de
parkeerplaats wilde wegrijden. De twee chauffeurs
maakten heftige gebaren en gaven elkaar de schuld van
het bijna-ongeluk. Blijkbaar wisten ze het dispuut te
regelen, want de Toyota reed weg en de Mercedes nam
zijn plaats in. Sandra schudde het hoofd. Hoe konden
mensen zich zo gedragen? Ze wilde haar cappuccino
uitdrinken, maar tot haar verbazing bleek er een cola
op de tafel voor haar te staan. Had iemand haar
drankje verwisseld met een cola zonder dat ze het
gemerkt had? Dat leek weinig waarschijnlijk. Ze keek
om zich heen, en merkte dat iedereen op het terras
cola aan het drinken was. Dat was vreemd. Had die
gozer met zijn dreadlocks, die daar zijn krant zat te
lezen, geen biertje gehad? En had ze de ober enkele
minuten geleden geen twee koffies zien brengen voor
dat zwarte koppel? Nu hadden ze ook allemaal een cola
voor zich, en dat leek hen niet te verontrusten. Ze
nam even haar eigen cola beet, als om te controleren
of die wel echt was. Hij was wel degelijk heel echt.
Haar cappuccino was verdwenen. Wat was hier aan de
hand? Ze richtte haar aandacht weer naar de
parkeerplaats, staarde naar de Mercedes die de goede
sfeer had verbroken. Wacht even, was dat geen rood
model geweest? Nu was die wit. Maar auto’s
veranderden niet zomaar van kleur. Was het een andere
auto? Hij leek precies op de rode, behalve de kleur.
En niemand parkeerde zijn auto hier voor een paar
seconden. Speelden haar ogen haar misschien parten?
Of had een flauwe grappenmaker hier een practical
joke van enorme proporties opgezet? Ze bestudeerde de
parkeerplaats wat aandachtiger, en merkte dat er
opvallend veel witte en grijze auto’s stonden.
Was dit enkele minuten geleden ook al zo geweest? Of
waren alle auto’s in felle kleuren weggereden
en vervangen door witte en grijze? Dat leek niet erg
waarschijnlijk. Ze bekeek de auto’s
nauwkeuriger. Wat was dat? De blauwe Volvo naast die
Mercedes was plots grijs geworden. Ze had hem niet
echt van kleur zien veranderen, maar het was beslist
dezelfde auto, daar bestond geen twijfel over. Dit
kan gewoon niet, dacht ze. Dit is volslagen
onmogelijk. Dit is pure waanzin. Zou ze de mensen op
het terras moeten zeggen wat ze ontdekt had? Ze keek
om haar heen, merkte dat het zwarte koppel en de man
met de dreadlocks er niet meer waren. Dat was vreemd,
ze had in die paar ogenblikken niemand zien weggaan.
Een man zat zijn krant te lezen waar die knul met
zijn dreadlocks had gezeten. Hij vertoonde trouwens
een frappante gelijkenis met die andere kerel, of was
het zijn vroegere zelf? Het zwarte koppel was
vervangen door een blank, tenzij ook die mensen plots
hun kleur hadden verloren. Hé, was dit een patroon?
Was alles zomaar aan het veranderen, terwijl zij hier
zat te kijken? Eerst de auto’s, en nu de
mensen? Werden sommige kenmerken uitgewist en
vervangen door meer gebruikelijke? Maar dat was
belachelijk! Ze schudde het hoofd, sloot haar ogen
voor enkele seconden. Wat was hier aan de hand? Dit
kon geen practical joke zijn. Maar er moest wel een
verklaring voor bestaan. Was ze aan het hallucineren,
was ze gek aan het worden? Had iemand een bepaalde
substantie in haar cappuccino gedaan? Of in haar
cola? Ze kwam overeind en wandelde rond op de
parkeerplaats, in gedachten bijhoudend waar er rode
en blauwe auto’s geparkeerd stonden. Een zwarte
Mercedes, een rode Honda, een donkerblauwe Audi. Ze
lette op kleine details, noteerde zelfs nummerplaten,
zodat ze de auto’s straks nog zou herkennen.
Als hier inderdaad iets vreemds en onverklaarbaars
gebeurde, dan moest ze er absoluut zeker van zijn
voor ze het aan anderen ging vertellen. Maar bij wie
kon ze gaan aankloppen? De mensen op het terras? Ze
kende niemand van hen. De politie? Kon ze dit
krankzinnige verhaal aan de politie vertellen zonder
te worden gek verklaard? Ze kon misschien enkele
vriendinnen bellen, of haar moeder. Ze wandelde terug
naar de plaatsen waar de gekleurde auto’s
hadden gestaan, en merkte dat de Mercedes nu grijs
was. De nummerplaat was nog onveranderd, dus moest
het om dezelfde auto gaan. De Honda bleek nog altijd
rood te zijn, maar de Audi was wit geworden. Wat dit
ook was, het werd erger en het ging snel. Ze moest
iets doen. Plots kreeg ze een idee. Was alles wel in
orde met haar eigen auto? Ze haastte zich terug naar
waar ze haar blauwe Datsun had geparkeerd, maar kon
die niet direct vinden. Er stonden vier witte
auto’s van dat type, maar geen van de
nummerplaten kwam overeen met die van haar. Verdomme!
Dit kon niet waar zijn. Ze balde haar handen tot
vuisten en vloekte, boos omdat ze haar eigen auto
niet meer kon herkennen. Ze probeerde haar sleutel op
alle Datsuns die ze opmerkte, maar zonder succes.
Haar auto was verdwenen, of was op mysterieuze wijze
veranderd. Maar waarom was haar sleutel dan niet mee
veranderd? Ze leek de enige te zijn met een
autoprobleem. Alle anderen gedroegen zich zoals
gebruikelijk, zonder enig spoor van bezorgdheid. Wat
was hier verdomme aan de hand? Ze nam haar telefoon
en belde haar moeder, maar die nam niet op. Misschien
was ze weer in slaap gesukkeld, of was ze haar
toestel vergeten meenemen. Haar bejaarde moeder was
nooit gewoon geraakt aan “al die nieuwe
technologie”. Ze belde enkele vriendinnen, maar
met beperkt succes. De enige die ze aan de lijn kreeg
was Lynn, die zoals gebruikelijk non-stop praatte
over van alles, maar ze kreeg geen kans om het
probleem aan te snijden of vragen te stellen.
“Ik bel je nog terug,” zei Lynn, en dat
was het. Hier was ze dan, alleen in een dolgedraaide
wereld, zonder haar auto en haar aankopen, wanhopig
zoekend naar een uitweg. Ze wandelde terug naar het
terras en bleef staan toen ze getroffen werd door een
vreemd gevoel. Er was iets niet normaal aan al die
mensen, maar ze kon niet direct zeggen wat. Ze
bestudeerde de mannen en vrouwen die daar zaten,
allen met een cola. Plots daagde het haar. Geen
enkele van deze mensen was in enig opzicht opvallend.
Het was geen typische verzameling mensen die je op
een terras of waar dan ook zou aantreffen. Er waren
geen zwarten, geen types met dreadlocks, niemand met
kleurige kleren, niets dat ook maar in de ruimste
betekenis van het woord “opvallend” was.
Deze mensen leken allemaal opmerkelijk normaal en
trokken goed op elkaar. En zij was de enige persoon
hier die blijkbaar verveeld zat met die situatie. Het
is net zoals met die auto’s die grijs en wit
worden, besefte ze. Ook de mensen werden
“kleurloos”, iedereen werd beroofd van de
kenmerken die hem deden opvallen. Alles en iedereen
werd herleid tot zijn grootste gemene deler. Drankjes
werden cola, rode auto’s wit, dreadlocks
veranderden in een normaal kapsel. Er was sprake van
een duidelijk patroon, ook al was het complete onzin.
Zoiets gebeurde nu eenmaal niet, kon ook niet
gebeuren. Maar toch gebeurde het, en zij zat er
middenin. En om een of andere vreemde reden had het
verschijnsel gelukkig geen vat op haar. Ik moet terug
thuis zien te raken, besloot ze. Per taxi, met
auto-stop, hoe dan ook. Thuis zal ik tot rust kunnen
komen, mijn situatie bekijken en beslissen wat ik
eraan kan doen. Het is zinloos om hier te proberen
mijn auto terug te vinden, of om tegen deze mensen te
praten. Ze zijn eerder een onderdeel van het probleem
dan de oplossing ervan. Ik moet hier weg. Gelukkig
duurde het niet lang voor ze een taxi vond. Het was
een grijze auto, wat haar niet langer verwonderde.
Daar gaf ze nu niet meer om, ze zou al blij zijn als
ze veilig thuis raakte. Terwijl ze onderweg waren
vroeg ze aan de chauffeur: “Heb je soms
toevallig het nieuws gehoord? Is er niets gebeurd?
Iets dat buiten het gebruikelijke valt?” De man
schudde het hoofd. “Alleen maar de gewone
toestanden. Niets dat me is bijgebleven.” Hij
was niet erg spraakzaam en beperkte zich tot
“Ja“ en “Nee” toen ze nog
enkele vragen stelde, dus gaf ze het maar op. Ze
staarde wat uit het raampje, en bestudeerde wat ze
zag op straat. Het meeste bevestigde haar vrees dat
de wereld een verschrikkelijke transformatie aan het
doormaken was. Het waren niet zozeer de auto’s
die haar beangstigden. Toegegeven, er vielen geen
gekleurde auto’s meer te bespeuren in het
verkeer, voornamelijk witte en een enkele grijze. Zou
zelfs de “kleur” grijs verdwijnen uit het
straatbeeld, en wit als enige
“overlevende” van het veelkleurige
verleden blijven? Het waren vooral de mannen en
vrouwen die haar met vrees vervulden, een vrees die
veel dieper ging. Het was niet gewoon zo dat speciale
of typische kenmerken weggefilterd werden. Het proces
was al verder gevorderd. De mensen op het trottoir
leken nu allemaal op elkaar, droegen dezelfde kleren,
ontdaan van felle kleuren, en tot haar ontzetting
hadden ze allen uitdrukkingsloze gezichten. Het meest
angstaanjagende was dat iedereen
“hetzelfde” gezicht leek te hebben, het
soort gezicht dat zo “gewoon” was dat het
in een mensenmassa onopgemerkt bleef, dat nauwelijks
te beschrijven viel omdat het zich in geen enkel
opzicht onderscheidde van de rest. De mensen die ze
zag waren niet langer individuen, maar anonieme
elementen van een menigte, en niemand leek verontrust
door de transformatie die zich had voorgedaan of was
er zich zelfs maar van bewust. Iedereen leek best
tevreden en zorgeloos. Er was enkel nog een verschil
tussen mannen en vrouwen. Ze hoopte maar dat dit
verschil niet ook ging verdwijnen. Ze sidderde toen
ze dacht aan wat deze ontstellende evolutie kon
hebben veroorzaakt, wat de gevolgen ervan zouden zijn
en hoe het zou aflopen. Ze vroeg zich ook af waarom
zij er niet door aangetast leek, hoewel ze het
waardeerde een uitzondering te zijn. De weinige
agenten die ze zag op straat waren net zoals de
anderen. Ze hadden dezelfde verandering ondergaan, en
leken even anoniem en vaag tevreden als de rest. Het
had duidelijk geen zin om de politie te bellen om
hulp. Ze was opgelucht toen de taxi halt hield voor
het appartementsgebouw waar ze woonde. Ze betaalde de
chauffeur en haastte zich naar het veilige
toevluchtsoord van haar flatje, waar ze direct de TV
aanzette. Er moesten gewoon extra nieuwsbulletins
zijn, gewijd aan het spectaculaire verschijnsel dat
anderen ongetwijfeld ook hadden opgemerkt. CNN had
zoals gebruikelijk de aandacht toegespitst op
buitenlandse thema’s, en de nieuwsberichten
onderaan het scherm vermeldden niets bijzonders. Wat
haar het meest trof was het gezicht van de
nieuwslezer, dat in schrikwekkende mate leek op wat
zo alomtegenwoordig was op straat. Betekende dit dat
het verschijnsel al de hele natie had getroffen, of
misschien zelfs de hele wereld? En wat betekende dit
voor haar? Was zij de enige persoon die aan de
transformatie was ontsnapt? En in dat geval, waarom
was zij daarvoor uitgekozen? Ze schakelde over naar
enkele andere stations, maar ook daar bleken geen
extra nieuwsbulletins te zijn. Ze probeerde een paar
buitenlandse TV-zenders, in de hoop dat het
verschijnsel zich nog niet tot in alle uithoeken van
de wereld had verspreid, maar jammer genoeg kon ze
die vreemde talen niet begrijpen, en als er al
programma’s gewijd waren aan deze
transformatie, dan ontging de informatie haar. Ze
bleef maar willekeurig van kanaal veranderen, in de
hoop toevallig op iets te stuiten dat interessant of
informatief kon zijn. Ze zag fragmenten van allerlei
programma’s, films, feuilletons,
muziekvideo’s en reclamespotjes, tot ze plots
middenin een interview belandde dat haar aandacht
trok. Een man met wit haar en een bril, een
archetypische universiteitsprofessor, zei net:
“…het is duidelijk dat hier een kritisch
punt is bereikt, waar individualisering en
diversificatie tot hun eindpunt zijn gevoerd, en de
slinger zal onvermijdelijk terug
zwaaien…” Ze ging rechtop zitten en
verhoogde het volume wat, maar het gezicht van de
professor was al vervangen door een reclamespotje, en
toen veranderde ze per ongeluk weer van kanaal en
kwam middenin een western terecht. Ze probeerde terug
te keren naar dat vorige TV-station, maar dat lukte
haar niet. Ofwel was dat programma afgelopen, ofwel
kon ze het station niet meer vinden. Het was trouwens
moeilijk om de verschillende stations van elkaar te
onderscheiden. Alle beelden leken in elkaar over te
lopen, en dezelfde gezichten schenen overal op te
duiken. Was dit alweer een bevestiging van haar
theorie, of werd ze gewoon te moe? Ze keek nog enkele
minuten, vond toen niets meer van belang en schakelde
de TV uit. Ze dacht na over dat ene zinnetje dat haar
aandacht had getrokken. Had het een aanwijzing bevat?
Natuurlijk wist ze niet waaraan dat programma was
gewijd, en over welk onderwerp die man had gesproken.
Misschien had hij zitten uitweiden over iets dat
niets te maken had met wat zij gezien had, en had ze
enkel maar het verband gelegd omdat ze zo wanhopig
was om een uitleg te vinden voor de waanzin die haar
wereld overspoelde. Ze leunde achterover, trachtte
zich te concentreren en hard na te denken. Stel nu
even dat die professor inderdaad commentaar had
verstrekt bij het probleem in kwestie. Als ze dat
zinnetje correct had begrepen, zou dat betekenen dat
de mensheid zijn hoogst mogelijke graad van
individualisering had bereikt, en dat de wereld nu de
evolutie terugdraaide in een poging om het evenwicht
te herstellen, door het uitvlakken van alle
verschillen om zo weer tot een “normale”
toestand te komen. Dat was uiteraard een volslagen
absurde en bespottelijke uitleg. Enkel een
pseudowetenschapper kon met dergelijke onzin op de
proppen komen. Misschien had ze het zinnetje dus toch
verkeerd begrepen, omdat ze de context niet kende
waarin het was uitgesproken. Voor zover ze wist kon
het een komisch programma geweest zijn, een satirisch
“nieuwsbulletin” of misschien zelfs een
reclamespotje. Aan de andere kant was de
werkelijkheid die ze gezien had even absurd en
bespottelijk als de “uitleg” van die man.
Stel nu even dat de wereld inderdaad trachtte de
“scheefgetrokken” situatie op een erg
kosmische manier te herstellen, door het weefsel van
het heelal zelf te herkneden. Waarom was zij er dan
immuun voor? Was ze minder
“individualistisch” dan de anderen en
hoefde ze daarom niet te worden
“aangepast”? Of zou haar beurt nog komen,
werkte dit proces in vlagen eerder dan in één klap?
Ik kan wel een koffie gebruiken, dacht ze, om mijn
geest weer helder te krijgen. In de keuken kon ze
geen voorraad koffie meer vinden, en haar
koffiezetautomaat al evenmin. Er stond wel een enorme
voorraad flessen cola, wat ze nooit kocht. Ze had een
hekel aan die frisdrankjes. Hoe was al dat spul hier
gekomen? Ze verliet de keuken met een vertroebelde
geest. Om haar gedachten beter te kunnen ordenen nam
ze een pen en een notitieboekje en begon haar ideeën
en vaststellingen neer te schrijven. Ze had twee
bladzijden vol gekrabbeld toen ze haar pen neerlegde
en naar het toilet ging. Terwijl ze haar handen waste
keek ze in de spiegel en staarde verbijsterd naar wat
ze zag. Was zij dat in de spiegel? Zo’n kapsel
had ze nog nooit gehad. En dat grijze T-shirt, zoiets
had ze nooit gedragen. Ongetwijfeld was haar hele
garderobe “vergrijsd”. En haar gezicht!
Lieve hemel, wat was er met haar gezicht gebeurd? Was
dat niet hetzelfde gezicht dat ze overal had gezien?
Wat was hier verdomme aan de hand? Hoe kon alles zo
veranderen, terwijl ze diep binnenin zichzelf bleef?
Terwijl ze haar spiegelbeeld bekeek begon het
shockeffect weg te ebben. Dat T-shirt viel eigenlijk
nog best mee. En haar kapsel was ook in orde. Een
overweldigende gemoedsrust vervulde haar, alle
gevoelens van vrees en bezorgdheid verjagend. Ze
droogde haar handen, wierp een laatste blik in de
spiegel en keerde terug naar de woonkamer. Wat had
haar zo dwars gezeten, enkele seconden geleden nog?
Ze kon het zich niet meer herinneren, maar dat was
niet zo erg. Als ze het zo snel vergat, kon het
onmogelijk van groot belang geweest zijn. Ze liep
naar de keuken, schonk een groot glas cola uit en
dronk het met enkele slokken leeg. Toen schonk ze het
glas nog eens vol en nam het mee naar de woonkamer.
Op de tafel zag ze een pen en een notitieboekje,
volgeschreven met nauwelijks leesbare woorden. Wat
lag dat hier te doen? Ze greep het notitieboekje,
scheurde de bladzijden gevuld met gekrabbeld
handschrift eruit en wierp ze in de prullenmand. Toen
nam ze haar telefoon om enkele vriendinnen te bellen.
Terwijl ze wachtte tot Lynn opnam nipte ze van haar
cola en keek ze naar buiten. Wat een prachtige dag,
dacht ze. Een grijze hemel, een licht briesje, en
warm maar niet te heet. Alles was perfect, wat kon je
nog meer wensen? Toen hoorde ze de stem van Lynn en
al spoedig waren ze in een fijn gesprek
verwikkeld.
© Frank Roger http://www.frankroger.be
DE REGENS
• Frank Roger •
“Deze vlottenstructuur zal het niet lang meer uithouden,” zei Jean-Marie terwijl hij enkele dringende herstellingen aan het uitvoeren was. “De wind en de golven rukken die sneller uiteen dan wij de schade kunnen herstellen.”
“Het is een mirakel dat we nog altijd in leven
zijn,” riep François terug, gehurkt aan de rand
van het “visgat” in het midden van het
drijvende dorp.
“Dat zeg je nu al iedere dag, zover als mijn
geheugen teruggaat,” antwoordde Jean-Marie,
grinnikend.
“Ik neem aan dat je geheugen maar enkele dagen
teruggaat. Herinner je je nog de tijd voor de regens?
Het leven op het vasteland? Doet dat nog een belletje
rinkelen?”
“Ik heb geen flauw idee waarover je het
hebt,” gaf François toe, en proestte het uit.
Toen hij iets onder het vlot zag doorzwemmen haalde
hij uit met zijn rudimentaire speer, maar miste.
“Daar gaat onze lunch,” weeklaagde hij.
“Ik ben jullie zwarte humor kotsbeu,”
riep Rebecca vanuit het opgekalefaterde restant van
een gammele reddingssloep die als slaapkamer
fungeerde. Ze was al enkele dagen ziek en raakte snel
geïrriteerd.
“Het is onze manier om de dag door te
komen,” repliceerde Jean-Marie. “Of dacht
je dat wij deze levensomstandigheden leuk
vinden?”
“Begin nu niet weer te ruziën,” kwam
François tussenbeide. “Laten we de handen uit
de mouwen steken. Vang vis, voer herstellingen uit,
doe iets nuttigs.”
“Het regent niet meer,” merkte Rebecca
op. Ze keek omhoog naar de donkergrijze hemel.
“Misschien krijgen we voor het eerst wat
zonneschijn sinds… wel, hoe lang geleden al?
Misschien begint het waterpeil te zakken. Misschien
vinden we het vasteland.”
“Laat die misschiens maar vallen en stop met
dromen,” zei François. “De regen is onze
enige bron van drinkwater. We hebben in geen eeuwen
nog het vasteland gezien, en misschien zien we het
nooit meer. En wat het waterpeil betreft… het
lijkt wel of de hele wereld onder water staat. Wie
weet moeten we de rest van ons leven doorbrengen op
deze schamele verzameling vlotten, scheepswrakken en
rommel die we een drijvend dorp noemen.”
“Probeer je me een beetje hoop te geven?”
vroeg ze, op het punt in tranen uit te barsten.
“Ik tracht alleen maar de werkelijkheid onder
ogen te zien,” legde hij uit. “Is het
mijn schuld dat we nu al wekenlang stortregens over
ons hebben gekregen?”
Hij schudde het hoofd, en herinneringen kwamen
teruggevloeid. De eindeloze regens hadden alles
weggespoeld, een einde gemaakt aan het normale leven,
en de meeste schepsels die op het land leefden
gedood, wellicht met inbegrip van de mensheid. Een
handvol zielen die zich, net zoals zij, vastklampten
aan het leven op een krikkemikkig samenraapsel van
vlotten, waren misschien de enige overlevenden. En
als ze niet snel ergens aanspoelden, als er nog een
kust bestond, dan zou het ook voor hen voorbij zijn.
Een beetje sarcasme hielp om de moed erin te
houden…
“Het was echt niet nodig me daaraan te
herinneren,” antwoordde ze.
“Het spijt me. Het zal niet meer gebeuren.
Misschien schaffen we de vrije meningsuiting maar
beter af, ja?”
“Hou op met dat gekibbel en kijk eens naar die
boot aan onze linkerkant,” zei Pedro van aan de
andere zijde van het dorp. Ze staarden allemaal die
richting uit en hun mond viel open van verbazing.
Een gigantische olietanker passeerde hen. Vanuit hun
positie was het niet mogelijk te bepalen of er mensen
aan boord waren. Was het schip bewoond door een groot
aantal overlevenden die de tanker hadden omgevormd
tot een drijvende stad, hadden ze misschien een soort
georganiseerde maatschappij in ere hersteld op de
dekken van hun nieuwe wereld? Of was dit maar een
spookschip, op drift zonder enige bestemming? Ze
zouden het nooit te weten komen en staarden naar de
hoog optorenende structuur tot die weer achter de
horizon verdwenen was. Het was de eerste maal dat ze
een schip van die omvang gezien hadden dat nog
zeewaardig was.
Later op de dag ving François twee vissen, nauwelijks
genoeg voedsel voor de elf mannen en vrouwen die in
het drijvende dorp woonden – ook al hadden
Rebecca en Jocelyne, Pedro’s vrouw, geen
honger. Jean-Marie mopperde dat ze nu al te lang
rauwe vis geserveerd kregen, en dat er dringend meer
variatie op het menu moest. De meeste dorpelingen
waren te moe en te hongerig om te lachen, en Rebecca
schudde alleen maar het hoofd.
Het begon weer te regenen, en terwijl de mannen met
dekdienst hun voorraad drinkwater aanvulden gingen de
anderen schuilen. Het bleef de hele avond en nacht
maar neerplenzen, en ze vroegen zich zoals altijd af
wat de volgende dag zou brengen. Nog meer regen, een
karige portie rauwe vis, weer een dag aan boord van
een vlottenstructuur die dreigde uiteen te vallen.
Waren er elders overlevenden die misschien meer
succes gekend hadden dan zij?
De volgende dag begon zeer traditioneel. De stortbui
was geslonken tot een druilregen, de zon ging schuil
achter een donkergrijs wolkendek, en het drijvende
dorp was het enige element dat de eindeloze
watervlakte die hen omringde doorbrak. Gelukkig
hadden ze voldoende drinkwater, en Pedro en Abdel
wisten enkele grote vissen te vangen – eens te
meer zou het menu enkel vis bieden.
Rond de middag verraste Jean-Marie zijn dorpsgenoten
met de kreet: “Vasteland in zicht!
Vasteland!”
“Probeer jij soms grappig te zijn?” vroeg
François.
“Ben je aan het hallucineren of verlies je
gewoon je verstand?” voegde Pedro eraan toe.
“Vasteland!” herhaalde Jean-Marie alleen
maar. “Recht voor ons uit! Ik kan het
nauwelijks geloven, maar toch is het zo. We zijn
gered!”
De voltallige dorpsbevolking, met inbegrip van de
zieken, kwam kijken naar de verbazingwekkende en
onwaarschijnlijke ontdekking van Jean-Marie. Toen ze
allen met eigen ogen konden zien dat ze inderdaad
afstevenden op het vasteland, barstten ze uit in
gejuich en onbedaard gelach. Mannen en vrouwen vielen
elkaar in de armen, knuffelden en kusten elkaar, en
er ontstond zelfs een echte feeststemming.
“Welk land zou dat kunnen zijn?” vroeg
Pedro.
“Het kan niet anders dan de flank van de Mount
Everest zijn,” antwoordde François.
“Nederland is het in ieder geval niet,”
bevestigde Abdel.
“Het speelt geen rol waar we aanspoelen, zolang
we dit verdomde drijvende dorp maar kunnen verlaten
voor het uiteen valt. Ik kan niet wachten om voet aan
land te zetten,” zei Jocelyne, enthousiast
ondanks haar ziekte.
“Jammer dat we van hier geen details kunnen
zien,” merkte Jean-Marie op. “We hebben
geen idee waar we zullen terechtkomen.”
“Hij heeft gelijk,” zei Abdel.
“Misschien zal dat land volslagen onherbergzaam
blijken. Zouden we niet beter wachten om te feesten
tot we weten dat we in een veilige omgeving
belanden?”
Toen ze dichterbij kwamen zagen ze vormen bewegen op
het strand. Kon dit het welkomstcomité zijn?
“Andere overlevenden?” vroeg Pedro zich
af.
“Luister eens,” zei Rebecca.
“Dat zijn geen menselijke stemmen,”
concludeerde Abdel. “En kijk eens naar al dat
wrakhout waarmee het strand bezaaid ligt.”
“Hier is iets niet pluis,” zei
Jean-Marie. In zijn stem klonk diepe bezorgdheid
door. “Laten we terugkeren.”
“Er is geen terugkeer mogelijk,”
antwoordde François. “Per slot van rekening is
dit dorp niet meer dan een losse hoop drijfhout. We
gaan waar de stroming ons heenvoert.”
“We zullen terechtkomen waar zo te zien vele
andere overlevenden zijn aangespoeld,” stelde
Pedro op kalme toon. “Kijk maar eens naar al
dat afval. Het is wat er rest van de schepen en de
vlotten van onze voorgangers. De stroming voert
blijkbaar iedereen hierheen.”
“En die schepsels weten dat, en ze wachten ons
op,” vulde Abdel aan. “Wat zijn dat
eigenlijk? Wolven? Wilde honden?”
“Ik weet niet wat het zijn, maar ze hebben
duidelijk honger.”
“En ze weten dat er een nieuwe voorraad vlees
aankomt.”
Het geblaf en gehuil van de meute uitgehongerde
roofdieren was nu oorverdovend. Binnen enkele
ogenblikken zou de vlottenstructuur aanspoelen op de
kust, waar ze zo reikhalzend naar uitgekeken hadden.
Jammer genoeg zouden ze niet lang kunnen genieten van
hun verblijf op het strand.
“Het vasteland,” fluisterde Jean-Marie.
“Eindelijk vinden we dan het
vasteland…”
“…en dan blijkt het net lunchpauze te
zijn,” ging François verder.
Ze kregen niet de kans om daar nog iets aan toe te
voegen.
© Frank Roger
www.frankroger.be
DE NACHT DAT DE DOOD TOESLOEG EN GEWOON KEIHARD
DOORGING
• Frank Roger •
Inspecteur Bonham fronste het voorhoofd toen hij zijn
telefoon hoorde rinkelen, en hij nam de hoorn op met
de zekerheid dat er slecht nieuws aankwam.
"Inspecteur?"
"Ja," zei hij, met een stem waarin berusting
doorklonk.
"Ik vrees dat we er nog eentje gevonden hebben,
ditmaal in Cromwell Street. Als u zo snel mogelijk
hierheen wil komen?"
"Ik kom onmiddellijk. Is dit weer zo'n, hoe zal ik
het zeggen, bijzonder geval?"
"Nee, Inspecteur, dit lijkt een eerder onschuldig
geval te zijn. Hij strompelt maar wat rond en jaagt
toevallig voorbijkomende kinderen en bejaarden de
stuipen op het lijf. Ik neem aan dat hij binnen
enkele minuten in elkaar zakt voor hij kans gezien
heeft om voor ernstige problemen te zorgen. Maar we
hebben in ieder geval een ploeg nodig om alles op te
ruimen."
"Natuurlijk," zei inspecteur Bonham. "We komen eraan.
Hou een oogje in het zeil."
Al spoedig waren ze onderweg naar de plaats van de
misdaad. Toch jammer dat een dergelijk incident moet
gebeuren in een keurig deel van de stad als Cromwell
Street, dacht Bonham toen ze door het nachtelijke
stadslandschap scheurden. De drie leden van de
"opruimings"-ploeg zwegen, zodat hij zijn gedachten
de vrije loop kon laten. Hij was getraind om de
confrontatie aan te gaan met alle soorten
misdadigers, zelfs het ergste type van
seriemoordenaars, maar niets had hem voorbereid op de
weerzinwekkende gruwel die dit stadje de laatste
weken had geteisterd.De eerste maal dat iemand de
term "serie-reanimator" had gebruikt had hij dit idee
vol minachting weggelachen, nog steeds overtuigd van
het feit dat ze hier te maken hadden met een
grappenmaker behept met een ziekelijk gevoel voor
humor. Maar de lijkschouwingen hadden geen ruimte
voor twijfel gelaten: alle slachtoffers waren onlangs
overleden personen, van wie de dood officieel was
geregistreerd, en die via een of andere onpeilbare
methode weer tot leven waren gewekt en losgelaten op
een niets vermoedende wereld, tot men zich over hen
ontfermde, of, zoals vaak het geval was, tot ze ineen
zegen.
De meeste van de weer tot leven gewekte lijken waren
eerder onschuldig geweest, maar de aanblik ervan was
voor vele voorbijgangers te veel gebleken. Sommigen
waren flauwgevallen, of waren misselijk geworden bij
het zien van een weer tot leven gewekte man die op
straat rondhobbelde, met verteerde vingers om zich
heen tastte, onduidelijke geluiden gromde,
schaamteloos pronkte met zijn misvormde en
rondbengelende lichaamsdelen, en een spoor achterliet
van verrot vlees, gestold bloed en verschrompelde
organen. Ze werden allen zonder onderscheid gedreven
door de drang die hen bezeten had voor hun dood.
Sommige van de "gereanimeerden" waren er slecht aan
toe geweest, ten gevolge van rigor mortis of
voortschrijdende ontbinding, en waren al snel door
hun knieën gezakt en hadden liggen stuiptrekken tot
ze "opgeruimd" werden en herbegraven.
Er waren echter een paar vervelende gevallen geweest.
Bonham kon zich nog levendig het hoertje herinneren,
dat gedood was door een klant die haar niet had
kunnen betalen. Nadat ze weer tot leven gewekt was
ging ze weer koortsachtig op zoek naar nieuwe
klanten, en stortte haar verminkte lichaam op
jongemannen die haar pad kruisten, waarbij ze hen
iedere zin in sex ontnam voor tenminste een paar
maanden. Toen de opruimingsploeg uiteindelijk op het
toneel verscheen had ze zicht juist op een
pizzabesteller geslingerd, en dit met zo'n kracht dat
haar wulpse vormen compleet uit elkaar gevallen
waren, wat een surrealistische dimensie verleende aan
het tafereeltje. Een lid van de ploeg had het
beschreven als "een man, van kop tot teen bedekt in
veelkleurige smurrie, en zittend als middenin een
pizza van gigantische afmetingen."
Dan was er het geval geweest van een dronkaard, het
slachtoffer van een overdosis, die enkel uit de dood
herrezen was (met enige hulp van de anonieme
reanimator) om cafés binnen te glippen en de drankjes
van de klanten te pikken. Toen hij ze naar binnen
goot vloeide het bier weer weg uit een hele reeks
lichaamsopeningen, wat een walgelijke stank
produceerde en voor een afschuwelijke troep zorgde.
Zijn verschijning had niet bepaald geleid tot een
verhoogd barbezoek in het stadje.
Het meest genante geval was echter dat geweest van
een verkoper van verzekeringen die omgekomen was in
een auto-ongeluk. Eenmaal weer tot leven gewekt sloop
hij rond, en sloeg de voorbijgangers met ontzetting
met zijn gruwelijk verhakkelde lichaam. Hij duwde hen
papier dat hij van de straat had opgeraapt in het
gezicht, als waren het documenten die hij hen ter
ondertekening aanbood, en beroofde hen vervolgens van
hun geld. Ze hadden hem enkel kunnen stoppen met het
lastig vallen van mensen door hem volledig te
"ontmantelen", maar zelfs dan hadden de afzonderlijke
stukken zich hardnekkig verzet tegen dit dwarsbomen
van het diepgewortelde instinct tot zakendoen.
De misdaden waren al wekenlang het gespreksonderwerp
bij uitstek geweest. Over de man die deze
afschuwelijke wandaden op zijn geweten had was nog
weinig of niets bekend. Inspecteur Bonham koesterde
echter nog steeds de hoop om hem op een dag op
heterdaad te betrappen.
Toen ze in Cromwell Street arriveerden zag Bonham het
slachtoffer in het midden van de straat staan, woest
molenwiekend met zijn armen, en gedurig stukken van
zijn lichaam verliezend ten gevolge van deze
koortsachtige inspanningen. "De man was vroeger
politie-agent, en regelde toen het verkeer," vertelde
iemand aan Bonham. "Hij is nog steeds verknocht aan
zijn oude baantje, maar nu jaagt hij de chauffeurs de
doodsschrik op het lijf eerder dan het verkeer soepel
te doen verlopen."
"Regelen jullie dit zaakje maar even," zei Bonham
toen hij uit de auto stapte. "Ik denk dat het de
moeite loont hier wat onderzoek te verrichten. Ik ben
zo terug." De meeste weer tot leven gewekte lijken
lieten een spoor achter dat gevolgd kon worden, en
dit geval vormde geen uitzondering op die regel. Met
zijn wapen in de aanslag rende Bonham in de richting
van waaruit de arme drommel moest gekomen zijn. Het
spoor van verdroogde stukjes en beetjes die de man
onderweg was kwijtgeraakt voerde hem in een smalle,
donkere steeg. Hij wachtte tot zijn ogen zich hadden
aangepast aan de duisternis, en schuifelde toen
behoedzaam verder. Er bewoog niets, en geen enkel
geluid verbrak de drukkende stilte. Het spoor leidde
hem in een zijsteegje, waar Bonham plots gestopt werd
door een metalen hek. Zijn eerste gedachte was, Hier
klopt iets niet. Deze rondhobbelende ondode man kan
onmogelijk over dit hek geklommen zijn. Ofwel was dit
hek hier dus geplaatst na zijn doortocht, ofwel was
hier een vals spoor aangebracht om hem te misleiden.
Misschien was het veiliger om dit geval niet verder
te onderzoeken. Ongetwijfeld zouden er andere kansen
volgen.
Hij stond op het punt de hoop op te geven en
onverrichterzake terug te keren toen een stem hem
sissend aansprak.
"Hé, wacht even. Dit is het moment waarop je zolang
gewacht hebt. Dit is de enige kans van je leven om me
bij de kraag te vatten. Je bent nog nooit zo snel
geweest. Je bent nog nooit zo dichtbij geweest. Gooi
die kans nu niet weg. Pak me maar, als je kan."
Bonham verstijfde, en tuurde in de richting vanwaar
de stem gekomen was. De man bevond zich duidelijk
achter het hek. Die vage vorm, zou dat hem kunnen
zijn? Hij richtte er zijn wapen op, maar vuurde nog
niet. Nee, dat waren vuilnisbakken, of stapels afval.
Het was moeilijk om iets te onderscheiden in deze
duisternis.
"Kom me maar halen," plaagde de stem hem, van een
eindje verderop. "Mijn leven ligt in jouw handen.
Waarop wacht je eigenlijk, kerel? Vooruit!"Ik moet
over dit verdomde hek klimmen, besloot Bonham.
Misschien krijg ik nooit een andere kans om de rotzak
bij de kladden te grijpen. Nu kan ik misschien de
rekening vereffenen. Ik mag deze gelegenheid niet
door mijn vingers laten glippen. Ik zal deze
verdoemde griezel even laten boeten voor zijn
misdaden. Die arme agent in Cromwell Street, die
zichzelf, hoe onbewust dan ook, tot een parodie van
de ordehandhaving maakte. En al die arme, onschuldige
zielen, of het nu hoertjes waren of verkopers van
verzekeringen, die beroofd waren van de eeuwige rust
die ze ten volle verdienden. Deze misdaden waren zo
fundamenteel onrechtvaardig, zo hartverscheurend
oneerbiedig ten opzichte van de meest essentiële
menselijke waarden, zo godvergeten verkeerd en
afschuwwekkend...
Woede welde in hem op, een niet te stoppen getij dat
alle andere gedachten en emoties wegspoelde. Hij
greep zijn wapen stevig beet en dacht, Ik kom je
halen, jij onmens. En ik knal je neer. Wees er maar
zeker van dat ik een manier vind om te rechtvaardigen
dat ik je ter plaatse neerknalde. Je bent al zo goed
als dood, kerel. Ik kom eraan.
Inspecteur Bonham begon over het hek te klimmen.
Weglopen heeft geen zin meer, dacht hij. Geniet maar
van je laatste momenten. Want ik ga je doden. Dat
laatste woord echode nog steeds in Bonhams geest
(Doden! Doden! Doden!) toen het metalen hek plots
onder stroom gezet werd, en het hoge voltage dat door
zijn lichaam flitste iedere vezel roosterde. Het
laatste dat Bonham hoorde voor de wereld zwart werd
was een waanzinnig gelach dat van vlakbij kwam.
***
Het
zwart loste langzaam op. Inspecteur Bonham voelde
zich koud en levenloos, maar niettemin gedwongen om
overeind te komen. Er is iets met me mis, dacht hij.
Het was als een kater, maar dan wel tien maal erger.
Het was alleen geen echte pijn, maar eerder een
verschrikkelijk gevoel van verdoving en stijfheid,
alsof hij jarenlang geslapen had.
Toen hij eindelijk overeind stond keek hij om zich
heen. Zijn blik was troebel, en het bleek onmogelijk
om zijn ogen op iets te richten. Dit duistere steegje
kwam hem vaag bekend voor, maar hij scheen geen
duidelijke herinneringen te bezitten. Ik moet doden,
was zo ongeveer de enige gedachte die uitkwam boven
het geruis dat zijn geest vulde. Doden, doden, doden.
Hij richtte zijn blik naar beneden en merkte dat hij
een wapen in zijn hand hield, en dat die hand
volledig verkoold was. Dat bleek ook het geval met de
rest van zijn lichaam. Wat is er met me gebeurd?
dacht hij vaagjes. Een ongeluk of zo? Om een of
andere redenen bleek hij ook al niet te ademen.
Vreemd, dacht hij, heel erg vreemd.
Maar uiteindelijk had dit allemaal geen belang. Het
enige dat telde was de aandrang die nu
onweerstaanbaar begon te worden, een dwingende kracht
die zijn geest domineerde. Doden, doden, doden.Hij
nam zijn wapen stevig beet en begon het steegje uit
te wandelen, nog steeds wat stijfjes.
Ik moet doden, dacht hij. Doden, doden, doden.
© Frank Roger
www.frankroger.be
VROUW MET STAART ZOEKT MAN • John C. Vermeulen
•
Een hittegolf van anderhalve dag en vervolgens ging
het uiteraard onweren. Kort nadat de eerste
donderslag over de jachthaven van Wemeldinge
gerommeld was, werd er op de romp van de Wentelteef
geklopt. Dat was de naam van onze boot. Had niets met
mijn vriendin te maken, al dachten sommigen van wel.
Ik mompelde binnensmonds zoiets als: ‘Ga ergens
anders spelen!’ Maar Evy, mijn vriendin dus,
die veel gastvrijer is dan ik, stak meteen haar hoofd
naar buiten. ‘Kom erin,’ hoorde ik haar
uitnodigend zeggen. Het had mij destijds veel meer
moeite en vooral dure etentjes en een hoop leugens
gekost om haar die gevleugelde woorden te ontlokken.
Er klonk gestommel aan dek en Johan verscheen in de
kajuitingang, met zijn kater op de arm. ‘Geen
belet?’ vroeg hij een beetje onzeker toen hij
mijn gezicht zag. Niet dat ik een echte zure vent zou
zijn, hoor. Ik heb alleen maar zo’n kop. Johan
lag met zijn boot, Vitamine Sea heette het ding,
enkele plaatsen verderop aan dezelfde steiger als
wij. Hij en ik waren niet echt dikke vrienden - ik
heb trouwens geen vrienden, ik heb alleen maar
vriendinnen, mannen weten waarom - maar soms maakten
we wel eens een praatje en dronken we samen een
borrel in de cockpit. Zo gaat dat in jachthavens en
op campings en overal waar mensen met dezelfde wat
dwaze hobby bij elkaar hokken. En een sierlijke
vriendin of echtgenote helpt natuurlijk ook om
belangstelling te trekken. Je weet wel; zo eentje
die, terwijl ze wulps een blonde haarlok naar
achteren gooit, van zichzelf zegt: ‘Ik ben het
waard.’ Ze komen eropaf als wespen op een glas
bier.
Johan was een wat eenzame man, had ik al gemerkt.
Twee jaar eerder had zijn vrouw hem laten kiezen
tussen haar of die rotboot van hem, zoals zij het
noemde. Hij had dat omgedraaid, voor hem ging de
keuze tussen zijn boot en dat rotwijf. Uiteraard had
hij voor zijn boot gekozen, om redenen die duidelijk
zullen zijn voor iedereen die ook een mooie boot
heeft en een vrouw die… nou ja. Laten we
beleefd blijven. Sindsdien bestond zijn enige vaste
gezelschap uit een grote kater die Poescafé heette.
Evy nodigde Johan naar binnen en hij nestelde zich
met zijn lange lijf een beetje moeizaam vanwege een
rugkwaal waarvan wel meer zeilers last hebben, in een
hoekje van de kajuit. Dat hoekje waarvandaan je alles
goed kunt overzien en met een goed uitzicht op de
gastvrouw. Ik zit daar zelf ook graag op andere
boten. Vooral als de gastvrouw er ook zo eentje is
van “ik ben het waard”, zoals eerder
omschreven. Omdat het onweer Johan nerveus scheen te
maken, gaf Evy hem maar meteen een flinke borrel.
Overigens een normaal ritueel onder zeilers. Zeilen
is zo’n verdomd bangelijke bezigheid dat je er
best niet aan begint als je helemaal nuchter bent.
Dit indachtig de definitie van zeilen: doodziek en
zeiknat worden terwijl je tegen enorme kosten heel
langzaam nergens heengaat.
Toen de donder opnieuw rommelde, als het geluid van
een trein die door een lange tunnel reed, keek Johan
schichtig naar het plafond van de kajuit. Hij leek
bang dat er ieder ogenblik iets op zijn hoofd zou
kunnen vallen. Hij had Poescafé op zijn schoot gezet
en hij zat het beest voortdurend op een wat
mechanische manier te strelen. Toen hij niet van plan
leek uit zichzelf de mond open te doen, vroeg ik:
‘Wat scheelt eraan, Johantje? Bang voor de
donder?’ Ik probeerde een vertrouwelijk lachje,
alsof ik best begreep dat het kabaal daarboven niet
alleen bij kleine kinderen op hun systeem kon werken.
‘Niet voor de donder, nee,’ antwoordde
hij. En hij voegde er wat raadselachtig aan toe:
‘Toch niet zolang het alleen maar de donder
is…’ Hij sloeg zijn borrel achterover en
keek met de blik van een hond die voor de vitrine van
een slagerswinkel staat, naar de fles die op de
kaartentafel stond. Evy zet de fles namelijk altijd
buiten handbereik van bezoekers. Kwestie van de
verleidingskracht te beperken. Niet dat ze van
Hollandse komaf is, maar we hebben tapijt op de vloer
van de cabine en daar kun je maar beter niet op
kotsen.
Poescafé zat ronkend te spinnen. Een onverwachte
windvlaag deed de boot even schudden en ergens begon
met een nijdig, irriterend ritmisch geluid een
kabeltje tegen een metalen mast te tingelen. Opeens
zei Johan: ‘Ik ben als de dood voor de dag dat
die verrekte kat terug zal komen.’ Hij rilde
demonstratief. Evy en ik wierpen allebei een
verwonderde blik naar Poescafé. Het beest knipoogde
slaperig. ‘Een kat?’ vroeg ik. ‘Is
er een kat weg? Had je er dan nog eentje?’
Johan schudde het hoofd. ‘De kat van die
UFO…’ Ik stond op en pakte de fles van
de kaartentafel om wantrouwig het etiket te
bestuderen en aan de hals te snuffelen. Het leek
gewone ouwe klare van de soort die je op iedere
fatsoenlijke boot met een gastvrije schipper zoals ik
kunt vinden.
Ik schonk tegen mijn geloof in Johan nog een flinke
neut uit en pakte er zelf ook een om de communicatie
te vergemakkelijken. Daarna vroeg ik: ‘Je gaat
ons hier toch niet komen vertellen dat jij een
vliegende schotel gezien hebt?’ De
bootjeswereld is misschien hét biotoop van de sterke
verhalen, maar er zijn grenzen. ‘Een
UFO,’ corrigeerde hij. ‘En ja verdomme,
ik heb er een gezien. Sterker nog...’ Hij rook
aan zijn borrel, diep inhalerend met gesloten ogen
alsof hij coke aan het snuiven was. ‘...Ik ben
er zelfs binnenin geweest!’ Ik had zulke
verhalen gelezen, over hele families die door groene
mannetjes ontvoerd waren en die dan allerlei enge
experimenten hadden moeten ondergaan en zo, maar ik
had nog nooit eerder zo’n halve gare in levende
lijve ontmoet. ‘En er zat een kat in dat
ding?’ informeerde ik belangstellend. Hij keek
geïrriteerd. ‘Spotten, hè? Nou ja, je hoeft me
niet te geloven, hoor. Je hoeft zelfs niet naar me te
luisteren, ik hou verder m’n bek wel. Ik heb
het verhaal trouwens nog niet eerder verteld, aan
geen mens. En nu weet ik ook weer waarom niet. Ze
kunnen allemaal de pot op! Laat ze maar lachen hè,
Poescafé? Wij weten het onze.’ Hij krabde
achter het rechteroor van de genoeglijk ronkende
kater. ‘Kom nou, Johan,’ drong mijn
vriendin aan. ‘Wie a zegt moet ook b durven
zeggen.’ Ze was gek op verhalen waar een
mysterieus luchtje aanzat, en daar hoorden vliegende
schotels ook bij. Met of zonder kat erin. ‘Wie
a zegt moet ook b zeggen?’ Johan trok een
gezicht. ‘Waarom eigenlijk? Om de geiten een
plezier te doen misschien?’ ‘Toe nou,
vertel op, please, please?’ Als het nodig is
kan Evy erg overtuigend smeken en die eenzame Johan
trapte er natuurlijk in. Zijn blik dwaalde even naar
haar ietwat strakzittende T-shirt, sprong daar
schichtig en schuldbewust weer van weg en schakelde
vervolgens op oneindig. Hij zweeg nog even,
vermoedelijk om de dramatische spanning wat op te
voeren. Na dit hele ritueel begon hij: ‘Het
gebeurde op een avond, midden april dit jaar. Je moet
weten dat ik altijd redelijk vroeg in het seizoen
begin te varen om te kunnen gaan vissen vooraleer de
grote massa zondagvaarders op het water verschijnt.
Ik lag voor anker op mijn gewone stek bij de
Galgenplaat. De dag was al bijna om en de twee andere
vissers die daar gelegen hadden, waren reeds naar de
haven teruggevaren. Er viel niet veel te vangen die
dag, maar het was een mooie vroege voorjaarsavond.
Het was niet koud en er was geen zuchtje wind. Dus
was ik niet gehaast om voor het donker terug naar
Wemeldinge te koersen. Waarom zou ik ook? Er zit toch
nooit iemand op me te wachten.’ Hij trok een
gezicht dat waarschijnlijk bedoeld was om meevoelen
op te wekken, maar dat werkte niet zo goed. Bij mij
niet althans. Venten! ‘Ik zat samen met
Poescafé in de cockpit een paar scholletjes schoon te
maken voor het avondeten, en toen gebeurde
het.’ Johan laste weer een strategische pauze
in. Terwijl gooide hij de rest van zijn borrel in
zijn keelgat dat kennelijk uitmondde in een enorme
vergeetput voor alcohol. Ik probeerde te helpen:
‘Opeens schoot er een geheimzinnige straal uit
de hemel naar beneden, een onzichtbaar orkest van
vijftig man begon flink van jetje te geven in Dolby
Surround Sound en de naam van George Lucas verscheen
in koeien van letters boven de Zeelandbrug?’
Johan keek me broeierig aan. ‘Denk jij nou echt
dat je grappig bent?’ ‘Dat is hij alleen
als hij in de slaapkamer staat met niets anders dan
zijn hemd en sokken aan,’ zei Evy.
‘Vertel verder.’ ‘Ik hoorde iets
ja, dat wel.’ Johan keek me even vuil aan.
‘Een gerommel als van een naderende onweerbui.
Een beetje zoals daarnet. Dat was nogal vreemd
vermits er letterlijk geen wolkje aan de lucht was.
Dus kijk ik verwonderd in het rond, en wat zie
ik?’ ‘Een vliegende schotel,’
antwoordde ik automatisch. En ik wist er zowaar
serieus bij te blijven. ‘Een UFO,’
corrigeerde Johan opnieuw. ‘En dat ding landde
bovenop de Galgenplaat, in het midden van de
zandbank, verdomd als ’t niet waar is! De
zeehonden wisten niet hoe gauw ze weg moesten
komen.’ ‘En daar heeft niets van in de
kranten gestaan?’ vroeg ik. ‘Het was al
laat, het was erg rustig en ik denk dat die UFO van
op enige afstand nauwelijks zichtbaar was. En de pers
zie je tegenwoordig alleen maar als er weer eens een
minister naast de pot pist.’ ‘O, op die
manier.’ Poescafé geeuwde alsof hij dat verhaal
al rot vanbuiten kende en het hem verveelde als een
dooie muis. Maar Evy vroeg gretig: ‘Hoe zag dat
ding er dan uit? Vertel! Vertel!’ ‘Als
een grote zeepbel,’ beschreef Johan met wat
meer enthousiasme omdat hij een dankbare toehoorder
gevonden meende te hebben. ‘Doorzichtig maar
met bewegende kleuren erin, zo’n beetje als
rookslierten.’ ‘Die groene mannetjes
zaten daar waarschijnlijk flink te paffen,’
opperde ik. ‘Groene Michel, wed ik.’
Johan negeerde me hooghartig. ‘Je kon binnen
dingen zien bewegen zonder dat je eigenlijk wist wat
je zag, heel eigenaardig. Eigenlijk zou ik bijna
durven zeggen dat het mooi was om te
zien…’ ‘En met een geluid als van
de donder,’ vulde ik aan. ‘Waren er echt
geen stralen of zo? Groene stralen? Au
verdomme!’ snauwde ik toen Evy me onder de
tafel een schop tegen het linkerscheenbeen verkocht.
‘Niks geen stralen,’ antwoordde Johan die
deed alsof hij niets gemerkt had van die laffe
aanval. ‘En toen de machine eenmaal geland was,
werd het compleet stil. Vreemd stil, zou ik durven
zeggen. Zelfs de meeuwen gaven geen kik meer.’
‘Waarschijnlijk was de soundtrack gebro-’
Ik trok haastig mijn benen op toen ik vanuit mijn
linkerooghoek mijn vriendin een dreigende beweging
zag maken. ‘…Er gebeurde een hele tijd
niks, ik zag nergens een deur opengaan of zo. En toen
stond er zomaar opeens een gestalte naast de UFO op
het zand. Een menselijke gestalte, dacht ik eerst. En
die figuur liep in mijn richting tot aan de rand van
het water…’ Johan keek opeens wazig,
alsof de herinnering hem pakte. ‘Poescafé ging
haast uit de bol, hij stond op de tenen met een
gekromde rug en alle haren recht overeind.’
‘Aha, dat marsmannetje was een grote, kwaaie
hond,’ zei ik. Ik dacht aan die Butch, van Tom
& Jerry. Destijds waren dat mijn favoriete
tekenfilms vanwege al dat artistiek onverantwoorde
geweld. ‘Nee, een kat.’ Johan keek me
uitdagend aan. ‘Ik verdenk onze vriend ervan
dat hij een katofiel is,’ zei ik tegen Evy. Wie
weet wat we te horen zouden krijgen als zijn kater
zou kunnen praten, dacht ik. Maar zoiets zeg je in
deftige kringen niet hardop zolang iedereen nog
nuchter is. Mijn vriendin keek me niet eens aan, haar
blik was geboeid op Johan gericht. ‘Let maar
niet op die oen,’ zei ze tegen hem.
‘Vertel gewoon verder.’ ‘Was het
een groene kat?’ probeerde ik nog. Maar nu
negeerden ze me allebei. ‘Het was een kat, zo
groot als een mens en ze liep nog op de achterpoten
ook. Ze had zo te zien een pels en een staart, maar
verder zag ze er helemaal uit als een vrouw, en niet
eens een lelijke, o nee!’ Opnieuw die wazige
blik. ‘In je eentje leven is niet goed voor een
man,’ stelde ik vast. Maar weer luisterde er
niemand. Ofwel ze deden alsof. ‘Misschien zou
je een Thaise poetsvrouw kunnen nemen, ging ik koppig
verder. ‘Want een hoer is ook geen oplossing.
‘Zo’n dame verleent wel hand- en
spandiensten aan heren van stand, maar je komt toch
altijd weer een beetje leeg naar buiten en-’ Nu
keek Evy me aan. ‘Zou jij niet wat op de
steiger gaan wandelen, zeveraar? Kun je een beetje
afkoelen, zo te horen heb je het nodig!’ Ik
zweeg verongelijkt terwijl Johan verder ging:
‘Ik wist niet wat me overkwam, toen die
kattenvrouw me wenkte. Het was alsof ik m’n
eigen wil kwijtwas, ik verkeerde in een soort
trance.’ Zijn blik schoot uitdagend naar mij,
maar ik deed alsof m’n neus bloedde.
‘Voor ik goed besefte wat ik deed, was ik met
Poescafé in de bijboot gestapt om naar de zandplaat
te roeien.’ Eenzaamheid was echt niet gezond,
dacht ik. Ik besloot voortaan wat vriendelijker te
zijn tegen Evy. Voor een ouwe lelijkerd als ik liggen
de aantrekkelijke jonge dames immers niet meer voor
het grijpen. Want zo rijk ben ik nu ook weer niet. Ik
kan koken, ik ben okselfris en ik was m’n eigen
sokken, maar voor je dat allemaal uitgelegd hebt,
zijn ze al lang weggelopen. Johan deed er nog een
schepje bovenop. ‘Ze was écht heel mooi,’
zei hij dromerig. ‘Van nabij zag ze er vreemd
genoeg nog menselijker uit dan vanuit de verte. Met
magnifieke groene ogen met verticale spleetpupillen,
net als bij een echte kat. Haar pels leek zacht als
zijde en ze had een prachtige volle staart. Het
puntje stond omhoog en het trilde een
beetje…’ ‘Ik denk dat Freud daar
wel een verklaring voor gehad zou hebben,’ kon
ik niet nalaten op te merken. Deze keer kneep Evy me
hard in het vetplooitje dat zich sedert enkele jaren
boven mijn broeksriem aan het vormen is. Het deed
gemeen zeer. ‘En dan dat soepele lijf, en die
lange benen. Want ze had geen poten maar echte,
eindeloos lange benen, als van een topmodel.’
‘Bij sommige vrouwen is dat precies
andersom,’ stelde ik vast. En toen Evy me
fronsend aankeek: ‘Gelukkig behoor jij tot de
betere soort, schatje!’ Ik wou haar in de nek
kussen, maar ze weerde me af, met een gezicht alsof
ik iets vies aan mijn kin had hangen. Johan was nog
altijd lyrisch aan het doen: ‘En die bewegingen
van dat lijf, als van zacht golvende warme
olie…’ Ik vroeg: ‘Wat had je die
dag allemaal gedronken?’ ‘En ze kon nog
praten ook, ze sprak Engels.’ ‘Net zoals
die marsmannetjes in Amerikaanse films,’ zei
ik. ‘Die kunnen ook allemaal Engels, zelfs al
zijn het reptielen. Hebben ze in de ruimte geleerd
van onze radio-uitzendingen en zo, weet je wel?
Da’s gemakkelijk voor degenen die de dialogen
moeten schrijven.’ ‘Ze zei: Hellauauauw,
mijn naam is Chatka en ik kom van de Kristallen Steeg
aan het eind van de Melkweg, van de planeet
Bac-à-Sable. I need a man, ik heb een man
nodig.’ Johan scheen aan te nemen dat ons
Engels niet veel betekende. Hij trok even aan de
boord van zijn trui, alsof hij het warm kreeg bij de
herinnering. ‘Ik antwoordde dat ik een man van
de aarde was, I’m a man from planet Earth, zei
ik dus. En dat ik Johan heette en of ik wat voor haar
kon doen. Haar in contact brengen met de overheid of
zo, met the authorities.’ Nu keek hij
ongelukkig. ‘Eerst geloofde ze me niet, dat ik
een man was, bedoel ik. Ze lachte me verdomme
uit!’ Evy zei troostend. ‘Dat mens had
gewoon geen smaak.’ ‘Of misschien vond ze
dat je niet behaard genoeg was,’ opperde ik
behulpzaam. Of dat je staartje te klein was, dacht ik
gemelijk. Maar ook dat hield ik voor mezelf. Johan
knikte afwezig, alsof hij die mogelijkheden overwoog.
‘Daarna deed ze me een vreemd verhaal dat de
vrouwelijke wezens van haar soort slechts één keer in
hun hele leven een gedurende een korte periode
vruchtbaar waren. Hierin moesten ze tot iedere prijs
voor een nageslacht zorgen, wilden ze niet
uitsterven. Op hun planeet waren er echter nog
nauwelijks mannen, en daarom zwierven de vruchtbare
vrouwtjes naar andere werelden uit om een partner te
zoeken. En Chatka was aan het eind van haar
oestrusperiode zodat het allemaal bijzonder dringend
werd. Ze had tijdens de reis een reclamespot van de
aarde opgevangen over krachtvoer in blik waar katers
groot en sterk en levendig van werden en bovendien
een mooie glanzende vacht kregen, en nu wou ze met
alle geweld zo’n kater vinden. En nog vlug ook.
En toen was ik zo stom Poescafé uit de bijboot te
gaan halen.’ Johan sloeg zijn derde borrel
achterover en stak het glas op naar Evy die
automatisch de fles pakte. ‘Chatka deed
eigenlijk nogal uit de hoogte, zoals je dat wel eens
vaker hebt bij veel te mooie vrouwen, en daarom wou
ik haar even op haar plaats zetten, sufferd die ik
ben.’ Johan ging ongemakkelijk verzitten. Met
een pijnlijk gezicht rechtte hij de rug. ‘Toen
ze Poescafé zag, was ze eerst vertederd. O wat leuk,
een miniatuurtje! riep ze uit.’ Meesmuilend
imiteerde Johan het ietwat mauwende stemgeluid van
Chatka, zoals hij haar noemde. ‘Eerst was
Poescafé nog lichtelijk hysterisch, maar van zodra
Chatka hem op de arm nam, kalmeerde hij helemaal. En
toen ontdekte dat kreng iets…’
‘Wie, Poescafé?’ vroeg ik onschuldig.
‘Nee, dat kattenwijf verdomme!’ Nu rilde
Johan zichtbaar. ‘Zie je, Poescafé is
natuurlijk gecastreerd, en toen Chatka dat merkte,
werd ze opeens vreselijk boos. Ze eiste een
verklaring voor die barbaarse verminking, zoals ze
het noemde. That barbarian mutilation. En toen ik
haar probeerde uit te leggen dat we dat deden omdat
die beesten anders veel te hard stinken, because of
the bad male smell, zei ik, zette ze haast haar
klauwen in m’n strot!’ De volgende borrel
ging eraan. ‘Alsof we nog geen last genoeg
hebben met Gaia,’ zei ik meelevend. Johan zette
het lege glas met een klap neer op de tafel.
‘Ze had heuse klauwen,’ huiverde hij.
‘Ik praatte als een advocaat om haar uit te
leggen dat er helemaal niets barbaars was aan dat
castreren en dat de katten op planet Earth alleen
maar beesten waren, enzovoort. Maar dat hielp
allemaal geen ene moer. Tot ik de ingeving kreeg haar
wijs te maken dat het op de aarde een heilige
traditie was om katers te castreren van zodra ze aan
hun voortplantingsplicht voldaan hadden. Voor
tradities scheen ze namelijk nogal wat respect te
hebben. En ja hoor, ze bedaarde. Maar toen kwam de
klap op de vuurpijl…’ Johan zweeg even
terwijl Evy zijn glas nogmaals bijvulde. Hij keek
geboeid naar haar hand die de flessenhals omkneld
hield. Daarna nam hij eerst een gulzige slok voor hij
zijn verhaal vervolgde: Zoals ik al zei, zat Chatka
in hoge tijdnood, en vermits er geen andere, meer
geschikte partner in de buurt was, eiste ze dat ik
het nodige zou doen. You have to do your thing, zei
ze…’ Ik zat me inwendig te bescheuren,
maar omwille van Evy en haar vinnige rechtervoet
hield ik mijn gezicht in de plooi. Ik zei alleen
maar: ‘Liefde is er keihard invliegen en
slapjes afdruipen.’ Er kwam geen reactie. Dus
probeerde ik het opnieuw: Chatka was een poesje, zo
lekker als een soesje. Maar wie haar wou berijden,
moest aan katofilie lijden. ‘Als jij nou niet
je stomme bek gaat houden!’ Ik keek Evy een
beetje geschrokken aan. Johan scheen haar wel
behoorlijk in de ban te hebben met zijn maffe
verhaal. ‘Oké, oké, ik zeg al niks meer,’
zei ik mokkend. Johan zei: ‘Ik mocht
tegenstribbelen wat ik wou, er was geen lieve
moederen aan; ik moest en zou mee het dak op.’
Mijn belofte van daarnet was meteen vergeten.
‘Hè?’ deed ik. ‘Wel ja, binnenin
die UFO. Er waren daar allerlei toestanden, je wist
niet wat je zag. Enorme bollen breiwol, grote muizen,
en ook een heet zinken dak…’ ‘Hou
op!’ smeekte ik. Evy zei: ‘Ben jij een
vervelend mannetje vandaag zeg!’ (Dat zei ze
tegen mij.) ‘Sorry, Johan,’ bracht ik er
met enige moeite uit. ‘Ga vooral verder.’
‘Nou ja, ik ga jullie niet met de details
vervelen,’ zei Johan. ‘Maar daar gebeurde
het dus, op dat dak.’ Evy keek een beetje
teleurgesteld. ‘Die details vinden wij niet
vervelend, hoor!’ Johan leek te aarzelen.
‘Wat ze allemaal deed met die gespierde staart
van haar…’ ‘Ja?’ zei ik, in
weerwil van mezelf toch ook opeens een beetje
nieuwsgierig. ‘En dan die
lenigheid…’ Johan keek alweer wazig.
‘Ik denk dat ik voortaan een gewone vrouw maar
simpeltjes zal vinden.’ Er klonk een nieuwe
donderslag en het was alsof Johan een stukje kleiner
werd. Hij praatte een beetje moeizaam, toen hij
verder ging met zijn relaas: ‘Na afloop kreeg
ik een groot glas melk en we aten er een sardientje
bij. Even werd het zelfs nog bijna gezellig, maar
toen…’ Hij slikte en keek hulpbehoevend
naar Evy, alsof zij de enige was van wie hij nog
enige heil verwachtte. ‘…Toen begon ze
weer over dat verdomde castreren.’
‘Aha!’ deed ik. Johan knikte somber.
‘Juist. Ze verklaarde op plechtige toon dat ze
zich aan de heilige tradities van planet Earth moest
houden. Zodra haar jongen geboren waren, zou ze
terugkomen om haar plicht te vervullen. To fulfil her
duty, zo zei ze het.’ ‘Met een scherp
mes,’ zei ik onverbiddelijk. ‘Maar Johan
toch!’ zei mijn vriendin ontsteld. Met andere
mannen toont ze vreemd genoeg altijd meer medelijden
dan met mij. Misschien zijn die ook wel meer
meelijwekkend, zo troost ik mezelf dan. ‘Ik
weet me geen raad,’ bekende Johan. ‘Je
moet goed beseffen: dat gebeurde allemaal al een poos
geleden, en die UFO’s reizen met honderd keer
de snelheid van het licht. Die ouwe Einstein kende er
niks van. En katten zijn lang geen negen maanden
drachtig. Kunnen jullie zich nu voorstellen hoe ik me
voel, iedere keer dat ik het hoor donderen?’
‘Ongeveer zoals Poescafé toen je hem naar de
dierenarts bracht,’ veronderstelde ik,
behulpzaam als altijd. Evy vroeg met ontzag:
‘Was dat mens echt zo sterk?’ ‘Je
hebt er geen idee van,’ antwoordde Johan
smartelijk. ‘Dat had natuurlijk ook zo
z’n plezierige kanten. Zoals toen ze me omhoog
hield om…’ Nee, daar hebben jullie geen
zaken mee. Evy probeerde opnieuw: ‘Wie a zegt,
moet ook-’ ‘Alsjeblieft, zeg!’
Ik stond op om door een van de kajuitraampjes naar
buiten te kijken. Na enkele tellen vroeg ik langs
mijn neus weg: ‘Hoe zei je ook weer dat die UFO
eruit zag?’ Toen ik omkeek, zat Johan me als
versteend aan te staren en hij zag werkelijk zo bleek
als een zeezieke. Als die kerel niet echt
verschrikkelijk bang was, speelde hij het wel erg
realistisch. Ik begon te vermoeden dat hij op die
bewuste avond in april een hallucinatie gekregen had
en dat hij zijn waanvoorstellingen als echt gebeurd
was gaan ervaren. Ik vroeg met een blik op zijn
alweer lege glas: ‘Het is bekend dat hengelaars
behoorlijk wat kunnen hijsen tijdens het sporten,
hè?’ Johan haalde diep adem voor hij
antwoordde: ‘Ik wist wel dat ik beter mijn mond
kon houden. Maar weet je, soms is het moeilijk alles
in je eentje te verkroppen…’ Zijn blik
dwaalde weer even steels naar Evy’s T-shirt
terwijl hij een beetje onvast opstond. ‘Bedankt
voor de gezelligheid, Evy.’ Tegen mij zei hij
niets meer. Zonder verder nog een woord, klom hij met
zijn kater op de arm naar buiten, de andere hand aan
zijn pijnlijke rug. Het was begonnen met regenen en
ik keek Johan hoofdschuddend na toen hij gebogen
wegliep over de natglimmende steiger. Opeens wist ik
niet zo goed meer wat ervan te denken. Dat was het
laatste wat we van Johan zagen. Zijn boot lag
voortaan verlaten en verkommerend in zijn ligplaats.
Pas maanden later ontving ik toevallig een nieuwtje
op over hem. Het verhaal luidde dat hij vertrokken
was naar een van die landen aan de Perzische Golf om
een baantje in een harem aan te nemen. John C.
Vermeulen (©)
WITTE HANDSCHOENEN
• Guido Eekhaut •
Gedurende een kort ogenblik wisten we dat wij de
uitverkoren zouden zijn. Het was het ogenblik waarop
onze bezoeker elk van ons aanraakte met de tip van de
vingers van zijn linkerhand, een hand zorgvuldig
omsloten door een witte katoenen handschoen. Zo
onsubstantieel wit dat ze lichtgevend leek, die
handschoen, als uit een reclame voor wasmiddel. Het
soort van reclame waar ik vroeger altijd naar keek,
ondanks de spot van Richard.
Richard was mijn man, vóór dit allemaal gebeurde.
Vooraleer de wereld aan zijn einde kwam.
Onze bezoeker sprak niet. Taal was hem overbodig. Met
één oogopslag vertelde hij ons zijn verhaal, met een
andere vertelde hij ons alles over zijn intenties.
Met beide oogopslagen loog hij, en tegelijk vertelde
hij de waarheid.
“Je weet wel,” zei Anne, terwijl ze
koffie inschonk in die veelkleurige namaak
art-nouveau kopjes die ze met zoveel passie
verzamelde. “Je weet wel: Diane, de schoonzus
van mijn neef. Hij verdween vorige week, mijn neef.
Maar niemand treurt …” Ze zweeg plots en
staarde in haar kopje.
Er verdwenen voortdurend mensen. Weinige overblijvers
vonden de tijd of energie om daarover te treuren. De
wereld liep op z’n eind, niemand kon het
verhelpen.
De koffie van Anne smaakte zoals mijn moeder die
maakte, had net dezelfde geruststellende geur. Zelfs
haar gebakjes, die ochtend uit de oven gehaald, deden
me denken aan een huis en een jeugd die lang geleden
overgeleverd waren aan de sloophamer – de échte
sloophamer en die van de tijd.
Ik probeerde me te herinneren wie Diana was, of wie
ze was geweest, maar het lukte me niet. De voorbije
weken en maanden verloren oude bekenden steeds meer
hun materiële substantie. Ze dreven steeds verder weg
op een oceaan die niet alleen onpeilbaar diep maar
ook steeds naamlozer werd.
Niemand had zich ooit voorgesteld dat het zó zou
verlopen. Niemand had zich ooit voorgesteld dat het
zou gebeuren.
Anne bood me nog een gebakje aan. Ze maakte ze zelf,
met gember en stukjes abrikoos erin. Onmogelijk zoet,
zoals ook mijn moeder dat deed.
Tijdens de voorbije maanden hadden heel wat mensen de
smaak van zelfbereid voedsel opnieuw ontdekt. Uit
noodzaak.
En de warmte van een houtvuur.
Ik probeerde me te herinneren wat Anne me wilde
vertellen over Diana, met wie ze nooit goed had
opgeschoten omdat die zo graag uitpakte met de dure
cadeaus die haar man voor haar kocht. Anne wist
– of vermoedde – dat die cadeaus er
alleen maar waren omdat hij haar bedroog. Diana zou
niet uitverkoren worden door onze bezoeker, wist
Anne.
Ze scheen de intenties van onze bezoeker te kunnen
afleiden uit de meest terloopse van diens
oogopslagen.
Buiten liep de lente op z’n einde. Er kondigde
zich een intens hete zomer aan.
Wellicht onze laatste zomer. Maar daarover praatten
we niet.
Ik at het gebakje en dronk koffie. We verveelden ons
niet, maar er was weinig anders te doen. Niets wat je
deed had nog zin.
“Ze vertelde me langs de telefoon dat ze het
niet meer aankon,” zei Anne. De telefoon was
een van de weinige dingen die nog werkten. Opdat
mensen van op afstand afscheid konden nemen. Zonder
elkaar onder ogen te moeten komen. Ook nu vertrouwden
we onze emoties toe aan onze technologie.
Anne en ik in haar keuken vormden geen uitzondering.
Ze liet haar vermoedens over het lot van Diana
onvermeld.
Zelfs de stilte die met steeds grotere regelmaat
tussen ons viel, wanneer we zo tegenover elkaar aan
haar keukentafel zaten, vonden we niet meer
hinderlijk. Wij waren overigens niet de enigen die de
geruststellende kwaliteiten van de stilte
herontdekten. Ook de natuur zelf had zich al
maandenlang gehuld in een geluidloosheid die we uit
noodzaak hadden aanvaard. Elke vogel en elk insect
leek op de hoogte van het naderende einde. Misschien
had onze bezoeker hen ook aangeraakt, hen ook –
één schijnbaar ogenblik lang – beloofd dat ze
uitverkoren zouden zijn. In ruil voor hun stilte.
Allemaal
waren we betrokken in dezelfde samenzwering.
We hadden ons tot stilte verbonden.
Eigenlijk méér dan dat: we hadden ons ertoe verbonden
ons lot zonder morren of opstandigheid te aanvaarden.
De aanraking van zijn katoenen vingers. Méér hadden
we niet nodig gehad.
Sinds enige tijd duurde de avondschemering langer dan
voorheen. Misschien had de beweging van de aarde zich
vertraagd. Niemand stoorde zich daaraan. Metabolismen
leken zich aan de groeiende onzekerheid van de tijd
hebben aangepast.
Bomen staken als puzzelstukken tegen het ondergaande
licht af.
Groeiende onzekerheid? Neen, precies het tegendeel:
we wisten nu heel precies hoe het met ons zou
aflopen.
Anne stond aan het keukenraam. Ze leek op iemand te
wachten. Iemand die haar met een katoenen hand zou
aanraken en haar beloven dat ze gered zou worden.
Buiten hield de kalme stilte aan. Uitspansel en
natuur hielden de adem in, wachtend op de laatste
daden van de mens.
Onze bezoeker heeft nooit een woord gesproken. Zo
ontliep hij elke discussie over zijn rol in het
gebeuren. Misschien niet eens opzettelijk. Sommigen
vroegen zich zelfs af of hij wel kon praten. Het was
echter duidelijk dat hij niet hoefde te spreken.
Iedereen leek te begrijpen waarom hij hier was.
Om ons te begeleiden.
Ik
dacht enige tijd na over de neef van Anne die was
verdwenen. Het werkwoord was een eufemisme, iets wat
mensen gebruiken in tijden van crisis. Mensen
verdwenen niet zomaar, ze doofden uit. Ze verloren
niet hun geloof in het leven, maar hun geloof in het
verleden. Ze beseften dat alles wat de mens ooit
betekend had, nu zinloos was geworden. Er zou later
niemand meer zijn om zich de mens te herinneren
– diens daden, exploten en woorden.
“Waarom is hij gekomen?” vroeg Anne, op
zeker moment, ergens tussen schemer en duister in.
“Waarom zijn ze gekomen?” Want hij was
niet alleen geweest, die bezoeker. Ze waren met velen
geweest, plots bezorgd om het lot van mensen die ze,
met niet meer dan een oogopslag, troost boden.
De vraag was tijdens de voorbije maanden te vaak
gesteld geweest, maar nooit beantwoord.
Wie echter niet geloofde in de handoplegging, doofde
onvermijdelijk uit.
“Ik verdraag de nacht niet langer meer,”
zei Anne.
Hij stond achter Anne, die hem schijnbaar niet had
opgemerkt. Zorgvuldig, alsof het om een intrigerend
experiment ging, raakte hij met de tippen van de
gehandschoende linkerhand haar schouder aan. Ze
voelde het niet, zo luchtig was de aanraking. Hij
trok voorzichtig zijn hand terug en verhief zich van
de grond. Langzaam, statig, zweefde hij omhoog. Het
geluid dat hij maakte deed denken aan de vleugels van
een duif, opstijgend, fladderend, een evenwicht
zoekend op luchtstromen die hij alleen kon waarnemen.
Guido Eekhaut ©
VERMIST
• Frank Roger •
“Meneer O’Keefe? Mag ik een ogenblikje van uw tijd?”
Timothy O’Keefe keek door het besmeurde raampje
en zag dat het een agent was die had aangeklopt. Dat
kon onmogelijk goed nieuws zijn. Hij besefte dat hij
niet veel keuze had, opende de deur en zei:
“Goede morgen. Kom erin. Waarmee kan ik u van
dienst zijn?”
Terwijl de agent naar binnen kwam beval Timothy zijn
hond om te gaan liggen.
“Rustig, Caesar,” zei hij op
gezaghebbende toon. Hij zou moeten proberen het dier
onder controle te houden.
De agent liet zijn ogen door de woonwagen dwalen,
keek naar de hond en naar Timothy’s weinige
schamele bezittingen. Wat kwam hij hier zoeken?
“Mag ik u een paar vragen stellen?”
“Natuurlijk.” “Hebt u gisteren
bezoek gekregen? Van een jonge vrouw?”
“Ja,” zei Timothy. “Er is een
sociaal werkster langs geweest om een probleem te
bespreken.”
“Kunt u daar iets meer over vertellen?”
“Ze zei me dat er klachten waren. Sommige
mensen kunnen blijkbaar mijn manier van leven niet
aanvaarden. Ik leid hier een eenvoudig bestaan in
mijn woonwagen, ver van alles en iedereen. Caesar is
mijn enig gezelschap. Ik ben een beetje een
kluizenaar. Veel heb ik niet nodig, ik vraag aan
niemand gunsten, bemoei me enkel met mijn eigen zaken
en aanvaard wat de natuur me biedt. Het probleem is
dat sommige mensen een deel van de natuur als hun
eigendom beschouwen, en als ik de giften van de
natuur aanvaard beweren deze mensen dat ik heb
gestolen wat hun toebehoort. Daar draaide het
probleem dus eigenlijk om.”
“Ja, meneer O’Keefe, ik ken uw reputatie.
Kon u een regeling voor het probleem treffen met de
sociaal werkster?”
“Zo zou u het kunnen stellen. De plooien zijn
gladgestreken. Ik verwacht geen problemen
meer.”
“Wat gebeurde er na uw gesprek? Heeft juffrouw
Sanchez iets speciaals gezegd of gedaan voor ze weer
vertrok?”
Hij schudde het hoofd. Caesar kwam overeind en begon
aan de laarzen van de agent te snuffelen. Timothy
likte zijn lippen en zei: “Van al dat praten
krijg ik dorst. Wilt u ook iets drinken? Ik vrees dat
ik u alleen maar een beetje water kan aanbieden. En
misschien enkele kleine hapjes.”
Hij rommelde in een van zijn gammele kasten, haalde
twee glazen tevoorschijn, een kan water, en een
bordje met etensrestjes. Timothy leegde snel zijn
glas. De agent nipte alleen maar van het zijne, maar
de ‘borrelhapjes’ raakte hij niet aan.
Wellicht stelde hij zichzelf liever niet bloot aan de
gastronomische normen – of het gebrek daaraan
– van zijn gastheer.
“Juffrouw Sanchez is sinds gisteren
vermist,” legde de agent uiteindelijk uit.
“We praten nu met iedereen die haar nog gezien
heeft, in de hoop aanwijzingen te vinden. U bent een
van de laatste mensen die haar moet ontmoet hebben.
Mocht u iets weten dat nuttig zou kunnen zijn, dan
had ik dat graag vernomen. Aarzel niet om contact met
ons op te nemen als u later nog iets te binnen schiet
dat ons zou kunnen helpen. We kunnen iedere tip
gebruiken.”
“Ik begrijp het,” zei Timothy. “Ik
vrees dat ik u niet kan helpen.”
“Dan ga ik maar weer. Bedankt voor uw
tijd.”
De agent liet nog eenmaal zijn ogen door de woonwagen
rond spieden, alsof hij verwachtte plots het lichaam
van juffrouw Sanchez te ontdekken, netjes opgeborgen
in een van de kasten. Toen vertrok hij en liep terug
naar zijn auto. Timothy gooide de hapjes op de grond,
waar Caesar ze gulzig naar binnen werkte.
Hij dronk ook het glas van de agent leeg en schudde
het hoofd. Werd de politie niet verondersteld
aanwijzingen te vinden en vermisten op te sporen?
Blijkbaar waren ze toch niet zo bekwaam. De agent had
niet eens de stukjes vlees herkend, het enige wat nog
restte van juffrouw Sanchez, en hij had ze vlak voor
zijn neus gehad.
Gelukkig had Caesar zich ditmaal gedragen. Toen dat
meisje hem hier een bezoekje had gebracht was dat wel
even anders geweest. Ze hadden zijn probleem
besproken, en toen had juffrouw Sanchez een gebaar
gemaakt dat Caesar verkeerd had geïnterpreteerd. De
hond, die honger had en prikkelbaar was, had zijn
tanden in haar been gezet nog voor hij had kunnen
tussenbeide komen, en ze was aan het gillen geslagen.
Timothy had ervoor gezorgd dat het gillen ophield,
want dat had tot ongewenste aandacht kunnen leiden.
En aangezien Caesar en hij aanvaardden wat de natuur
hen bood, en de natuur zo attent was geweest om hen
juffrouw Sanchez aan te bieden… Ze hadden al
een poos geen vlees meer gegeten, en het meisje
vormde een welkome afwisseling voor de verdomde
paddestoelen en het fruit dat hij vond (of
“stal”). Het was verbazingwekkend hoeveel
een hongerige hond kon verslinden. De restanten had
hij aan de zwerfhonden gegeven die hier altijd rond
hingen, en verder had hij alle sporen zorgvuldig
uitgewist. Timothy had ook zijn deel gegeten, maar
veel had hij niet opzij gelegd – dat had ook
weinig zin als je geen koelkast had. Die agent had
toch wel een bijzondere delicatesse aan zich laten
voorbijgaan.
Hij was blij dat hij eigenlijk niet had gelogen tegen
de agent. Hij had in zekere zin een regeling voor het
probleem getroffen met de sociaal werkster, de
plooien waren gladgestreken en hij verwachtte geen
problemen meer. En er was niets dat hij kon doen om
te helpen. Dat waren zijn woorden geweest.
En bovendien had die agent geen reden tot klagen. Die
kerels waren taai en nauwelijks te verteren. Zou hij
ooit beseffen hoeveel geluk hij had gehad?
© Frank Roger
www.frankroger.be
NA DE CRASH
• Celtica •
De klap volgde op een moment van puur genieten. De Verzorger omvatte hem aan alle kanten en kneedde zijn lijf, terwijl kirrende geluidjes aan hem ontsnapten. Knorrend genoot hij van het interwezenlijk contact, dat deze keer echter bijzonder kort duurde. De ruimte waarin ze zich bevonden, begon te schudden en te trillen, een snerpend geluid teisterde zijn gehoor en eindigde abrupt, tegelijk met de klap.
Wat er gebeurde was te chaotisch om te kunnen
begrijpen. Het ene moment voelde hij hitte en werd
zijn luchttoevoer bijna afgesloten. Het volgende
moment rolde hij over een onbekende, immobiele
substantie en kwam tot stilstand tegen iets stevigs.
Hij moest echt even bijkomen. De geuren rondom hem
waren uitermate indringend. Hij schakelde zijn zicht
in en nam de omgeving in zich op. Het duurde even
voor hij gewend was aan de scherpte van de kleuren.
Laag zag hij voornamelijk groen, bruin en felgeel,
terwijl boven hem een helder blauwe kleur
overheerste, afgewisseld met wat beweeglijk wit. De
lucht die tot hem kwam, was totaal anders dan hij
gewend was. Desondanks nam zijn luchttoevoer deze
zonder problemen op.
Overal om hem heen werd hij leven gewaar. Bewegende
wezentjes die het luchtruim doorkruisten en relatief
klein spul dat op de immobiele onderkant van deze
plek voortbewoog. Zelfs het groen, bruin en geel om
hem heen voelde levend aan. Het maakte zijn binnenste
onrustig. Deze omgeving was compleet nieuw voor hem,
ze leek in niets op zijn thuis. Daar voerde de kleur
geel de boventoon, echter nergens zo fel als hier. En
leven kwam er slechts sporadisch voor.
In het blauwe uitspansel brandde een zon. Dat kende
hij, al was hij er twee gewend. Die stonden verder
weg dan deze en er omheen was het niet blauw zoals
hier, maar grauwgeel. In een hoek van zijn
gezichtsveld zag hij dat het zonlicht weerkaatste op
iets glimmends, waar donker gekleurde lucht boven
hing. Het trok zijn aandacht. Voorzichtig zette hij
zich in beweging en rolde ernaartoe.
Zijn voelers begonnen te trillen op het moment dat
hij de aanwezigheid van zijn Verzorger voelde. Die
zond noodsignalen uit, maar hij kon onmogelijk
dichterbij komen. Hij herkende de klank van de
signalen, maar deze klonk vervormd en allesbehalve
prettig. De donkere concentratie lucht die een
barrière vormde tussen hem en zijn Verzorger, werd
veroorzaakt door iets waar zijn voelers hem voor
waarschuwden. Het rook al net zo vies als het
eruitzag. Hij had geen idee wat hij moest doen om
zijn Verzorger te helpen. Had deze pijn? Honger
misschien? Eigenlijk maakte het niet uit, want zolang
de donkere lucht daar was, zag hij geen mogelijkheid
om dichterbij te komen. Onrustig wendde hij zijn
zicht af van het onaangename beeld en voelde zich op
slag een stuk beter.
Hij beschouwde de omgeving nieuwsgierig en begon
opnieuw te rollen. Harder en harder ging hij, tot de
lucht om hem heen geluid begon te maken. Wat een
zalige sensatie! Zijn buitenkant trilde net zo
opgewonden als zijn binnenkant. Zijn voelers zorgden
ervoor dat hij tegen geen enkel obstakel botste, maar
er razendsnel langs en tussendoor dook. Ook het
contact met de immobiele onderkant van deze omgeving
was geen probleem voor hem. Zijn dicht opeengepakte,
lange haren en ronde vorm maakten van hem een perfect
voortrollend object. Oneffenheden deden hem niets,
hij schoot er rakelings overheen. Hij genoot van zijn
tocht. Tot het moment dat de onderkant vloeibaar
werd...
Intense paniek overviel hem. Uit alle macht probeerde
hij te keren, terug te gaan naar de vaste substantie.
Dat was echter onmogelijk, het vloeibare spul drukte
hem naar beneden, ontnam hem zijn luchttoevoer. Het
drong bij hem naar binnen en even was het alsof zijn
leven hier zou stoppen. Maar dat gebeurde niet. Iets
pakte hem vast en trok hem omhoog, de vrije ruimte
in.
“Hé, wat is dit nou? Mam, kijk! Wat is dit voor
beest?”
Een warm wezen had hem gered uit de vloeibare
substantie. Langzaam ebde de paniek uit hem weg, zijn
luchttoevoer begon beetje bij beetje weer normaal te
werken. Zijn buitenkant voelde smerig aan. De
substantie klitte aan hem en drukte zijn temperatuur,
waardoor hij bijna net zo hard trilde als daarnet. Nu
was de sensatie echter helemaal niet prettig. Wat een
geluk dat het warme wezen hem vast had.
“Hè, getsie Jasper. Het lijkt wel een verzopen
kat,” hoorde hij het geluid van een tweede
wezen.
Dit boog over hem heen en raakte hem aan. De geur die
deze twee warme wezens verspreidden, liet zijn
voelers trillen.
“Nou, een kat is het niet, hoor mam. Moet je
kijken, het heeft niet eens pootjes!”
“Gek... Geen idee wat dit is. Maar het is beest
en het heeft duidelijk warmte nodig. We kunnen het in
het picknicklaken rollen, dan droogt het op.”
De twee wezens legden hem op de vaste ondergrond en
drapeerden iets om hem heen. De vloeibare substantie
aarzelde even, maar verkoos het toen om in het
omhulsel te trekken. Dat luchtte op en al snel had
hij behoefte om het kleffe ding van zich af te
schudden. Daar kreeg hij echter niet de gelegenheid
toe. De wezens wisselden klanken met elkaar uit,
waarna één van hen hem weer opnam, tegen zich aan
hield en zich in beweging zette. Nieuwsgierig bewoog
hij zich zo dat zijn zicht boven het omhulsel
uitkwam.
Het wezen met wie hij meereisde, begaf zich naar een
voorwerp, waar het zonlicht op weerkaatste. Het ding
stuurde een vage herkenning naar zijn brein, zeker
toen een deel ervan week door een beweging van het
wezen, dat zich met hem in de opening zette. Het deel
ging achter hen dicht en sloot hen af van de
buitenwereld.
Ook al zag het er compleet anders uit, toch vertoonde
het een verre gelijkenis met de Zoever waar zijn
Verzorger hem in meegenomen had. De temperatuur in
het voorwerp was nog aangenamer dan in de vrije
ruimte en hij knorde van genot.
“O, kijk nou mam, hij vindt me lief!”
De klanken droegen verrukking in zich en even deed
het wezen hetzelfde als zijn Verzorger zo vaak deed.
Het kneedde hem en maakte kirrende geluidjes. Het
drapeerde zich bijna helemaal om hem heen en legde
zijn blote vlees tegen hem aan, waardoor hij even
geen beelden kon waarnemen. Desondanks voelde het
goed. Het liet hem bovendien voelen dat hij al een
tijdje niet gegeten had.
“Wees nou voorzichtig, Jasper, je weet helemaal
niet wat voor beest dit is. We zullen thuis de
encyclopedie er eens op naslaan.”
Het warme voorwerp waar ze zich nu in bevonden was
allesbehalve een Zoever. Het was een Brommer en soms
zelfs een Bruller, die schokte en hobbelde op een
bijzonder onaangename manier. De honger die bij hem
opgekomen was, maakte al snel plaats voor
misselijkheid. Hij begreep niet dat de wezens er geen
last van hadden. Ze wisselden bijna constant
ontspannen klanken uit. Ineens slaakte één van hen
een irritante, hoge toon. Het brommen en schokken
stopte abrupt.
“Kijk daar! Een brandende auto!”
Het wezen dat hem vast had, volgde het andere wezen
de Brommer uit. Zelf keek hij boven het kleffe
omhulsel uit om te zien waar de wezens zo heftig op
reageerden. Een eindje van hem vandaan zag hij de
smerige lucht, die aan concentratie had ingeboet,
boven de resten van de Zoever hangen. Heel zwak
drongen de noodsignalen van zijn Verzorger tot hem
door. De wezens die hem gered hadden, bewogen zich in
de richting van de signalen en ineens kreeg hij een
idee. Eenmaal buiten de Brommer was de lucht die tot
hem kwam minder benauwd. De misselijkheid trok uit
hem weg en maakte weer plaats voor honger. Misschien
had zijn Verzorger daar ook last van. Nu de smerige
lucht verminderde, kon hij misschien bij hem in de
buurt komen.
“Mam! Kijk nou, dat is geen auto! Mam!”
De geluiden van zijn redder deden pijn aan zijn
gehoor. Ze klonken schril, doordringend. Het werd
tijd dat hij uit dat kleffe ding kwam en zich kon
verwijderen van de geluidsvoortbrenger van dat wezen.
Hij begon te draaien, net zolang tot hij los kwam van
het ding en hij zich uit de warme greep van zijn
redder kon losrukken. Hij viel op de immobiele
onderkant van deze wereld.
“Het is een... Het is...”
“Ja echt: een ruimteschip! Mam, kijk, het is
een ruimteschip!”
“Jasper, pas op, niet te dichtbij! Verdorie,
waarom heb ik hier geen bereik?”
“Hé mam... Zou dat beestje... Zou het een alien
zijn? Een soort ET?”
“Ik weet het niet, jongen, maar ik moet echt
112 bellen! Nee hoor, het lukt niet, geen
bereik...”
Even ervoer hij een spijtig gevoel jegens zijn warme
redder en diens begeleider. Het was prettig geweest
in hun nabijheid. Maar nu hij vlakbij zijn Verzorger
was, dacht hij dat hij een oplossing voor diens
noodsignalen had. Hij richtte zijn zicht en zijn
voelers op zijn redder, de kleinste van de twee. De
warmte in het wezen werd veroorzaakt door bewegende
substantie in diens binnenste. Bovenaan het wezen zat
een brein, waar veel van die substantie doorheen
vloeide. Het werd echter beschermd door iets hards.
Maar daar vlak onder was een deel waar hij
gemakkelijk bij kon. Hij stelde zijn snijders in en
duwde zich tegen de zwaartekracht in omhoog. Een
snerpend geluid tergde zijn gehoor op het moment dat
hij tegen het wezen aanbotste en zijn snijders een
diepe vore in het blote vlees trokken. Opnieuw voelde
hij zich doordrenkt in vloeibare substantie. Deze
keer was het echter warm en levend. Zijn lijf nam de
substantie op als een spons en even explodeerden de
kleuren om hem heen door pure extase.
“Jasper! Mijn god, nee! Jasper!”
Ondanks dat zijn redder schokkend maar verder
geluidloos op de grond lag, duurde het snerpende
geluid voort. Het werd voortgebracht door het
grootste wezen, dat zich over het kleine heen boog.
Het beefde van top tot teen en straalde volkomen
paniek uit. Al snerpend zocht het de omgeving af,
zocht naar hem. Snel schudde hij de extase van zich
af. Hij stelde nogmaals zijn snijders in en rolde met
volle snelheid op het tweede wezen af. Het gesnerp
nam in intensiteit toe, tot zijn snijders zich ook in
het warme vlees van dit wezen boorden. Daarna kon hij
in alle rust genieten van zijn maal.
Na enige tijd drongen de noodsignalen van zijn
Verzorger weer tot zijn brein door. Het geluid was
veel zwakker dan voorheen. Het gaf hem het gevoel dat
het weinig zin had om hem te redden. De staat waarin
de Zoever verkeerde, was deplorabel, hij twijfelde of
deze zomaar weer in beweging zou komen. Hij overwoog
zijn situatie. Om hem heen was veel leven, de
omgeving bood ongekende mogelijkheden. Zijn Verzorger
was goed voor hem geweest, maar nodig had hij hem
niet. Nee, liever ging hij hier op verkenning.
Tevreden over zijn besluit schudde hij zich en rolde
weg.
Celtica
© Rianne Lampers
DE MAN DIE IN DE TIJD KON REIZEN
• Frank Roger •
Het was de hele dag bloedheet geweest en ik was blij de Lege Zandloper te betreden, in de wetenschap dat me hier prima bier en goed gezelschap wachtten. Ik stelde niet bepaald tot mijn verrassing vast dat mijn vriend Enzo al aanwezig was, nam plaats aan de bar naast hem en vroeg hoe hij het stelde.
“Met mij is alles is in orde,” zei hij,
“maar jij ziet er dorstig uit. Wat dacht je van
een Quintine om dit pijnlijke probleem op te
lossen?”
Ik stemde in met zijn strategie en enkele ogenblikken
later bleek mijn dorst een makkelijke prooi voor het
Quintine-offensief.
“Er is echter nog iets dat me dwars zit,”
ging Enzo verder, blijkbaar ontevreden met zijn
aanvankelijke antwoord op mijn vraag. “Zie je,
mijn zoontje is nu zes maanden oud, en ik krijg hem
nauwelijks te zien. Ik vind dat werkelijk
verschrikkelijk erg. Hoort een vader zijn zoon dan
niet te zien opgroeien?”
“Absoluut,” antwoordde ik. “Ik zie
maar twee mogelijkheden. Ofwel voed je je zoontje
hier op in de Lege Zandloper, ofwel probeer je af en
toe eens thuis te zijn. Nu weet ik best dat je die
tweede optie ondenkbaar acht, en ik verwacht je
zoontje dan ook spoedig hier te ontmoeten.”
“Je bent heel erg grappig,” mopperde
Enzo. “In ieder geval heb ik de eerste zes
maanden van het leven van mijn zoontje gemist, en dat
valt nu eenmaal niet meer te veranderen.”
“Oh, jawel,” zei de man die rechts van
Enzo zat plots. We keken allebei de vreemdeling aan,
wachtend op een woordje uitleg.
“Als je in de tijd zou kunnen reizen zou je
kunnen terugkeren en iedere minuut van de zes maanden
die je hebt gemist beleven,” zei de man.
“En ik weet waarover ik het heb. Ik ben een van
die bevoorrechten die in de tijd kunnen
reizen.”
“Ach zo,” zei Enzo sceptisch. “Kun
je dat bewijzen?”
“Geen probleem,” zei de vreemdeling.
“Betaal nog een rondje van dat bier en ik maak
een kleine trip in de tijd om jullie te
overtuigen.”
Enzo betaalde nog een rondje Quintine, we hieven het
glas en namen een slok. We keken allebei de
vreemdeling aan, die zijn glas voor de helft
leegdronk en geen woord sprak.
“Wel,” zei Enzo na enkele ogenblikken.
“Ging je geen demonstratie tijdreizen
geven?”
“Dat heb ik zopas toch gedaan,” zei de
man op lijzige toon.
“En waarom hebben we dan niets gezien?”
vroeg Enzo.
“Ik ben weggegaan naar een punt in de tijd dat
twee jaar in de toekomst ligt, en kwam dan terug naar
hier op hetzelfde tijdstip vanwaar ik vertrok, wat
verklaart waarom jullie niets zagen. Vanuit jullie
oogpunt was ik maar een fractie van een seconde weg,
te kort om te kunnen geregistreerd worden door jullie
ogen. Je moet weten dat ik het risico niet wilde
lopen dat mijn Quintine verschaald zou raken.”
“Dat is een hoogst redelijk excuus,” gaf
Enzo toe, “maar het ontkracht wel je
tijdreisdemonstratie. Hoe kun je nu verwachten ons te
overtuigen als we niets zien?”
“Het is niet omdat jullie niets merkten dat ik
niet in de tijd gereisd heb,” weerlegde de
vreemdeling.
“Als je iets wilt bewijzen zul je ons toch
moeten overtuigen,” stelde ik. “Je mag
rustig theorieën blijven verkondigen, maar je zult
ons enkel kunnen overhalen met onweerlegbare feiten.
Toon ons dat je in de tijd kunt reizen. Geef ons een
tastbaar bewijs. Leg ons uit hoe het tijdreizen in
zijn werk gaat. Hoe ga je heen en weer in de
tijd?”
De man zuchtte, dronk zijn glas leeg en zei:
“Ik herlokaliseer mijn coördinaten in het
tijdruimtecontinuüm, kalibreer mijn vectoren in de
vier dimensies, stel mijn de- en
hermaterialiseringsparadigma’s in en zo flits
ik heen en weer. Let wel, ik besef best dat dit
jullie petje te boven gaat. En van al dat praten
krijg ik dorst. Kunnen we nog iets drinken? Misschien
iets hartigs en donkers, een biertje dat past bij
mijn gemoed?”
Enzo bestelde een rondje Florival en zei, “Denk
je niet dat een tweede demonstratie een goed idee zou
zijn?”
De man nam een flinke slok van het bruine bier en
knikte. “Akkoord.” Hij schudde het hoofd,
knipperde een paar maal en zei: “Wel, ik ben
terug. Ditmaal heb ik een reis naar het verleden
gemaakt, en keerde ik terug naar mijn vertrekpunt. Ik
kon me er niet toe brengen iets later terug te keren,
omdat ik wist dat dit heerlijke bruine brouwsel hier
voor me klaar stond.” Hij reikte naar zijn glas
en dronk gulzig.
“Je waardering van onze bieren is inmiddels
voldoende bewezen,” gaf Enzo toe, “maar
ik kan helaas niet hetzelfde zeggen van je vermogen
om in de tijd te reizen.”
De man wierp hem een boze blik toe, en mompelde iets
binnensmonds. Het was onduidelijk of hij geïrriteerd
raakte door onze weigering om zijn bewijsvoering te
aanvaarden, of dat hij alleen maar dronken werd.
“Jullie nemen me niet ernstig,” zei hij
met lispelende stem. “En nochtans vertelde ik
jullie de waarheid. Ik heb die twee trips in de tijd
werkelijk gemaakt.” Hij dronk zijn bier leeg en
mepte op de bar.
“Wat kan jullie dan wel overtuigen? Stel dat ik
een reis in de tijd maak en terugkeer naar een punt
in de tijd dat flink wat later ligt dan mijn
vertrekpunt. Dan is mijn bewering bewezen, maar
jullie afwezigheid bij mijn terugkeer zou het
allemaal zinloos maken. Of stel dat ik terugkeer naar
een punt in de tijd dat voor mijn vertrekpunt ligt,
dan weten jullie nog niet waarover het allemaal gaat,
omdat we dit gesprek nog niet gevoerd hebben, en ook
in dat geval is de inspanning voor niets
geweest.”
“Dus je geeft toe dat je geen bewijs kunt
leveren van je bijzondere talent?” concludeerde
Enzo.
“Wacht even, er is wel degelijk nog een
mogelijkheid die jullie beslist zal overtuigen. Het
is mijn laatste kans. En ook jullie laatste kans.
Bekijk me eens goed. Noteer alle details.”
“Welke details?” vroeg Enzo. “Waar
heb je het over?”
“De details van mijn uiterlijke
verschijning,” legde de man uit. “Mijn
gezicht, mijn haar, mijn hemd, alles. Tracht je te
herinneren hoe ik er uit zie, tot in de kleinste
details.”
We bekeken hem grondig en namen nota van ieder aspect
van zijn uiterlijke verschijning.
Uiteindelijk zei de man: “Kijk, ik ga nu naar
het toilet, vanwaar ik enkele reizen in de tijd ga
maken, een behoorlijk groot aantal trips naar het
verleden en naar de toekomst, en als ik terugkom dan
zullen jullie beslist overtuigd zijn. Zorg er wel
voor dat er nog een biertje voor me klaar staat als
ik weer opdaag. Tot ziens.” De man wipte van
zijn barkruk en ging naar het toilet.
Enzo vroeg me wat ik ervan dacht, en ik antwoordde
dat ik mijn twijfels had over deze man, wiens
belangstelling voornamelijk leek uit te gaan naar het
versieren van gratis bier. Geen wonder dat hij nu
naar het toilet moest. Ik bestelde voor ons allebei
een Kwak, en we hadden nauwelijks onze discussie van
het onderwerp aangevat of de man kwam alweer terug.
Het was wel degelijk dezelfde man, hoewel hij er
anders uitzag. Hij had nu grijs haar, zijn gezicht
zal vol groeven en rimpels, en zijn hemd was vuil en
gekreukt, hier en daar zelfs gescheurd. Hij klom weer
op zijn kruk, wanhopig speurend naar het biertje dat
hem beloofd was. Op Enzo’s wenk gaf de barman
hem een Kwak, en hij dronk ervan alsof hij in geen
jaren nog een biertje had gesmaakt.
Enzo en ik bestudeerden het uiterlijk van de man en
wisselden blikken uit. Was de man een truc aan het
opvoeren? Was dit nu bedoeld als overtuigend bewijs
voor zijn vermogen om in de tijd te reizen? Werden we
nu verondersteld aan te nemen dat hij had
rondgezworven in het grijze verleden en zich ver in
de toekomst had gewaagd, om dan eindelijk terug te
keren naar het toilet van de Lege Zandloper, luttele
minuten na zijn punt van vertrek?
“Wel, als jullie nu nog niet overtuigd zijn,
dan zijn jullie het nooit,” zei de man, dronk
zijn bier leeg en verliet de pub.
“Wel, Enzo, wat denk je ervan?” vroeg ik.
“Ik denk dat die man drie prima biertjes heeft
gehad zonder iets te moeten betalen. Wat hij precies
heeft uitgespookt in het toilet weet ik niet, maar
als ik nu eens stel dat hij daar make-up heeft
aangebracht op zijn gezicht en zijn haar grijs heeft
gekleurd?”
“En heeft zitten aanmodderen met zijn
hemd.”
“Ach ja, zijn hemd. Alsof mensen die lange
tijdreizen ondernemen geen ogenblik vinden om van
hemd te veranderen, zodat ze van hun odyssee
terugkeren met vuile lompen. Deze kerel was een
bedrieger, die gebruik maakte van goedkope trucjes om
gratis bier te scoren. We zijn erin geluisd.”
Op dat moment kwam er nog iemand terug van het toilet
en zei tegen de barman: “Hé, je moet daar eens
een kijkje gaan nemen. Een van de toiletten is
verstopt met wat wel een gigantische massa versteende
uitwerpselen lijkt.”
“Een gigantische massa versteende
uitwerpselen?” riep de barman uit. “Is
dit nog zo’n practical joke van die bedrieger
met zijn wel heel erg slechte smaak?”
“Alsof het feit dat wij zijn bier moesten
betalen nog niet erg genoeg was,” voegde ik er
aan toe.
“Er is nog een andere mogelijkheid,”
stelde Enzo. “De man reisde inderdaad in de
tijd, hield de deur van het toilet gesloten, kwam met
grote regelmaat terug om zich te ontlasten tijdens
zijn uitvoerige zwerftochten in de tijd, en kwam
uiteindelijk terug naar de bar om zijn biertje te
halen en vertrok toen. Misschien klopt het allemaal
wel.”
“Maar zijn hemd dan?” vroeg ik.
“Heb je daar een verklaring voor?”
Enzo haalde de schouders op. “Ik ga soms ook
naar huis met een gekreukt hemd.”
“Gezien de tijd die je hier doorbrengt zonder
van kleren te veranderen lijkt me dat hoogst
aannemelijk,” gaf ik toe.
“Maar Enzo betaalt tenminste zijn rekening en
laat geen hopen versteende uitwerpselen na in het
toilet,” zei de barman. “Ik weet wel aan
welk soort klant ik de voorkeur geef.”
“Daar drink ik op,” riep Enzo juichend
uit en betaalde nog een rondje. “En als de Lege
Zandloper zijn reputatie eer aandoet, dan zal de
volgende man die hier binnenkomt een onderzoeker in
de uitwerpselkunde blijken te zijn, die maar al te
graag onze hoop versteende smurrie zal willen
meenemen, omdat het nu eenmaal fascinerend
bronmateriaal is voor de archeologische studie die
hij aan het schrijven is.”
“En hoe weten we of hij inderdaad de man is op
wie we zitten te wachten?” vroeg ik.
“Hij zal een codewoord uitspreken om zijn
identiteit te onthullen,” zei Enzo gniffelend,
duidelijk plezier scheppend in zijn fantasie.
We draaiden allen het hoofd toen de deur van de pub
open ging, en een man naar binnen kwam, verbaasd om
de afwachtende blikken die hem toegeworpen werden.
Hij stootte zijn knie pijnlijk tegen een stoel en
zei: “Shit.”
© Frank Roger
www.frankroger.be
MEMOIRES VAN EEN CYBORG
• Andries Denturck •
Ik ben een cyborg, een mix van menselijke en cybernetische componenten, maar ben ik een mens of ben ik een robot? Aangezien ik denk, ben ik, maar wat ben ik eigenlijk? Tegen wil en dank ben ik mijn lichaam kwijtgeraakt, maar ben ik tegelijkertijd niet mezelf kwijtgeraakt? Mijn lichaam bestaat enkel nog in mijn herinneringen en wie weet hoe lang het duurt voordat ook zij vervagen en vervangen worden. Daarom schrijf ik deze memoires, de memoires van een cyborg: om de herinnering levend te houden. Als je zo lang geleefd heb als ik - ik ben er 189 - dan herinner je je maar bitter weinig van je leven. Vooral mijn kindertijd is reeds decennialang een groot vraagteken. Herinneringen zijn vluchtig en dan is het nog maar de vraag hoeveel van wat ik me herinner, daadwerkelijk gebeurd is. Ik meen mij te herinneren dat ik als kind geïnteresseerd was in wetenschap en over alles wel een vraag klaar had. Veel van die vragen gingen dan over het gevreesde "broeikaseffect", dat toen al een vergevorderd stadium bereikt had. Na mijn laatste jaar middelbaar besloot ik dan ook chemie te gaan studeren om in al mijn jeugdig enthousiasme de wereld te verbeteren en het broeikaseffect ongedaan te maken.
Ik was echter een paar jaar te laat geboren, want die
zomer nog werd de werking van enkele specifieke
nano-partikels ontdekt. Die zouden dienen als
katalysator bij bepaalde chemische reacties in de
lucht, waardoor het broeikaseffect verleden tijd zou
worden. Nano-optimisten:1, Nanopessimisten: 0. Het
oorspronkelijke wantrouwen voor nanotechnologie
verdween als sneeuw voor de zon en maakte plaats voor
een ongebreideld toekomstoptimisme. De mensheid was
haar eigen godheid geworden. Een jaar
later had het mondiale optimisme plaatsgemaakt voor
een mondiale oorlog en de godheid bleek meer
specifiek een oorlogsgod te zijn. Ik had nog maar net
mijn eerste jaar chemie met vrucht beëindigd of ik
werd onder de wapens geroepen. Na een zeer beknopte
opleiding tot kannonnenvoer werd ik meteen naar het
front gestuurd om er, uitgerekend in Genève,
slachtoffer te worden van een nieuw soort zenuwgas.
Het gas bestond namelijk uit nano-partikels die
inwerkten op elke receptor van het centraal
zenuwstelsel. Wie getroffen werd, doorstond helse
pijnen, die pas ophielden wanneer het hart het van de
stress begaf. In de liefde en in de oorlog is alles
toegestaan en de verdragen getekend in vredestijd
zouden daar niets aan veranderen. Die ene aanval
betekende trouwens meteen ook het einde van de
oorlog, aangezien de generaals inzagen dat er niets
roemrijk was aan dergelijke massamoord. Er werden als
vanouds een hoop verdragen getekend en handen geschud
en de conventies van Genève werden nog eens dunnetjes
overgedaan. Maar... Niet iedereen was gestorven door
de blootstelling aan het zenuwgas. Ik behoorde tot de
"happy few" die de gasaanval wonderwel overleefd
hadden, maar nog niet al het leed was geleden. Ik
werd geïnterneerd in een psychiatrische instelling
waar ik jarenlang herstelde van mijn psychische
letsels. Naar verluidt was mijn geval zo uniek dat er
zelfs een speciaal syndroom naar vernoemd is. Dat
syndroom heeft trouwens niet alleen mentale, maar ook
fysische gevolgen. Het zenuwgas veroorzaakt namelijk
een vervroegde degeneratie van het lichaam. Hier kwam
de nanotechnologie in al haar ironie weer om het
hoekje kijken. Telkens een lichaamsdeel het liet
afweten, werd het vervangen door een cybernetische
variant, waardoor ik onderhand meer robot dan mens
werd. Aangezien ik continue onder invloed was van
nano-pijnstillers kon ik mij niet verzetten tegen
deze transformatie. Er werd mij trouwens ook nooit
iets gevraagd. Een land dat haar oudstrijders
verwaarloost, verwaarloost haar verleden. Ik werd
uiteindelijk een mascotte van de technologische
verwezelijkingen van het vaderland.
Na een jarenlang verblijf werd ik uiteindelijk
uit de psychiatrische instelling ontslaan en kon ik
mijn oude leven hervatten. Ik bevond mezelf in een
lichaam dat het mijne niet meer was, in een wereld
waar ik totaal van vervreemd was geraakt. Als
oudstrijder kreeg ik een ruim pensioen, maar ik wist
niet goed meer wat ik met mijn leven nog moest
aanvangen. Uiteindelijk besloot ik opnieuw te gaan
studeren, ditmaal echter geen chemie, maar filosofie.
Ik had een afkeer gekregen van elke vorm van
wetenschap aangezien ze mij meer kwaad dan goed had
gedaan. Ik weigerde dan ook systematisch elke vorm
van nieuwe technologie aan te leren, zodat ik onder
mijn medestudenten doorging voor een pathetische oude
zak.
Die pathetische oude zak werd uiteindelijk wel
benoemd tot professor in de wijsbegeerte en hij was
het die de befaamde nano-profetie opstelde. Ik stelde
namelijk dat het niveau waarop de wetenschapper
werkzaam is, omgekeerd evenredig is tot de
verantwoordelijkheid die deze draagt. Deze
verantwoordelijkheid zou voor sommigen een te zware
last zijn en zo zou de mensheid haar eigen ondergang
betekenen. Aanvankelijk werd deze stelling smalend
afgedaan. Deze keer was ik geen pathetische, oude zak
meer, maar een pathetische, archaïsche doemdenker.
Uiteindelijk werd mijn ontslag als professor geëist
en kon ik terug naar mijn vertrouwde instelling gaan.
Daar zag ik een groot deel van mijn oorlogsmakkers
terug, aangezien ook zij niet in de moderne
samenleving pasten.
Twee jaar geleden kwam echter aan het licht dat de
partikels die eerder de wereld gered hadden ook een
katalysator waren geweest bij de vorming van de
gevreesde eco-radicalen. Ik kreeg mijn eerherstel,
maar de planeet kreeg dit niet. Op het moment dat ik
dit schrijf is de wereld er dan ook zeer slecht aan
toe. Zo slecht zelfs dat hij de status "Terminaal
verziekt" gekregen heeft. Ondertussen zijn mijn
hersenen het enige wat nog herinnert aan mijn ouders
en in tegenstelling tot de rest van mijn lichaam
kunnen zij niet vervangen worden. Men kan nog wel
mijn hersenen bewerken met allerhande
nano-chemicaliën, maar daarvoor heb ik vriendelijk
bedankt. Het doek over mijn bestaan moet ooit eens
vallen en de vraag is zelfs of ik überhaupt nog
besta...
Naschrift:
Met dit kortverhaal nam Andries Denturck uit de
Sint-Jozefscollege te Aalst deel aan de
essaywedstrijd ter gelegenheid van het Nano Nu
festival, ingericht door het Vlaams Instituut voor
Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek
– Samenleving en Technologie.
©
Andries Denturck
HET SPOOR BIJSTER
• Rianne Lampers •
“Geloof me, het is niet mijn idee, maar er is
niets aan te doen. De grond is van ProRail, jullie
hebben deze alleen maar in bruikleen. De directie
heeft al toegezegd dat jullie allemaal schadeloos
gesteld worden, precies zoals in de schriftelijke
bevestiging van de procedure staat. Iedereen krijgt
een mooi bedrag ter compensatie.”
De neerbuigende blik op het gezicht van de inspecteur
van ProRail ergerde de bejaarde Mien mateloos. Dat
kwam hier zomaar aanlopen, met een air van jewelste,
om tegen haar en de hier verzamelde buurtjes te
zeggen dat - hoe jammer hij het ook vond voor hen en
ondanks hun bezwaren - alles toch tegen de vlakte
moest. De graafmachines en bulldozers zouden over een
week komen om de hele boel overhoop te gooien.
“Ja, en iedereen krijgt evenveel! Dat is toch
oneerlijk? Sommigen hebben nooit wat aan hun tuintje
gedaan, terwijl anderen er bloed, zweet en tranen
hebben liggen,” gromde buurman Bas Slootkant.
Zijn woorden stuurden een niet onaangename rilling
over Miens ruggengraat. Bas moest eens weten hoe waar
zijn woorden waren.
De man van ProRail haalde zijn schouders op.
“Het is niet anders. Maar zeg nou zelf: het is
een meer dan redelijk bedrag. Zorg er alsjeblieft
voor dat aan het eind van de komende week alles van
waarde hier weg is, dan kan de klus zonder problemen
geklaard worden.”
En daarmee was de kous af.
De buurtjes mopperden flink en ook Miens echtgenoot
Anton deed volop mee. Hij leunde op zijn hark, zijn
mond verbeten, zijn blauwe ogen venijnig. Ondanks
zijn hoge leeftijd oefende hij nog steeds
aantrekkingskracht op Mien uit. Zij kende de kracht
van zijn schonkige lijf, de slagkracht van zijn nog
altijd gespierde armen. Anton tilde zijn hark op en
spuugde op de grond, vlak voor de voeten van de
inspecteur. Diens vernietigende blik zocht contact
met de harde ogen van de gepensioneerde slager en hij
opende zijn mond om iets te zeggen.
Sussend mengde Mien zich ertussen. “Getsie,
Anton, dat vind ik nou buitengewoon onhoffelijk van
je. Sorry, meneer de inspecteur, maar u moet weten
dat we hier al zo veel jaren van dierbare
herinneringen hebben liggen. Het is voor ons niet
gemakkelijk.”
De inspecteur draaide zich naar haar toe. Zijn blik
was op slag een stuk milder. “Zoals ik al zei,
mevrouw, het is niet mijn idee,”
verontschuldigde hij zich. “Maar het is gewoon
nodig in de strijd tegen de overlast langs het
spoor.”
Over zijn brede schouders zag Mien hun veertienjarige
kleinzoon Terence naderen. Die leek in bijna niets op
zijn opa, met zijn slungelige lichaam en lange benen.
Toch school er een onvermoede kracht in het joch. Ze
wierpen elkaar een blik van verstandhouding toe,
waarna Mien zich tot de inspecteur wendde en zei:
“Ach meneer, ik begrijp het wel. U doet ook
maar uw werk. Het is vast niet uw idee geweest om de
tuintjes te ruimen.”
Ze liet haar blik langs de man glijden en legde een
moederlijke hand op zijn arm, kneep daar vriendelijk
in. De man was lang en stevig van postuur. Op
samenzweerderige toon voegde ze aan haar woorden toe:
“Als u eens wist wat een heerlijke gerechten ik
maak met wat het tuintje ons te bieden heeft.
Misschien dat u dan een beetje kunt voelen wat een
gemis het zal zijn als we dit niet meer hebben. Maar
ja, sommige dingen zijn nu eenmaal onomkeerbaar. Nou,
weet u wat? Als u zondagavond eens rond een uur of
negen langskomt, dan zorg ik dat ik nog een lekker
kostje voor u heb. Wat vindt u daarvan? En wat
groenten om mee te nemen naar uw vrouw.”
De verraste blik van de inspecteur deed Mien goed.
Hij keek van haar naar Anton. De robuuste
gepensioneerde leek te aarzelen of hij boos moest
worden om het voorstel van zijn vrouw. Hij koos
echter eieren voor zijn geld, spuugde opnieuw, maar
nu een andere kant op.
“Tegenspreken heb ik allang afgeleerd,”
grijnsde hij, in een poging geagiteerd te klinken.
Antons opmerking toverde een grijns op het gezicht
van zijn kleinzoon. De jongen volgde zijn opa in de
richting van het terras voor het uitmuntend
onderhouden tuinhuis dat grensde aan een paadje met
slecht onderhouden bouwsels en tuintjes. Dat deel van
het complex werd bijna nooit betreden, uiteindelijk
was niet iedere huurder even trouw in het onderhouden
van zijn stukje natuur aan de rand van de stad.
Het was nog bijzonder warm voor september. Marcel
Gijzen parkeerde zijn auto aan de rand van het
volkstuintjescomplex langs het spoor. Het voorstel
van het omaatje om daar wat te eten, was zo gemeend
op hem overgekomen, dat hij het niet over zijn hart
kon verkrijgen er niet op in te gaan. Nadat hij thuis
zijn verhaal gedaan had, had zijn vrouw hem voor gek
verklaard.
“Straks vergiftigen ze je nog,” had ze
gemopperd, “of gooien je voor de trein!”
Met het beeld van de mollige oude vrouw en haar boers
aandoende echtgenoot in zijn hoofd had Marcel haar
uitgelachen.
Hij had haar omhelsd en gegrijnsd: “Jij kijkt
te veel naar detectives, Anna. Het zijn
gepensioneerden! Ik ben om een uur of tien terug. Tot
later!”
Er was nog een aantal mensen aan het werk in de
tuintjes en hier en daar zat een ouder echtpaar op
een terrasje. Degenen die hem herkenden wierpen hem
niet al te vriendelijke blikken toe, maar niet één
van hen sprak hem aan. Dat hoefde ook niet, hij had
geen zin in oeverloze discussies.
“Kijk eens wie we daar hebben.”
De oude vrouw kwam hem met een innemende glimlach op
haar gezicht tegemoet. Ze stak een hand naar hem uit
en stelde zich voor. “Mien Hoogerwaard. Dit is
mijn man Anton en dat is mijn kleinzoon
Terence.”
Marcel voelde zich zowaar een beetje verlegen door
haar hartelijkheid. Ze deed hem aan zijn eigen oma
denken, aan vroeger, aan vakanties aan zee en door
zijn oma zelfgebakken appeltaart. Hij schudde haar
hand, die zacht en warm aanvoelde. Aangespoord door
haar stak ook haar man een hand naar hem uit. In
tegenstelling tot de hand van zijn vrouw, voelde die
van Anton aan als schuurpapier. Bovendien was zijn
handdruk zo krachtig, dat de afdruk van Marcels
trouwring in zijn vingers bleef staan. Met een licht
vertrokken gezicht knikte hij naar de oude man.
“Biertje?” Dat was Terence. De puber gaf
geen hand en bleef op een afstandje staan. Marcel
knikte als antwoord en volgde Mien naar de
klaarstaande tuinstoeltjes.
Anton zakte kreunend op één van deze neer en
mopperde: “Ja, dat krijg je als je ouder wordt.
Alles gaat kraken.”
Mien was Terence het tuinhuisje in gevolgd. Ze kwamen
samen terug, Terence met twee flesjes bier en Mien
met een schaal vol met gehaktballetjes. Er kwam stoom
en een zalige geur vanaf. Het water liep Marcel in de
mond. De volgende schaal die Mien aandroeg, bevatte
stukjes rauwe groente, zoals peen, komkommer en
tomaat.
“Allemaal uit de tuin,” glunderde Mien
Marcel lachte hardop: “Behalve dan de
balletjes!”
Ze lachten om hem, het ijs was gebroken en als
vanzelf kwamen de verhalen los. Op verzoek van Anton,
een rasechte Rotterdammer, vertelde Marcel over de
buurt waar hij woonde, de nieuwbouw daar en de ziel
die nog ontbrak in de wijk. De oudjes op hun beurt
vertelden over het oude Noorden en de volkstuintjes,
over de hen teleurstellende kinderen en het kleinkind
dat ze liefdevol onder hun vleugels genomen hadden
omdat zijn ouders met de noorderzon vertrokken waren.
Anton zat werkelijk op zijn praatstoel. Hij vertelde
geanimeerd over zijn diensttijd in Nederlands-Indië
en Papoea Nieuw-Guinea, waar hij volgens zeggen zelfs
koppensnellers van dichtbij had meegemaakt. De tijd
vloog om. Nadat de gehaktballetjes op waren, haalde
Mien nog een schaal met vleeshapjes. Ze smulden er
alle vier van. Na zijn vierde biertje wierp Marcel
een blik op zijn horloge. Tien voor half elf!
“O jee, dat wordt ruzie,” verzuchtte hij.
“Ik heb beloofd om een uur of tien thuis te
zijn.”
De temperatuur was nog steeds aangenaam. Het was
inmiddels donker, maar een viertal tuinfakkels en wat
licht dat uit het tuinhuisje kwam, maakten het reuze
gezellig. Af en toe raasde een trein voorbij, die
Marcel weer herinnerde aan hoe hij hier terecht was
gekomen.
“Heb je niet zo’n mobiel ding? Dan zeg je
toch gewoon dat je net vertrokken bent? Weet je vrouw
veel!”
Marcel grijnsde instemmend en stond op. Voor hij er
erg in had, ontsnapte hem een boer: de hapjes lagen
verdraaid zwaar op de maag. Hij voelde dat het bier
zijn blaas bovendien al aardig gevuld had.
“Als ik nog even van jullie toilet gebruik mag
maken, dan ga ik er zo weer vandoor.”
“Tuurlijk. Binnen is een wc.”
Anton maakte een hoofdknik naar het huisje.
“Ach, van alle gemakken voorzien hier,
toch?”
Marcel tolde even op zijn benen, grinnikte om
zichzelf en wankelde achter Mien aan naar het huisje
toe. Het toilet was met recht het kleinste kamertje.
Het was er aan de krappe kant, dus deed hij zijn
behoefte zittend. Met zijn aangeschoten toestand zou
Anna vast moeite hebben, besefte hij. Als een
schooljongetje zat hij op de pot te grinniken om
zichzelf. Na de laatste druppel hees hij zich weer op
zijn benen en ritste zijn gulp dicht. Hij trok door,
deed de deur open en stapte naar buiten. Het volgende
moment zag hij in een flits iets op zich af zoeven.
Een adembenemende dreun liet zijn kaken op elkaar
klappen, met zijn onderlip ertussen. Bloed stroomde
in zijn mond terwijl in zijn hoofd een explosie van
licht plaatsvond. De hitte die daarbij vrijkwam, zoog
als een gigantische steekvlam in één teug alle
energie, samen met zijn bewustzijn, uit zijn lijf.
Hij dobberde naakt rond op zee, op een vlot. Op en
neer ging het, op een golfslag die paste bij
windkracht drie of zo. Desondanks maakte het dobberen
hem zeeziek. Er hing dan ook een verschrikkelijke
stank om hem heen, als van rottend vlees en bedorven
vis. Zijn maag speelde op. Met iedere golvende
beweging kroop de inhoud daarvan een stukje verder
omhoog door zijn slokdarm, zoekend naar een uitweg.
Hij moest kotsen. Vreemd genoeg bleven de hapjes die
Mien hem geserveerd had in zijn slokdarm steken. De
uitgang was geblokkeerd!
Hij sperde zijn ogen open, zijn bewustzijn was in één
klap terug. Hij dobberde helemaal niet op zee; de
golvende beweging vond binnenin hem plaats. Het was
pijn, die door heel zijn lijf bonkte op de maat van
zijn pompende hart. In zijn mond zat iets dat
aanvoelde als een homp droog brood. Met geen
mogelijkheid kon hij zijn tong bewegen om deze weg te
duwen. Net zo min als hij zijn lippen van elkaar kon
krijgen. Er zat iets overheen. Hij knipperde
paniekerig met zijn ogen en voelde een
ongecontroleerde rilling door zijn pijnlijke, koude
lijf golven.
Met moeite probeerde hij zijn hoofd op te richten om
te kunnen waarnemen waar hij zich bevond. Bewegen was
echter onmogelijk. Zijn hoofd voelde aan als een blok
beton dat zwaar balanceerde op zijn nek. Hij zat op
zijn achterste op de grond, met zijn armen zo strak
achter hem vastgebonden dat er zat bijna geen gevoel
meer in zat. De ergste pijn zat echter in zijn benen.
Het kloppen en bonken deinde door zijn dijen naar
zijn knieën. Die manifesteerden zich als twee
gloeiende vuurballen, likkend aan het vlees van zijn
dijbenen. Wat zich onder zijn knieën bevond, voelde
aan alsof het sliep. Er sprongen tranen in zijn ogen
en terwijl zijn ogen overliepen, vulde zijn neus zich
met snot. Dat had een desastreus effect. Daar waar
het snot zich ophoopte, was geen ruimte voor
zuurstof. Amechtig probeerde hij om hulp te roepen,
of in elk geval geluid voort te brengen. Maar
gehinderd door de prop in zijn mond, kwam hij niet
veel verder dan wat gepiep. Zijn lijf begon te
schokken. Het protesteerde tegen het zuurstoftekort,
met als gevolg dat de golfslag van zijn pijn
opzweepte naar een krachtige windkracht zeven, acht,
negen. Net zolang tot zijn denkbeeldige vlot omsloeg
en hij verdronk in bewusteloosheid.
Bijkomen bracht geen verlichting. Zijn toestand was
zo goed als onveranderd, behalve dan dat hij nu
voelde dat koorts door zijn lijf raasde. In zijn oren
gonsde zijn bloedsomloop als een zwerm bijen... Dat
was echter niet het enige wat hij hoorde. Iemand
floot een melodietje en in de verte naderde gerommel.
De grond trilde. Eerst licht, maar allengs harder en
harder, tot het gerommel in gebulder veranderde. Een
trein!
Toen het trillen weggeëbd was en het geluid was
weggestorven, hoorde hij de stem van Anton zeggen:
“Waar zouden we zijn zonder de trein?”
De oude man grinnikte stompzinnig om zijn eigen
flauwe woorden. Knipperend met zijn oogleden zocht
Marcel naar de oude man, die vlakbij hem kwam staan.
Hij gaf een schopje tegen de plek waar zijn
rechtervoet hoorde te zitten. Terstond trok een
misselijkmakende schok door Marcels lijf. De
pijnprikkel volgde een fractie van een seconde later.
Deze ontstond in zijn knie en trok schoksgewijs op
door heel zijn lichaam. In doodsangst sperde Marcel
zijn ogen open en waagde een poging om weg te rollen.
Zonder effect. Bewegen bleef zo goed als onmogelijk,
de poging had slechts nog meer pijn tot gevolg.
Anton grijnsde. Hij schudde zijn hoofd en klakte
vermanend met zijn tong. “Geef het maar op,
vriend, het heeft geen zin. Jij bent aan het eind van
je rit gekomen. Je was het spoor al bijster,”
grinnikte hij, “maar je hebt vast nooit kunnen
vermoeden dat je in de restauratie terecht zou komen,
is het wel? In de keuken, wel te verstaan.”
Marcel snapte werkelijk niets van wat de oude man
bazelde. De restauratie?
Anton zakte door zijn krakende knieën. Zijn ogen
zochten de zijne en hij grijnsde zijn gelige tanden
bloot. “Weet je, daar in de Indische Oceaan heb
ik het een en ander geleerd. Ze hadden wel gezegd dat
de Dajaks geen mensen meer aten, maar ik weet wel
beter. Samen met een maat hadden ze me te grazen
genomen toen we afgedwaald waren van onze eenheid.
Hij was als eerste aan de beurt en dat was mijn
redding, want niet lang na het eerste feestmaal kwam
mijn eenheid me bevrijden. Ik heb echter alles
gezien, ook dat ze mateloos respect hebben voor hun
vijanden. Laat dat een troost voor je zijn, jongen:
een vijand die je hoog acht, verspil je niet, die zet
je op het menu. Ik heb niets tegen jou persoonlijk,
integendeel zelfs.” Anton rechtte zich weer.
De boodschap in zijn woorden boezemde Marcel ware
doodsangst in.
“Sindsdien ben ik gefascineerd door
mensenvlees. Als je er eenmaal van geproefd hebt, wil
je niet anders meer. Zeg nu zelf: jij vond het immers
ook lekker,” stelde Anton, “want je hebt
de hapjes van Mien met smaak naar binnen
gewerkt.”
Het wilde maar amper tot Marcel doordringen wat de
oude man zei. Hapjes? Vijanden? Kracht overnemen? Hij
had... Mensenvlees gegeten? Die stank hier... Wat
voor vreselijks verborg deze plek, die hij amper zien
kon, waaruit hij niet kon ontsnappen? Innerlijk kromp
hij in elkaar tot er niets meer van hem over was dan
een bibberend, klein jongetje. Een warm, nat gevoel
tussen zijn benen verried dat de angst de normale
mechanismen in zijn lichaam uitschakelde.
“Mensenvlees is een delicatesse,”
beweerde Anton. “Het is echter het lekkerst als
het slachtoffer afsterft. Eigenlijk net als met wild.
Dat maakt het vlees smeuïger.”
Marcel wilde het niet horen. Niet weten. Niet
beseffen. Hij wilde naar Anna toe. Haar omhelzen en
zeggen dat het inderdaad tijd was om een gezin te
stichten, iets waar ze al maanden om zeurde, maar wat
hij steevast afgehouden had. Hij was er nu klaar
voor, nu was de beste tijd. ProRail betaalde hem
immers goed, hij deed zijn werk tot volle
tevredenheid van zijn bazen. De toestand waar hij
zich in bevond was niet echt. Geen mens at het vlees
van een ander mens. Terwijl tranen zijn ogen weer
vulden en hij een verloren gevecht streed met het
verlies aan zuurstof door het snot in zijn neus en de
prop in zijn mond, dreef zijn bewustzijn weer van hem
weg.
“Hoe staat het met ons ‘konijntje’,
opa?”
Voor Marcel bestond tijd niet meer, alleen bewustzijn
en bewusteloosheid. Zijn dreunende hoofd voelde aan
als een ballon op knappen. Korstjes rond zijn ogen
lieten zijn wimpers aan elkaar plakken. Na een aantal
keren knipperen, wist hij zijn ogen open te krijgen.
Lodderig keek hij omhoog terwijl kruimeltjes
opgedroogde troep zijn zicht vertroebelden. Schimmig
vormden zich de contouren van de schonkige oude man
en zijn slungelige kleinzoon. De jongen had zijn
handen in zijn zakken en wisselde een schattende blik
tussen hem en zijn opa.
“’t Is een taai beestje,” sprak die
laatste, “tenminste... Levend wel!”
Daarop volgde stompzinnig gelach, dat samen met de
realiteit de ruimte verliet waarin Marcel zich
bevond.
Met zijn ogen dicht wist Marcel beelden tevoorschijn
te toveren die de pijn verdreven. Herinneringen aan
Anna, en verder terug, aan zijn jeugd, zijn ouders.
Zijn bewustzijn selecteerde secuur de juiste
plaatjes. De bijbehorende gedachten waren zo sterk,
dat ze zelfs de ondraaglijke stank uit zijn neus
verdreven. Hij rook gemaaid gras, de parfum waar hij
zo van hield, de appeltaart van zijn oma. God, wat
was die lekker geweest. Lekker. Met een grote sprong
was de realiteit terug. Ze drong zijn dreunende hoofd
binnen als een woeste tijger die alles verscheurde
wat op zijn pad kwam. Alle angst en frustratie balden
zich samen in een poging geluid voort te brengen, om
te roepen om hulp, te gillen, te krijsen. Tevergeefs.
Slechts een schril, hoog geluid wist hem te
ontsnappen. Het was echter geen lang leven beschoren.
Het geraas van een voorbij denderende trein slokte
het geluid op en weg dreef zijn bewustzijn weer.
Het volgende moment dat hij weer iets waarnam, drong
een grommend geluid tot hem door. Het grommen ging
met horten en stoten. Het pulseerde mee op het ritme
van zijn gezwollen hoofd. Slechts een speldenprik zou
nodig zijn om zijn hoofd uit elkaar te laten barsten.
Samen met de wereld zette deze uit, kromp ineen en
zette weer uit op het moeizame pompen van zijn hart.
Elk herkenbaar gevoel had zijn lijf verlaten, hij was
de daadwerkelijke pijn voorbij. Hij verkeerde al in
het tussengeborgte, balanceerde op de plek tussen
hemel en hel.
Iets in zijn bewustzijn vertelde hem dat alle hulp te
laat zou komen. Dit zou hij niet overleven. Slechts
één waanzinnige hoop leefde nog in hem, en dat was de
hoop op een echte begrafenis. Hij wilde niet eindigen
op het bord van die geschifte oude man, zijn
walgelijke kleinzoon en die bedrieglijk aardig ogende
oma. Hij wilde eindigen in een kist, met bloemen erop
en muziek op de achtergrond. Aan zijn baar moest zijn
vrouw Anna staan, huilend om het gezin dat ze nooit
met hem zou hebben, om het leven dat hem zo gruwelijk
ontnomen was. Zijn familie moest er zijn, treurend om
zijn oneerlijke verlies. De handen van zijn moeder
moesten nog één keer langs zijn gelaat strijken. Dát
was zijn laatste wens. In de verte zwol het grommende
geluid aan tot gebulder. Deze keer was het geen
trein.
“Kom maar op met die graafmachine, Peet!”
Ferry Bakker voelde hoe de geur van dieselolie zijn
reukzin prikkelde. Hij wendde zijn hoofd af, kneep
zijn ogen dicht en nieste. Met zijn ogen weer open
zag hij de kleine graafmachine al hobbelend over het
braakliggende stuk grond dichterbij komen. Iets
verderop stond achter de metalen omheining een
groepje mensen met treurige en boze blikken toe te
kijken. De sanering van hun tuintjes ging hen aan het
hart. Natuurlijk hadden de huurders compensatie
gekregen van ProRail, maar dat verdiende amper de
naam ‘pleister op de wonde’.
“Ho,” riep hij, terwijl hij een hand hief
en oogcontact met zijn collega in de graafmachine
maakte.
Zijn hoofdknik was het startsein voor Peter. Het
grommende geluid van de graafmachine zwol aan tot een
uitdagend gebrul toen Peter de graafbek onderin de
bosschages dreef. Ferry hoorde de omstanders
‘boe’ roepen en ‘kunnen jullie wel,
stelletje slopers’. Hij probeerde de ouwetjes
te negeren. Ook rotklussen moesten geklaard worden.
Drie handwerkers kwamen intussen dichterbij om de
rotzooi die Peter lostrok weg te halen en in de
containers te gooien. Als opzichter bleef hem dat
gelukkig bespaard.
Na de bosschages stortte de graafmachine zich vol
overgave op de hekken en schuurtjes. Ferry liep om de
werklui heen en volgde de ronkende machine terwijl
een trein over het dichtbijgelegen spoor denderde.
Dat was de reden waarom deze tuintjes eraan moesten.
Te vaak liepen er mensen langs het spoor die daar
niets te zoeken hadden. Junks, malloten die
‘voor de gein’ rotzooi op de rails
gooiden, maar ook zelfmoordenaars. Er trok een
rilling langs Ferry’s ruggengraat. Het opruimen
van de resten daarvan was vaak vele malen
aangrijpender dan het slopen van de herinneringen van
een handjevol oudere mensen.
Een symfonie van versplinterend hout en brullend
motorgeronk vulde zijn oren. Peter droeg volgens de
voorschriften gehoorbeschermers. Hij hoefde ze
gelukkig niet te dragen. Hij had een bloedhekel aan
die dingen, ook al was de herrie niet bepaald prettig
om te verdragen. De geur van hout, afgerukte bladeren
en geplet gras, vermengde zich met de dieselgeur. De
melange zorgde ervoor dat hij opnieuw moest niezen,
nu zelfs twee keer.
“Gezondheid, opper,” hoorde hij iemand
achter hem roepen.
Even hield hij halt en zette zijn veiligheidshelm af
om het zweet van zijn voorhoofd te wissen en over
zijn neus te wrijven.
Peter stuurde de machine naar een volgend schuurtje.
Enthousiast boorden de uitsteeksels van de bak zich
in het wankele gebouw. Terwijl veel van de tuintjes
er netjes bij lagen, stond dit bouwsel in een van de
onverzorgde percelen. Het paadje dat ernaartoe liep,
was bijna geheel overwoekerd door onkruid. De machine
tilde een deel van het in elkaar stortende schuurtje
op, waarop een ronduit smerige stank vrijkwam. Ferry
voelde hoe dit hem opnieuw tot niezen aanzette. De
amoniakachtige geur dreef tranen naar zijn ogen en
geschrokken sloeg hij een hand voor zijn neus en
mond. Het geluid van brekend hout ging vergezeld van
een akelige, schrille toon. Ook al droeg het volume
daarvan niet veel verder dan zijn oren, toch sneed de
toon door merg en been. Eén moment voelde hij zich
ijskoud worden, vervolgens brak het zweet hem aan
alle kanten uit toen hij zag wat de bak van Peters
machine triomfantelijk de lucht in duwde. Een arm.
Een bungelend been. Een lichaam! Die geur! Uit alle
macht bevocht Ferry de golvende beweging van zijn
maag naar zijn slokdarm. Hij wilde naar adem happen,
maar bedacht zich terstond.
“Peet! Peet, stop!”
Peter hoorde hem niet. Natuurlijk niet. Half om half
struikelend rende hij naar de graafmachine. Hij
probeerde niet te kijken naar het lugubere vrachtje
dat tussen de versplinterde planken en grondresten op
de bak lag. De motor van de graafmachine viel stil.
Ferry zag dat Peter hetzelfde zag als hij. De ogen
van zijn collega puilden uit, zijn mond viel een
stukje open, tot de geur ook tot hem doordrong. Peter
sloeg zijn handen voor zijn neus en mond en zocht
verbijsterd zijn blik.
“Jezus, Fer! Gadverdamme, wat is... Jezus, wat
een stank!”
Er droop bloed langs het bungelende been onderaan de
bak. Huiverend van walging draaide Ferry het
schouwspel de rug toe. Met trillende handen reikte
hij in de zak van zijn reflecterende jasje, op zoek
naar zijn mobiele telefoon. Hij toetste 112 in en had
bijna direct verbinding. Zo zakelijk mogelijk
probeerde hij te vertellen waar de hulptroepen
naartoe moesten komen. Hij was nog niet uitgesproken,
of hij hoorde opnieuw het door merg en been gaande
geluid. Eerst zacht, dan aanzwellend en weer
wegstervend. Langzaam draaide hij zich om en keek
naar wat hij dacht dat een lijk was. De boven de bak
uitstekende arm bewoog...
Het geluid van de naderende politiewagens en
ambulance trok haar aandacht. Mien draaide haar hoofd
ernaartoe en onderdrukte een glimlach bij het zien
van de zwaailichten.
“Wat zou er aan de hand zijn,” hoorde ze
iemand vragen.
“Een bedrijfsongeval misschien?”
“Nou, dan komt er toch geen politie bij kijken,
of wel soms?”
Mien knipoogde naar Anton en Terence en deed alsof ze
net zo verbaasd was als de anderen. Zij wist immers
dat geen mens ooit de verbinding zou leggen tussen de
verlaten tuintjes, de gruwelijke vondsten en Anton en
haar.
Ze sloten een mooie periode af in hun leven, een
periode waarin ze hun donkerste fantasieën tot
waarheid gemaakt hadden. Helaas had hun laatste
slachtoffer het niet tot in de pan gered. Anton had
de pest aan gehad aan de man die voor hem de
verpersoonlijking van het ProRail-beleid geweest was.
Hij wilde hem koste wat kost geen snelle dood
bezorgen, zelfs al had zij benadrukt dat het niet de
schuld van de inspecteur was dat de tuintjes tegen de
vlakte moesten. Op de een of andere manier zag Anton
in hem de verpersoonlijking van het kwaad en ook al
wist ze dat afgestorven vlees beter smaakte dan vers
vlees, had ze het in dit geval geen goed idee
gevonden.
Anton had de auto van Marcel Gijzen zondagnacht in
zijn eigen straat geparkeerd om zijn vrouw te laten
denken dat haar man inderdaad gewoon naar huis
gekomen was. Ze hadden de twee politiemannen, die een
dag of wat later bij hen langs waren gekomen, zonder
enig probleem met hun geveinsde onschuld om de tuin
kunnen leiden. Ze bevestigden wat Marcels vrouw
gezegd had, namelijk dat hij tegen half elf al naar
huis vertrokken was. Eindelijk hadden ze eens profijt
van hun leeftijd gehad, grijnsde Mien bij de
herinnering aan de onnozele gezichten van de
politiemannen.
Hiermee konden ze dit deel van hun plan dus absoluut
geslaagd noemen. Toch was Mien er niet helemaal
gerust op.
“Wat als ‘ie niet dood is voor de
graafmachines komen?”
“Geloof me, als hij niet al dood is als ze er
zijn, dan nog zal hij het niet kunnen
navertellen,” had Anton haar op het hart
gedrukt. “Er is niets om je zorgen over te
maken.”
Een beetje spijtig had ze aangezien dat de dagen
verstreken en het smeuïge hapje weigerde de pijp uit
te gaan, terwijl Anton volhardde in zijn koppigheid.
Ze keek naar de ravage die de graafmachine aangericht
had.
De opzichter was naar de machine gelopen nadat hij
een telefoontje gepleegd had. Het duurde even voor de
bestuurder van het apparaat het waagde de bak iets
naar beneden te laten zakken. Slechts even boog de
opzichter zich ernaartoe, waarna hij zich struikelend
uit de voeten maakte om een eindje verderop
luidruchtig zijn maag te legen. Met half toegeknepen
ogen staarde Mien naar de man. Behalve dan dat hij er
aangeslagen uitzag, oogde hij gezond. Even aarzelde
ze. Toen wierp ze Anton en Terence een blik van
verstandhouding toe en bewoog zich in de richting van
de onwel geworden man.
Vol medeleven riep ze uit: “Och hemeltje, kan
ik helpen misschien?”
Rianne Lampers ©
CHALELE
• John C. Vermeulen •
Het zwoele Arusha lag een verdomd end van huis, en
bovendien sliep ik al veel te lang in eenzame,
broeierige hotelkamers. Het uitzicht op de
overbezongen Kilimanjaro was niet echt een troost.
Dus aarzelde ik nauwelijks toen ik door de
klapdeurtjes van de club stapte en de prachtige
halfbloed aan het linkeruiteinde van de bar zag
zitten. Ze hadden me altijd wijsgemaakt dat
halfbloeden het beste van twee werelden in zich
verenigden als het op liefdestechnieken aankwam, en
ik wachtte al lang op een kans om dit aan den lijve
te ondervinden.
‘Mag er met u gepraat worden, of wordt u liever
met rust gelaten?’
Dat had ik altijd een handig openingszinnetje
gevonden. Het gaf ze de kans om je wandelen te sturen
zonder onvriendelijk te doen en zonder dat je er je
gezicht bij verloor.
De mulat zag er van dichtbij nog fraaier uit dan van
ver. Maar vriendelijk was ze niet, ze keek niet eens
op. ‘Laat me met rust,’ zei ze met een
lage keelstem.
Ze had voor zich uit gepraat en ik hoopte nog dat ik
haar niet goed begrepen had. Naar haar lege glas
wijzend probeerde ik het nog eens: ‘Mag ik u
iets-’
Ze gleed zo bruusk van haar kruk dat die omviel, keek
me één ogenblik met een nijdige blik uit haar grote,
donkere ogen aan en beende vervolgens met driftige
stappen naar buiten, de gloeiende zon in.
Ik keek onthutst naar de zwarte barman die knikte
alsof hij dit soort scènes normaal vond. Gelukkig
grijnsde hij er niet bij, ik haat het als die
inheemsen je uitlachen. ‘Foute boel,’ zei
hij ernstig.
Ik bestelde rum. ‘Wat mankeert die dame?’
‘Dat ze een meneer is.’ Mozazu hield zijn
te grote en te witte tanden nog altijd bedekt.
Afkeer verdrong de verbazing. ‘Een vent? Die
stoot?’
‘Triest verhaal,’ zei Mozazu in zijn wat
onzekere Frans. Hij wees met het borrelglaasje dat
hij stond op te poetsen naar een niet meer zo jonge,
rosharige blanke die alleen aan een tafeltje een boek
zat te lezen. ‘Meneer Maarssen kan er u alles
over vertellen. Triest verhaal,’ herhaalde hij.
Maarssen leek eerst niet geneigd om mijn plots
ontstane nieuwsgierigheid te bevredigen, maar toen ik
hem verzekerd had dat ik geen journalist was (ik kan
goed liegen), en na drie glazen pure gin begon hij
bij te draaien.
‘Geen mens gelooft het, en dat is een van de
redenen waarom ik het verhaal niet graag
vertel,’ legde hij uit.
‘Ik kijk niet zo gauw meer op van een vreemd
verhaal,’ antwoordde ik naar waarheid.
‘Ik kom wel eens vaker in Afrika, moet u
weten.’ Ik blikte even naar de barman die met
droeve ogen voor zich uit stond te staren achter zijn
nu verlaten bar. Ik vroeg me af waar zo’n man
allemaal aan dacht tijdens zijn lege momenten. Nog
altijd ongelovig, vroeg ik: ‘Was dat prachtige
stuk nou echt een vent?’
‘Gewéést,’ antwoordde Maarssen.
‘Mijn broer heeft het allemaal van nabij
meegemaakt. Hij is arts, moet u weten.’
‘O, gewoon een transseksueel, dus?’ Ik
ervoer iets van teleurstelling.
‘Zo zou je het kunnen noemen, ja.’
Maarssen keek zo ernstig als Mozazu, en hij had al
net zulke trieste ogen. ‘Als u dat
“gewoon” eraf laat.’ Hij wierp
eveneens een blik in de richting van de barman.
‘De sukkel werd ensorceré,
behekst…’ Hij sloeg het laatste restje
van zijn derde glas gin achterover. ‘Dat is
mijn mening althans.’
Even was het alsof er vanuit de vele, donkere hoeken
van de schaars verlichte kroeg boosaardige wezens
naar me grijnsden, en ik ervoer het begin van een
rilling. Het woord “behekst” had onder
het dichte lover van de Tanzaniaanse jungle een heel
andere betekenis dan een paar duizend mijl naar het
noorden. Alleen de onnozele toeristen lachten erom,
tenminste zolang ze de betrekkelijke veiligheid van
hun hotel of hun fotosafaribusje niet verlieten.
Ik gebaarde met mijn glas naar Mozazu. ‘Ik wil
echt graag het hele verhaal horen.’
‘Ja, dat zal wel…’ Maarssen zweeg
tot de barman onze glazen opnieuw gevuld had. Daarna
vroeg hij somber: ‘Bent u er zeker van dat u
geen journalist bent?’
Ik voelde me opgelaten onder de starende blik uit
zijn waterachtige, gele ogen. Een beetje ongeduldig
vroeg ik: ‘Wat maakt het eigenlijk uit?’
De jungle gonsde immers van de sterke verhalen.
Maarssen wendde de blik af. ‘Het is alleen maar
zo…’ Hij pakte zijn glas en nipte ervan
als om te proeven of het wel dezelfde gin was als
voorheen. ‘…dat ik iedere keer het
gevoel heb dat ik het eigenlijk niet zou mogen
doorvertellen, dat ik het niet eens zou mogen
weten.’
‘Heeft uw broer dat gevoel ook?’
‘Mijn broer is dood.’
De boosaardige monstertjes in hun donkere hoeken
lonkten naar me. ‘Dat spijt me,’ zei ik.
‘Ach, Frank was een ouwe zak, misschien was hij
wel gewoon versleten. Er sterven hopen mensen aan een
hartaanval, zeker in dit rotklimaat. En dokters
vreten en zuipen er ook maar op los, net zo goed als
iedereen.’
Ik kreeg het idee dat Maarssen niet zo’n hoge
pet op had van wijlen zijn broer.
‘Nou goed dan, hier komt het verhaal van
Chalélé, de Mau-Maru tovenares,’ zei Maarssen
berustend. Hij duwde het boek opzij dat hij had
zitten lezen. Het was een beduimelde pocketuitgave
van De reïncarnatie van Peter Proust. ‘Een
zekere Freddie - zijn achternaam weet ik niet eens -
maakte samen met een stelletje andere rijkgeboren
nietsnutten een voettocht door de jungle. Ingericht
door een van die touroperators die rijk worden van
zulke clowns. Slapen in eenpersoonstentjes, wassen
wanneer je toevallig een plas water vindt, dagtochten
in de stomende hitte, opgevreten worden door het
ongedierte, geen contact met de beschaafde wereld,
dat soort lol. Dat geeft ze aanzien bij de vrienden
thuis die niet zoveel lef hebben, of die niet zo stom
zijn. Hun twee inlandse gidsen liepen al na een paar
dagen verloren. Het waren natuurlijk stadsjongens die
een grijpstuiver probeerden te vangen en die al net
zo veel benul hadden van de wildernis als die bleke
stommelingen. Onze helden dachten dat het zou helpen
als ze hun gidsen eens een keertje goed lens sloegen,
waarop die knapen er prompt vandoor gingen. Er zijn
geen zwarten meer zoals vroeger.’
Maarssen keek afkeurend alsof hij niet van zijn eigen
sarcasme hield, en dronk van zijn gin. De vingers van
zijn andere hand streelden dwangmatig over het omslag
van het boek op de tafel.
‘Nadat ze een aantal dagen zonder hun gidsen
rondgedwaald hadden, kwamen ze meer dood dan levend
bij een dorp aan. Puur geluk, want er zijn daarbuiten
niet zoveel dorpen als je zou denken.’ Maarssen
maakte een vaag gebaar in de richting van de deur,
als om aan te tonen wat hij met
“daarbuiten” bedoelde. ‘De
dorpelingen waren vriendelijk en onze dappere
expeditie werd gastvrij onthaald, ook al was het
stamhoofd de enige die drie woorden Frans verstond.
Het waren de Mau-Maru’s, vrij aardige mensen
met weinig belangstelling voor de rest van de wereld.
Wel zijn sommige van hun gewoonten wat minder aardig.
Zo verwachten ze van hun vrouwen dat die zichzelf
ombrengen als hun man hen in de steek laat. Ergens
aan de rand van hun dorp staat een stellage waarin
een soort machete gevat zit. Het lemmet is
vlijmscherp en ze kunnen het regelen op keelhoogte.
Het is de bedoeling dat het slachtoffer zichzelf
probeert te onthoofden door er met grote snelheid
tegenaan te rennen. Als dat lukt wordt ze in een
nieuw en beter leven met haar man herenigd.’
Maarssens blik gleed naar het boek op de tafel.
‘De Mau-Maru’s geloven dus in een soort
reïncarnatie, al hebben ze vast nog nooit van dat
woord gehoord. Dit boek is nep, een soort
detectiveverhaaltje…’ Hij nam een lange
teug van zijn rum. ‘Een nek is taaier dan je
denkt, en volgens Frank was het zo goed als
onmogelijk dat het zo’n Mau-Maru vrouw zou
lukken zichzelf te onthoofden, hoe hard ze ook rende.
Het probleem zouden de nekwervels zijn die-’
Ik stak afwerend een hand op. ‘Laat maar
zitten,’ zei ik haastig.
Maarssen schokschouderde onverschillig. ‘Enfin,
om met mijn verhaal verder te gaan: gastvrij als ze
waren, zorgden die dorpelingen ervoor dat aan alle
behoeften van hun blanke gasten voldaan werd.’
Hij keek me even zwijgend aan als om na te gaan of ik
wel begrepen had wat hij bedoelde. ‘Aan alle
behoeften,’ benadrukte hij ten overvloede.
‘En daarmee begon de ellende voor Freddie. Hij
had de pech dat hij een meisje kreeg met net iets te
veel temperament. Misschien hadden ze haar wel
opzettelijk op hem losgelaten, ik neem aan dat die
lui ook wel eens lol willen hebben. Daar komt nog bij
dat die kinderen zich stoned zuipen aan een of andere
liefdesdrank voor ze eraan beginnen, zodat ze
helemáál uit hun bol gaan. Enfin, midden in de nacht
werd het dorp opgeschrikt door een verschrikkelijk
gebrul. Iedereen stormde naar buiten met het idee dat
er iemand door een wild beest aangevallen was of
zo.’
Maarssen onderbrak zijn verhaal om van zijn glas te
drinken. ‘En?’ vroeg ik ongeduldig.
‘Freddie lag bij het vuur op de grond te
kronkelen en te gillen. Hij had geen kleren aan en de
anderen zagen dat hij van onderen helemaal onder het
bloed zat.’
Maarssen pauzeerde opnieuw, maar ik zweeg omdat ik
een beetje misselijk werd van wat mijn verbeelding me
voor ogen toverde.
‘Die hete bliksem had zijn ding er haast
helemaal afgebeten,’ ging Maarssen verder.
‘Het bloed spoot eruit.’ Hij keek me even
aan met een blik van “je hebt erom
gevraagd”. ‘En toen kwam Chalélé in
beeld. Chalélé was de tovenares van de stam.’
Ik probeerde het verdere verloop te raden, hoe
Freddie helemaal ontmand werd en zo, maar er klopte
iets niet. Onzeker vroeg ik: ‘Was Freddie dan
een halfbloed?’
Maarssen schudde het hoofd, een beetje ongeduldig
alsof hij dat een stomme vraag vond. ‘Sommige
van die toverdokters kennen wel degelijk hun zaakjes,
en Chalélé was er zo een. Freddie genas op haast
miraculeuze manier, en na een paar dagen was hij
zelfs al zo ver in orde dat hij oog begon te krijgen
voor de opmerkelijke schoonheid van zijn
tovenares.’ Maarssen keek even dromerig.
‘Er zitten werkelijk prachtexemplaren onder die
zwarte vrouwen…’
Ik dacht aan de fraaie mulat, daarstraks aan de bar,
en probeerde opnieuw een verband te leggen. Het lukte
nog steeds niet.
‘Chalélé had alles om een slappe figuur als
Freddie aan het stomen te krijgen, en dat deed hij
ook. Maar ze bleef ongevoelig voor zijn avances, en
wat doet zo’n nietsnut dan die z’n hele
leven lang al gewend is altijd z’n zin te
krijgen?’
‘Hij verkrachtte haar,’ stelde ik vast.
Maarssen knikte. ‘Waarschijnlijk was hij te
stom om te snappen dat een dorpstovenares iets
helemaal anders is dan zo’n meisje dat ze je
daar uit gastvrijheid voor een nacht in bruikleen
geven. Maar zoals gezegd zijn de Mau-Maru’s
aardige lui, ze joegen hun blanke gasten alleen maar
het dorp uit in plaats van soep te koken van hun
ingewanden. Ze wezen ze zelfs de richting waarin
Arusha lag.’
Maarssen maakte zijn glas leeg en ik wenkte de barman
terwijl ik op het vervolg van het verhaal wachtte. Ik
had het opgegeven te proberen te voorzien hoe het
verder zou gaan.
‘De bleekneuzen hadden meer geluk dan ze
verdienden, en ze geraakten levend uit de jungle,
waarna ze het eerste het beste vliegtuig naar Europa
namen. De enige die niet meevloog was Freddie. Hij
had te veel tijd gehad om na te denken, en denken is
niet goed voor zo’n knaap. Hij was tot de
conclusie gekomen dat hij niet alleen maar belust was
geweest op de ebbenhouten billen van Chalélé, maar
dat hij echt verliefd was op haar. Dat zijn leven
zonder haar geen zin meer had en al die andere
nonsens die je klieren je in zo’n situatie
aanpraten. Hij had het zo erg te pakken dat hij er
zelfs toe bereid was om bij de Mau-Maru’s te
gaan leven. Nou ja, niets anders bezitten dan een
lemen dak boven je hoofd kan ook zijn charmes hebben
voor iemand die verder álles al gehad heeft.’
‘Er worden wel dwazere dingen gedaan om de
gunsten van een vrouw,’ merkte ik op.
Maarssen schokschouderde op een manier alsof hij daar
boven stond. ‘Enfin, hij huurde een echte gids
en trok opnieuw de jungle in naar de
Mau-Maru’s. Ze ontvingen hem echter lang niet
zo vriendelijk als de eerste keer, hij mocht zelfs
het dorp niet in. Ze lieten hem een etmaal aan de
rand van de jungle wachten, tot het stamhoofd hem
eindelijk kwam vertellen dat Chalélé dood was. Kort
na Freddie’s vertrek was ze ziek geworden en ze
had zichzelf niet kunnen genezen. Volgens Frank had
Freddie haar met een virus opgezadeld waartegen ze
niet bestand geweest was, dat gebeurt wel vaker bij
dergelijke contacten.’
‘Arme Chalélé,’ zei ik. Freddies
gevoelens lieten me nogal koud, ik had het niet zo
begrepen op verkrachters.
Maarssen scheen er een andere mening op na te houden.
‘Arme Freddie,’ zei hij. ‘Want toen
zei het stamhoofd iets vreemds, hij zei dat Chalélé
geweten had dat Freddie zou weerkeren naar het dorp,
en ze had een brouwsel gemaakt waarmee hij zichzelf
van zijn liefde voor haar zou kunnen bevrijden. Hij
moest het spul deels uitdrinken en deels op zijn
geslachtsdelen smeren. De Mau-Maru’s schijnen
te weten dat de liefde door een ander orgaan
gedirigeerd wordt dan door het hart.’
Ik kreeg even een visioen van bonbondozen op
Sint-Valentijnsdag, in de vorm van een penis. Alles
welbeschouwd was een levend hart veel afstotelijker.
Onze cultuur zit vreemd in elkaar.
Maarssen ging verder: ‘Een zwaar aangeslagen
Freddie nam het medicijn mee naar huis. Een normale
vent zou naar de fles grijpen, maar Freddie was ver
genoeg heen om het brouwsel van zijn aanbedene te
gebruiken.’
Er kwamen een paar haartjes overeind in mijn nek. De
monstertjes in de donkere hoeken schenen hun adem in
te houden in opgewonden verwachting.
‘Vergif?’ vroeg ik.‘Helse
pijnen?’
Maarssen schudde het hoofd, opnieuw een beetje
ongeduldig. ‘Zo simpel lost de jungle zijn
problemen niet op. Frank heeft geprobeerd een restje
van het spul te laten analyseren, maar het lab hier
in Arusha is te primitief voor het fijnere werk. Ze
vonden alleen maar sporen van het gif van de bufo
marinus, een soort reuzenpad, van zaden van de
tchatchaboom en van de kriebelerwt, en huiddeeltjes
van een boomkikvors. Daarnaast zaten er nogal wat
bacteriën in die voornamelijk in de menselijke vagina
voorkomen, plus een heleboel chemisch inerte stoffen
waar het lab geen raad mee wist. De analist van
dienst zei dat het spul hem deed denken aan iets dat
uit een vier jaar oud graf bijeen geschraapt
was.’
‘En dat goot Freddie door zijn keelgat?’
Ik wist al dat ik die avond niet meer zou eten.
Maarssen keek me aan met zijn waterige ogen. ‘U
zei het daarnet al zelf, sommige idioten doen de
meest dwaze dingen om een vrouw.’
Ik zakte onderuit op mijn stoel en blies lucht uit.
‘Vertel verder,’ verzocht ik.
‘Freddie was een week terug in Arusha, toen
Frank voor het eerst bij de gebeurtenissen betrokken
raakte. Ze hadden Freddie bewusteloos gevonden in
zijn badkamer en een dokter laten halen.’
Maarssen wachtte kennelijk tot in ongeduldig zou
worden, maar ik liet me niet meer vangen.
‘Het was afschuwelijk,’ zei Maarssen en
er klonk echt afschuw in zijn stem door. Toen Frank
me later het verhaal vertelde, werd ik er gelijk ziek
van, en ik kan toch wel wat hebben. Freddie had het
mengsel van Chalélé gebruikt zoals hem opgedragen
was. Eerst merkte hij geen enkel effect, maar na twee
dagen kreeg hij moeilijkheden met plassen. Tegen
Frank zei hij achteraf dat was ‘alsof ze hem
dichtknepen’. Alleen door heel hard te persen
kon hij zijn blaas nog leeg krijgen. En toen, na
zowat een week, gebeurde het…’
Maarssen zweeg en keek me aan, maar ik gaf geen
krimp.
‘Freddie perste en perste, en
toen…’ Maarssen krabde even achter zijn
rechteroor en trok een afkerig gezicht.
‘…toen vielen zijn geslachtsdelen opeens
gewoon uit elkaar. De hele handel verging als het
ware tot stof en brokjes, zo’n beetje als
compost. Natuurlijk was Freddie van zijn stokje
gegaan, je zou om minder.’
Ik slikte en ademde zo diep mogelijk. Ze hadden me
geleerd dat je hiermee soms een neiging tot kotsen
kon beheersen.
‘In het ziekenhuis ontdekte Frank tot zijn
verbijstering dat er onder Freddies
‘verwelkte’ penis, zo noemde hij het, een
rudimentaire vagina zat. Freddie was bezig daar
vanonder een vrouw te worden, voor de volle honderd
procent.’
Mijn maag bleef opspelen. Het kwam geen moment in me
op dat het hele verhaal wel eens een wansmakelijke
grap had kunnen zijn.
‘En het was nog niet voorbij,’ ging
Maarssen genadeloos verder. ‘Freddie
ontwikkelde in snel tempo borsten, zijn
lichaamsbeharing verdween en zijn baard hield op met
groeien. De laatste fase van de metamorfose vroeg wat
meer tijd. Het duurde weken eer zijn huid donker werd
en hij de trekken van een negroïde vrouw gekregen
had.
Ik deed een zwakke poging om te spotten: ‘En
toen geraakte hij in verwachting, neem ik aan?’
Maarssen scheen me niet gehoord te hebben, of hij
deed alsof. ‘Chalélé had wraak genomen,’
zei hij voor zich uit. ‘De wraak van een
toverdokteres…’
Ik probeerde niet te letten op de demonen in hun
donkere nissen die me nu openlijk uitlachten en
obscene gebaren maakten. ‘Was er dan echt geen
andere verklaring mogelijk? Ik bedoel, er lopen wel
meer mannen rond in een aantrekkelijk
vrouwenlichaam…’ Ik zweeg toen ik
besefte waar ik me bevond, op een boogscheut van de
zwoele waanzin van de jungle, waar rationele
verklaringen de neiging hadden om absurd te klinken.
Maarssen zei: ‘Wanneer je ouder wordt, ga je
beseffen dat je maar beter de dingen kunt aanvaarden
zoals ze zijn, in plaats van naar een uitleg te
zoeken.’ Hij dronk zijn zesde of zevende glas
gin leeg, ik was de tel kwijtgeraakt. ‘Niemand
hier heeft die Chalélé ooit gezien, althans niet de
echte.’
Mijn blik werd weer naar het boek op de tafel
getrokken. ‘Reïncarnatie?’
Maarssen haalde eens te meer de schouders op.
‘Zeker niet in de zin zoals de sjiieten het
voor ogen hebben. Hou het maar gewoon bij hekserij,
dat is het meest simpele.’
‘Dat is geen verklaring.’
‘Precies,’ zei Maarssen met iets van
zelfgenoegzaamheid.
Huiverig zei ik: ‘Ik heb haar
aangesproken!’
‘Ik zou er maar niet over tobben,’ raadde
Maarssen me aan. ‘Ga naar huis en schrijf er
een stukje over voor in de komkommertijd, het hoeven
niet altijd ufo’s te zijn.’ Er lag geen
spoor van spot in zijn ogen.
Voorlopig schreef ik er geen stukje over. En ik bleef
er over tobben, tot ik een paar weken later Maarssen
opnieuw ontmoette in de club.
Hij zat aan hetzelfde tafeltje een boek te lezen, en
Mozazu stond op zijn gewone plekje achter de bar in
het niets te staren. Waarschijnlijk waren de
duiveltjes in de donkere hoeken er ook nog, maar die
hielden zich voorlopig schuil.
Ik bestelde twee glazen gin met veel ijs en ging bij
Maarssen zitten. Hij las nog altijd Peter Proust, zag
ik. Misschien was hij het boek uit het hoofd aan het
leren. Hij accepteerde het drankje, klapte het boek
dicht en keek me afwachtend aan.
‘Ik vertrek binnenkort naar huis,’
kondigde ik aan. ‘Ik dacht, ik ga nog eens
gedag zeggen.’
‘Iemand die trakteert is altijd welkom,’
antwoordde Maarssen.
Ik keek steels naar de linkerhoek van de bar.
‘Heeft u Chalé… Freddie nog
gezien?’
Maarssen keek verbaasd. Heeft u het dan niet gehoord?
Iedereen in Arusha praat erover!
De hinderlijke kriebel in mijn nekharen was er opeens
weer. ‘Ik ben net terug uit Mombasa, ik loop
een paar dagen achter op de plaatselijke
roddels.’ Ik keek Maarssen gespannen aan.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Freddie is dood.’
‘O!’ was alles wat ik wist te zeggen.
‘Hij maakte er een eind aan. Misschien waren er
wel krachten aan het werk die hem dwongen er een eind
aan te maken, wie zal het zeggen?’ Maarssen
leek zoals gewoonlijk niet naar een verklaring te
willen gissen.
De kriebel in mijn nek groeide uit tot een heuse
huivering. Opeens waren de monstertjes er weer en ze
grijnsden boosaardig. ‘Hoe is het
gebeurd?’ Ik staarde Maarssen in bange
verwachting aan.
‘Hij deed het met een gestolen
motorfiets.’ Maarssen dronk zijn glas helemaal
leeg voor hij verder ging: ‘Hij spande een
stalen kabeltje tussen twee bomen, op
keelhoogte…’ Het lege glas sloeg met een
klap op de houten tafel en ik veerde op. ‘Als
het geloof van de Mau-Maru’s klopt, zal hij
inmiddels een nieuw en beter leven met zijn geliefde
begonnen zijn.’
Zomaar een verhaal, dacht ik de volgende dag terwijl
de jetmotoren van het vliegtuig zwoegden om hun last
te ontrukken aan de eeuwige zuigkracht van het
Afrikaanse continent. Ik staarde door het bekraste
raampje naar de wegzakkende, donkere jungle.
‘Wilt u wat drinken, meneer?’
De stem van de stewardess had dezelfde kleur als de
jungle. De jonge vrouw was zwart, ze had
geheimzinnige poelen van ogen en prachtige witte
tanden en ze glimlachte uitnodigend.
Met geweld onderdrukte ik het plots opkomende
verlangen. ‘Geef maar wat,’ zei ik.
‘Alles is goed, als het maar geen gin
is.’
Toen ze zich voorover boog om het glas op mijn
tafeltje te zetten, zag ik het fijne, horizontale
litteken op haar keel.
‘Voelt u zich niet goed, meneer?’ De
zwarte godin keek me bezorgd aan.
Ik rukte mijn blik los van de hare. ‘Het gaat
wel,’ mompelde ik.
Ik wist al dat ik er in de komende weken en maanden
weer een nachtmerrie bij zou hebben.
© John C. Vermeulen
SMART WAS HET HART VAN ONS BESTAAN
• Bavo Dhooge •
‘Ik kan het niet! Ik kan het niet meer
aan!’
‘Het is jouw beslissing. Jij hebt de
keuze.’
‘Ik wil dat het ophoudt! Ik wil ermee
stoppen!’
‘Ik kan ervoor zorgen dat het stopt.’
De twee mannen stonden tegenover elkaar in een witte
kamer op de zesenzestigste verdieping van het
spiegelgebouw. Als ratten in de val of witte muizen
in een labyrint van een laboratorium waren ze
doorheen de gangen en de liften van kamer tot kamer
gevlucht om uiteindelijk op dat moment in deze ruimte
te belanden: kamer 322.
Roland V rook zijn kans. Hij zag dat de overwinning
binnen zijn bereik lag. Nog even volhouden en hij was
er. Hij keek de man voor zich bedroefd aan, en
bedacht hoe ver het was gekomen. De man kroop in een
hoekje en zakte in elkaar, de armen voor zijn gezicht
geslagen, als een gek die de dwangbuis afwacht.
‘Ik dacht dat ik zou winnen,’ zei hij.
‘Ik ben een winnaar. Een geboren winnaar. Ik
ben geen verliezer. Ik heb nog nooit in mijn leven
een spel verloren.’
Hij bleef het maar opdreunen en begon zich de haren
uit het hoofd te rukken.
‘Er kan maar één dit spel winnen,
vriend,’ zei Roland V.
‘Een spel? Je noemt dit nog een spel? Het is
een ramp! Het is mijn leven!’
‘Je kende de regels en de reglementen toen je
je inschreef.’
‘Ja, maar dit is niet meer menselijk.’
Roland V zweeg en ontweek de smachtende blik van zijn
tegenstander. Hij kende de regels maar al te goed.
Hij had er drie weken over gedaan om ze te laten
bezinken en ten slotte toch toe te happen. En er was
nog geen seconde voorbijgegaan waarop hij zijn keuze
niet had beklaagd.
‘Het is nu eenmaal zo. Je weet wat je te
wachten staat.’
De man begon te huilen, wierp de handen ten hemel en
riep:
‘Ze hebben mijn kleine jongen suikerziekte
gegeven! Mijn kindje! Ze hebben hem opzettelijk
geïnjecteerd met een ziekte! De monsters!’
Roland V dacht aan zijn eigen obstakels die hij en
cours de route in dit spel had moeten overwinnen. Het
gaf hem om een of andere, ziekelijke reden moed om
ermee door te gaan en zijn schouders niet te laten
hangen.
‘Dat is de grens! Meer kan ik niet aan. Ik
moest al op mijn tanden bijten toen ze vorige week
mijn huis zomaar verkochten! Een mens kan maar een
bepaalde hoeveelheid pijn en leed aan!’
‘Je mag nog van geluk spreken dat ze niet nog
een stapje verder zijn gegaan, makker. Je vergeet dat
je hier in de kwartfinale zit. Je bent hier niet voor
niets geraakt, maar het echte spel moet nog
beginnen.’
‘Wel, ik geef me over. Ik geef op,’
jammerde de man. ‘Ze mogen mijn naam nu al in
de beker graveren, want hier houdt het voor mij op.
Ik ga mijn eigen kinderen niet laten lijden voor deze
stomme wedstrijd.’
‘Het zij zo,’ zei Roland V en hij haalde
zijn wapen boven, een elektrische schoksabel.
‘Ben je zeker van je zaak? Ben je er zeker van
dat dit is wat je wilt?’
Roland V zag de sabel in zijn hand trillen. Hij gaf
de tegenstander voldoende tijd om zijn beslissing te
herzien. Meer nog; hij wilde dat de man zijn
beslissing herzag want hij had niet veel zin om te
doen wat hem te doen stond. Het zou de vierde keer
zijn en net zoals in de vorige ronden zou zijn maag
hem parten spelen en net zoals in de voorronden zou
hij de kamp winnen, maar opgezadeld worden met een
bijkomende handicap voor de halve finales. Roland V
zuchtte luid en hield de sabel op de man gericht. Hij
kwam dichterbij. Nog een metertje en het contact zou
plaatsvinden en de man zou in rook en as opgaan.
Roland V zei:
‘Je hebt nog steeds tijd om je te bedenken. Je
kan nog steeds proberen winnen. Je kan nog een
comeback maken.’
Beneden, in de gigantische lobby van het sporthotel,
waren de reporters, de cameraploegen en de
verslaggevers verzameld rond de al even gigantische
balie. Achter de balie bevond zich het grote, immense
scorebord, een elektronisch bord en plattegrond van
de hele stad. Er waren nog een paar opflikkerende
lichtjes te zien die zich voortbewogen. Twee van de
lichtjes bevonden zich momenteel in één en dezelfde
kamer. Tijd voor een confrontatie en een wedstrijd
dus. De rest van de wedstrijd en de kwartfinales
lieten nog wat op zich wachten en waren verspreid
over de rest van de stad.
‘Het ziet ernaar uit dat Ben III het zal
begeven, mensen,’ riep een stem door een
microfoon. ‘We hebben een wedstrijd!’
Meteen lieten de verslaggevers hun koppen koffie
staan, onderbraken de ordinaire gewone gesprekken en
bestormden ze het plattegrondpaneel. In afwachting
van het wedstrijdpunt staarden ze af en toe naar de
jonge vrouw die de lobby was binnengewandeld om zich
al in te schrijven voor het volgende tornooi. Het
ging om een verzorgd en levendig meisje, met op het
eerste gezicht geen problemen. Je zag de mannen en
vrouwen denken: wat komt zo’n lief schepsel
hier doen?
Lana VII trok zich weinig aan van het tumult in de
lobby en had eigenlijk ook nog niet echt een idee wat
er gaande was. Ze negeerde het enorme elektronische
bord alsof het een uurrooster in een vliegtuighaven
of lanceerbasis was, en stapte resoluut naar het
hokje waar de inschrijvingen gebeurden. Daar trof ze
een oudere vrouw aan die op de goeie, ouderwetse
manier, een fiche opstelde van de verschillende
deelnemers.
‘Goeie middag, komt u voor een
inschrijving?’
‘Ik denk het wel,’ zei Lana VII.
‘Gaat u zitten. Let u alsjeblief niet op het
tumult. We zitten net in een spannende fase in de
kwartfinales. Hoe heeft u gehoord van het
Tornooi?’
‘Ik heb een reclame gezien tijdens een
nachtdroom.’
‘De klassieke manier dus,’ zei de oudere
vrouw terwijl ze notities nam.
Nadat ze de meest belangrijke gegevens van Lana VII
had genoteerd zoals naam, geboortedatum, maten,
hersencapaciteit, protheses, implantaten,
houdbaarheidsdatum en toekomstbeeld, ging de dame
over tot de werkelijke vragenlijst met betrekking tot
het Tornooi:
‘Heeft u kinderen?’
‘Ja, twee.’
‘Goed. Ze zijn nog in goeie gezondheid?’
‘Ja, allebei.’
‘Goed. U bent getrouwd?’
‘Ja.’
‘Goed. Een goed huwelijk?’
‘Zo goed als een huwelijk dat toestaat.’
‘Goed. U bent dus, mag ik stellen, vrij
gelukkig?’
Lana VII keek op en fronste de wenkbrauwen.
‘Natuurlijk. Dat is de reden waarom ik hierheen
ben gekomen, toch? Dat is de reden waarom ik me wil
inschrijven in dit tornooi. Ik ben nog nooit zo
gelukkig geweest in mijn hele leven. Alles zit mee.
Een leuke man, een nieuw huis, twee gezonde kinderen,
een goedbetaalde baan en bovendien ook nog eens een
gezond lichaam.’
‘Goed,’ resumeerde de dame. ‘Dan
bent u inderdaad klaar om deel te nemen. U hebt geluk
want er is net een plaats vrijgekomen. Het beste
bewijs dat het u inderdaad allemaal meezit. We hebben
een reservelijst met deelnemers, maar als u wil kan
ik wel een plekje reserveren.’
‘Dat zou prachtig zijn!’
‘Wel, dan volstaat het gewoon de kleine
lettertjes in het contract nog even na te lezen en
het dan te ondertekenen. Daar, helemaal onderaan, met
inkt en bloed.’
Lana VII kreeg het document onder de neus geschoven.
Ze werd even afgeleid door het rumoer in de lobby.
Een paar reporters waren aan het jouwen, een paar
supporters waren de twee spelers in de kamer aan het
steunen. Ze stonden in twee clans elk aan één kant
van de lobby, opgedirkt met elektronische sjaals en
borden, en riepen hen moed in:
‘Je kan het, Ben! Volhouden! Je bent er
bijna!’
‘Komaan, Roland! Je bent nu al zover geraakt.
Jij bent de winnaar. Jij gaat die medaille
halen!’
Lana VII richtte zich tot het document voor zich. Ze
las en herlas de laatste paragraaf waarin stond dat
elke deelnemer nadrukkelijk afstand deed van zijn of
haar rechten, en de organisatie of wedstrijdleiders
de macht en volledige vrijheid gaf om haar leven in
de war te sturen, te verpesten en zelfs te
beëindigen. Er stond ondermeer in dat alles zeer
geleidelijk zou gebeuren, stap per stap, ronde per
ronde op de kwalificatietabel en dat de echte,
pijnlijke en serieuze regels pas werden toegepast
vanaf de kwartfinales. Lana VII nam de pen en
aarzelde voor ze de punt in haar duim zou prikken en
het hele ding met haar eigen bloed zou ondertekenen.
‘Is er iets?’ vroeg de dame. ‘U kan
er nog steeds onderuit, hoor.’
‘Neen, helemaal niet,’ zei Lana VII,
‘Ik wilde gewoon nog even denken aan het moment
waarop ik besloot mee te doen.’
Lana VII had voor het eerst over deze nationale
competitie gehoord in een nachtdroom die werd
bestuurd vanuit de overheid. Op een nacht werd haar
normale nachtrust onbewust verstoord door een
boodschap van hogere rang. Daarin werd, in de vorm
van een soort reclamespot, het nieuwe spel of Tornooi
aan het brede publiek kenbaar gemaakt. Een stille,
fluisterende stem sprak haar in:
‘Leven is lijden en lijden… is een
sport.’
Die ene zin had Lana VII volledig uit haar eigen
droom losgemaakt en gaf de onbekende stem de
mogelijkheid om het concept verder uit te leggen:
‘Wie de hele tijd ontzettend gelukkig is, is op
zich niet meer zo gelukkig want geluk begint na een
tijdje te roesten. Het leven van een mens is nu
eenmaal gemaakt om op en neer te gaan, heen en weer.
Het Tornooi gaat ervan uit dat een mens geboren wordt
om enkele noodgedwongen beproevingen te doorstaan.
Helaas wordt niet elke mens geconfronteerd met zulke
barrières. Er bestaan mensen die fluitend door dit
leven trekken, in tegenstelling tot anderen die van
de ene mislukking naar de andere strompelen. Some
folks lives roll easy, some folks stumble and fall.
Wel, wie zich inschrijft voor het Tornooi zal een
ander mens worden. Een rijker mens, een interessanter
mens en vooral… een gelukkiger mens. Want:
geluk bestaat enkel en alleen door ongeluk.’
Lana VII was die ochtend wakker geworden en had
onmiddellijk beseft dat de stem in haar hoofd gelijk
had. Meer dan zes jaar al leed ze een ongelooflijk
gelukkig bestaan. Ze had nergens over te klagen
gehad. Alles zat haar mee. Bovendien was Lana VII
vroeger altijd al een competitor geweest. Ze blonk
altijd en overal uit in diverse sporten zoals
slasherball, virtueel jagen en goocheltennis. Altijd
zocht ze wel de uitdagingen op. En in dat echte geluk
dat haar omringde, zocht Lana VII altijd wel ergens
een kleine wedstrijd. Of het nu ging om het zuiverste
bloed bestellen of het ging om de verste virtuele
reisbestemming, altijd maakte ze zich op voor een
wedstrijd tegen haar man, haar kinderen en de rest
van haar familie.
‘Zo, u bent nu officieel ingeschreven in het
Tornooi,’ besloot de dame terwijl ze het
ondertekende formulier van Lana VII weer aannam.
‘Ik heb nog een paar vragen,’ vroeg Lana
VII.
‘Ja?’
‘Hoe bereid ik me het beste voor? Ik bedoel,
hoe bereidt een deelnemer zich het beste voor om te
winnen?’
Buiten het hokje was de spanning te snijden. De
lichtjes flikkerden nog altijd op het paneel. De dame
klasseerde het inschrijvingsformulier en glimlachte
wrang.
‘Er zijn verschillende manieren om je voor te
bereiden. Je hebt mensen die op hoogtestage gaan in
het Zuiden van Afrika om daar aan den levende lijve
de gruwel van het alledaagse bestaan te beleven en
zich daartegen, als een test, verzetten. Maar je hebt
evenzeer mensen die in hun eigen huishouden zelf
barstjes in hun geluk gaan veroorzaken. Ze zoeken
ruzies op, misdragen zich op hun werk of zorgen
ervoor dat ze voor hun eerste wedstrijd begint, al
geconfronteerd worden met een paar fikse tegenslagen.
Ik ken een man die bijvoorbeeld opzettelijk een
collega zwartmaakte zodat hij uiteindelijk werd
ontslagen. Dat was een fikse tegenslag. Eigenlijk was
het ook een geluk bij een ongeluk want daardoor kon
hij zich met man en macht volledig concentreren op
zijn eerste ronde in de tabel, maar tegelijk had het
hem al wat sterker gemaakt.’
‘Ik weet niet of ik wel bestand ben tegen zulke
tegenslagen.’
‘Dat weet je pas als je aan de wedstrijd
begint, liefje,’ zei de dame. ‘En laat
ons eerlijk zijn: dat is eigenlijk ook de reden om
deel te nemen. Iedereen wil toch weten wat zijn of
haar ultieme pijngrens is, nietwaar?’
Op datzelfde moment stond de dame op en nam ze haar
nieuwste rekruut mee naar de lobby. In de kamer
stonden de twee mannen, Roland V en Ben III nog
steeds tegenover elkaar. De laatste was rechtop
gekropen en bereidde zich voor op de laatste punten.
‘Hoe ben jij hier geraakt?’ vroeg hij
Roland V. ‘Heb je geluk gehad in de achtste
finales of heb je echt moeten knokken?’
‘Je zou kunnen zeggen dat ik geluk gehad
heb,’ zei Roland V. ‘Ik moest het opnemen
tegen een vent die ze echt bij de lurven hadden
genomen. In de zestiende finales hadden ze hem al
bijna helemaal murw geslagen door zijn vrouw vreemd
te laten gaan met een besmette gigolo. En in de
achtste finales, voor hij mij bevocht, kreeg hij af
te rekenen met de sterilisatie of onvruchtbaarheid
van zijn eigen dochter. Je ziet: hij kwam eigenlijk
al gehandicapt aan de aftrap.’
‘En jij?’ vroeg de man tegenover Roland V
bijna jaloers.
‘Ik heb mijn portie wel al gehad in de vorige
ronden,’ verzekerde hij hem. ‘Wees daar
maar zeker van. Ik heb al heel wat verloren. Je
vergeet trouwens de kopstoten die je te verwerken
krijgt bij het winnen van elke ronde.’
‘Ja, ik denk dat ik wel weet wat je bedoelt. En
trouwens, nu we daar toch over bezig zijn, ik denk
dat je het best, zowel voor mijn als voor jouw eigen
goed, zo snel mogelijk afhandelt.’
‘Je bent er zeker van?’
‘Ja, doe het! Doe het nu! Ik heb tenminste de
kwartfinales gehaald, nietwaar?’
Roland V nam de elektronische sabel weer op en
schakelde het devies aan dat aan de riem rond zijn
middel hing. Het zette de punt van het wapen op
stroom. Er was zelfs een minusuul klein vonkje te
zien. Behoedzaam trad hij naar voren en nam hij de
ouderwetse schermershouding aan. Sierlijk stak hij de
sabel naar voren en liet hij zijn pols gracieus
hangen. Zachtjes ging hij door de knieën en wachtte
af tot zijn tegenstander, Ben III, uiteindelijk het
hoofd zou laten hangen. Toen dat gebeurde en hij zijn
kin op zijn borst liet rusten, zei Roland V:
‘En garde!’
En met één steek raakte hij de verliezende
kwartfinalist pal op de borst. Er klonk een dof en
onheilspellend geluid waarna de onfortuinlijke een
meter verder werd weggeslingerd en op de grond viel.
Hij was op slag dood. Doodgeëlektrocuteerd. Meteen
schakelde Roland V de sabel uit. Er ging een koude
rilling over zijn rug en niet lang daarna was het
zijn beurt om de hoek in te kruipen. Hij kotste er
alles uit en kreeg af te rekenen met de zoveelste
hindernis in het parcours naar de ultieme
overwinning. Maar hij moest en zou kampioen worden.
Hij was onoverwinnelijk.
In zijn hoofd zette hij een zoveelste streepje bij op
zijn eigen, inwendige scorebord dat het ongeluk in
zijn leven opsomde. De strijd, hij had ze bijna
gewonnen. Hij had bijna de hoofdprijs binnengehaald!
‘Je ziet,’ zei de dame beneden in de
lobby tegen Lana VII, ‘dat dit eigenlijk al een
beetje een voorbereiding is voor je.’
Lana VII keek hoe hoe het lichtje op het paneel
stopte met flikkeren. Een paar momenten later was ze
getuige hoe het verkoolde lijk van de verliezende
kwartfinalist naar beneden werd gebracht en werd
afgevoerd doorheen de lobby. Vlak daarna verscheen
Roland V ten tonele. Hij werd onmiddellijk belaagd
door de horde reporters, fotografen en supporters.
Hij moest ze als vliegen van zich afstaan.
Ondertussen legde zijn coach, een zekere Mr. Kin, een
handdoek in zijn hals.
‘Hoe voelt u zich, meneer Roland?’
‘Had u deze overwinning verwacht?’
‘Wat was uw tactiek? Een eerste reactie?’
Roland V bleef even staan en liet de menigte bedaren.
Toen stak hij een hand op en zei:
‘Ik kan alleen maar mijn tegenstander
feliciteren. Hij heeft een prima wedstrijd gespeeld.
Het was kantje boordje, hij had evengoed kunnen
winnen, maar uiteindelijk ging het om wie het meeste
geduld had en wie het koelbloedigst was. Vandaag was
ik de beste, maar dat wil niets zeggen. Ik heb goed
gespeeld, maar ik ben bekaf. Dank u wel.’
Roland V probeerde met dit persbericht de massa
achter zich te laten, maar ze bleven hem bestoken.
Halverwege botste hij tegen Lana VII aan. De twee
keken elkaar een moment lang aan, maar meer werd hen
niet gegund, want er werd alweer aan zijn mouw
getrokken en voor hij het besefte, werd Roland V
tegen de glazen deur geduwd en onderworpen aan een
tweede reeks vuurvragen.
‘Meneer Roland V, nog één vraag graag.’
‘Ik heb mijn verklaring gegeven,
jongens…’
‘Hoe schat u uw kansen in in de halvefinale,
meneer Roland V?’
‘Ziet u zich de finale halen en misschien dit
hele tornooi winnen?’
Roland V besefte dat hij er niet onderuit kon. Hij
manoeuvreerde zich tussen een paar mannen en
antwoordde:
‘Dat kan ik echt niet inschatten, jongens. Ik
speel dit spel van dag tot dag. Van ronde tot ronde.
Ik kijk echt niet verder dan de volgende wedstrijd.
Maar ik moet toegeven: het vooruitzicht op de
hoofdprijs die alsmaar dichterbij komt, geeft me
vertrouwen en energie. Ik denk dat ik dit kan winnen.
Maar het komt er nu op aan om voldoende en snel
genoeg te recupereren. Echt waar.’
Op dat moment vond Mr. Kin, de coach, het meer dan
genoeg. Hij trad naar voren als een soort bodyguard
en maakte de weg vrij.
‘Laat hem even wat op adem komen,
jongens,’ riep hij. ‘Jullie hebben hem
gehoord. Hij heeft een zware wedstrijd gespeeld. En
hij moet weer klaar staan voor morgen. Bovendien moet
hij nu eerst naar de check-up.’
Voor Roland V zich mocht verheugen op een lekker,
warm bad, een shot amnesia en een diepe slaap, werd
hij eerst nog opgewacht in de kelders van het
spiegelgebouw. Daar stonden de officials hem in een
kamer van twee op twee op te wachten, met naald en
spuit. Een bloedcontrole.
‘Hallo jongens,’ zei Roland V opmerkelijk
luchtig na zijn zware wedstrijd. ‘Wat wordt het
vandaag?’
‘Je begint het al wat gewoon te worden,
nietwaar Roland V?’
‘Het hoort bij de routine, zeker? Serieus, wat
hebben jullie dit keer voor me?’
Een van de officials, gekleed in een zwart maatpak,
haalde een spuit tevoorschijn en liet een paar
druppels ontsnappen. Hij hield het vocht tegen het
licht en zei:
‘Wat dacht je van een portie hepatitis A, B, C
en D?’
‘Ik denk er het mijne van, maar ik hou me aan
de regels. Waar willen jullie het?’
Zonder de vraag af te wachten, ging Roland V
zelfverzekerd zitten op een krukje, sloofde zijn mouw
op en wachtte af tot hij de prik zou voelen. Hij
glimlachte. Het hoorde allemaal bij het voorspel, een
beetje zoals boksers vroeger op persconferenties
stoer bleven en elkaars oor afbeten. Het was een
kwestie van uitdagen, zelfvertrouwen uitstralen en de
wedstrijd al op voorhand beslechten. Roland V had nog
geen idee wie zijn volgende tegenstander zou zijn,
maar door zo bereidwillig en moedwillig zijn mouw op
te stropen, had hij al een streepje voor. De eerste
set leek al gewonnen. Roland V beet zelf niet eens op
zijn tanden toen de prik kwam en de hepatitis een
baan zocht in zijn bloed. Hij kon het allemaal wel
hebben. Integendeel: het leek hem zelfs nog maar
weinig uit te maken. De eerste injectie bij de
aanvang van de eerste ronde had hem natuurlijk
misselijk gemaakt. Hij had er drie nachten niet van
kunnen slapen want wie liet zich nu opzettelijk uit
vrije wil injecteren met de meest vreselijke ziektes?
Wie haalde het in zijn hoofd om uit vrije wil te
gokken op een beursgenoteerd bedrijf waarvan de
aandelen in één dag tijd gekelderd waren tot amper 2
euro? Wie zou zoals Roland V alles op het spel zitten
om een stomme wedstrijd te winnen, alleen maar omdat
hij ervan droomde die hoofdprijs weg te kapen?
Alleen: nu was het moment gekomen dat hij altijd al
had gevreesd. Hij zat in de halve finale. De mietjes
waren naar huis gespeeld. Het was tijd voor het echte
spel. En Roland V wist het.
‘Die hepatitis is maar een opwarmertje,
nietwaar?’
‘Goed geraden, Roland V. Je bent bij de
les.’
‘Je begint de kneepjes van het vak al wat te
kennen, he?’
Toch behield de kersverse halvefinalist zijn goed
humeur. Wat kon hij anders doen?
‘Ik dacht het al. Waarmee gaan jullie me
opzadelen? Mijn arme vader uit zijn lijden verlossen?
Me laten verlammen zodat ik de kamp moet vechten
vanuit een rolstoel?’
Er kwam geen antwoord.
‘Ik zit er nog niet eens dichtbij, he?’
De officials keken elkaar aan, tot er eentje zei:
‘Je beseft toch dat je in de halve finale zit,
he Roland V? Dat is hier geen kinderspel meer,
makker.’
‘Oké, wat is het dan?’
‘Je vrouw.’
‘Mijn vrouw? Wat is er met haar? Wat gaan
jullie doen?’
In één ruk was Roland V opgestaan. Hij liet het niet
onmiddellijk merken maar hij was in paniek. Voor het
eerst sinds dit spel van start was gegaan, begon hij
ervan te zweten. Hij wist dat ze alles konden doen.
Hij had het contract getekend, inclusief de kleine
lettertjes die beweerden dat ze hem vanalles en nog
wat konden aandoen, alsook zijn nabije omgeving,
familie en echtgenote.
‘Je wist dat dit moment er ooit zat aan te
komen, Roland V.’
‘Je hebt het zelfs aan jezelf te wijten. Je had
maar niet tot in de halve finale moeten
geraken.’
Roland V keek om zich heen. Het zag ernaar uit dat
hij geen hulp zou krijgen. Hij had zichzelf te
verwijten. Hij had ervoor gezorgd dat het tot dit
punt zou komen. Waarom had hij het gedaan? Die
hoofdprijs…? Langzaam ging hij weer zitten en
liet de gedachte tot zich doordringen dat hij nu niet
enkel zichzelf, maar ook zijn vrouw in deze wedstrijd
had betrokken. Een soort ziekelijk dubbelpartijtje.
Al die tijd dat hij zich gespaard waande omdat de
tegenslagen en injecties nog niet overdreven waren,
wist Roland V dat ze alles hadden opgespaard voor
deze halve finale. Zijn vrouw.
‘Wat… wat zijn jullie van plan met
haar?’
‘Dat kunnen we helaas nog niet zeggen, Roland
V. Het zou de verrassing bederven en het zou zijn
effect niet hebben mocht je het nu al weten.’
‘Je kan toch iets zeggen!’ begon Roland V
zijn stem te verliezen.
‘Het spijt me.’
‘Je kan niet zomaar zeggen dat je mijn vrouw
iets zal aandoen en dan weer je staart intrekken. Ik
heb het recht om…’
‘Je hebt geen rechten in dit spel, Roland V.
Dat weet je.’
‘Ja, maar, ik moet toch weten wat het zal
zijn.’
‘Wat wil je dat we zeggen, Roland V? We kunnen
zeggen dat het gruwelijk en mensonterend zal zijn. Is
het dat wat je wilt?’
Zonder het zelf te willen barstte Roland V in snikken
uit. Het was sterker dan hemzelf. Als een hoopje
stuikte hij in elkaar. Hij schaamde zich niet voor
zijn tranen. Ook dat hoorde weer bij de
voorbereiding, de trainingen voor de halve finales.
De tranen, zijn maag die samenkromp, de hoofdpijn, de
steken in zijn zij; de officials hadden er alles voor
over om de deelnemer zo goed mogelijk te laten
voorbereiden, zodat de toeschouwers een leuke halve
finale zouden krijgen.
‘Kun je me dan ten minste inlichten wie ik moet
bekampen?’ zei Roland V terwijl hij zijn tranen
droogde.
‘Waarom wil je dat weten?’
‘Ik wil het weten! Oké?’
‘Goed. Zoals je wil. Hij heet Stick II en hij
staat tweede op de wereldranglijst. Je kent hem
wel.’
‘Jezus, Stick II?’
Hij kon het niet geloven. Dé Stick II! De man die in
elke ronde van dit tornooi zowat ten dode
opgeschreven was en al zeven ronden lang, van bij de
preselecties, geconfronteerd werd met de meest
waanzinnige voorbeelden van ongeluk, smart en leed.
Stick II had zowat alles verloren wat er te verliezen
was: zijn huisdieren, zijn ouders, zijn grootouders,
zijn huis, zijn hypotheek, zijn zicht, zijn gehoor,
zijn rechterarm en zelfs een paar organen. De man was
verdomme een wandelend lijk, ten dode opgeschreven.
En daar moest Roland V het dus tegen opnemen! Hij had
geen schijn van een kans, dacht hij. Hij moest zelf
niet eens aan de wedstrijd beginnen.
‘Je meent het,’ herhaalde hij.
‘Stick II! Jullie hebben erom gedaan,
nietwaar?’
‘Waarom?’
‘Omdat het een finale avant-la-lettre
is!’
‘Het is de loting, Roland V. We hebben niet
gefoefeld of iets veranderd. Het is gewoon zo uit de
bus gekomen.’
Hij zuchtte en stond op.
‘Hier stopt de rit dus voor mij.’
Een van de officials, een grappenmaker wellicht, liep
naar de deur om hem buiten te laten.
‘Wie zegt dat? Een beetje zelfvertrouwen, he
makker. In elk tornooi is er wel een verrassing. In
elk tornooi sneuvelt er wel een reekshoofd. Je bent
de underdog en underdogs liggen goed in de markt. Je
zal alvast het publiek aan je kant hebben.
Succes!’
En met deze aanmoediging verliet Roland V het gebouw.
Later die avond lag hij in bed, terwijl zijn coach
Mr. Kin hem masseerde, of liever de huid zowat kapot
kneep en hem een naalden- en spijkersessie gaf, en
besloot hij maar half te trainen voor de halve
finales. Tegen de muur hing een groot scherm waarop
het nieuws van de dag te zien was: gruwelbeelden van
kapotgeschoten soldaten in veertien verschillende
oorlogen, zes nieuwe ziektes die waren overgewaaid
van Mars, een honderdtal doden bij een natuurramp en
nog meer van dat moois. Maar het hielp niet veel.
Roland V wist dat dit alles hem niet zou kunnen
voorbereiden op datgene wat de tornooileiding van
plan was te ondernemen tegenover zijn eigen vrouw.
Hij draaide zich op zijn rug en verzocht zijn coach
er even mee op te houden zodat hij haar ten minste op
de hoogte kon brengen. Het was nog niet te laat om
een dagconnectie aan te vragen en dus zag Roland V
zijn vrouw even later voor zijn geest verschijnen.
Een interlokaal bewustzijnsgesprek.
‘Ja, lieverd?’
Haar stem klonk vertwijfeld en opgelucht
tegelijkertijd.
‘Ik ben het. Je hebt me toch niet gezien in de
kwartfinale?’
‘Neen, ik heb niet durven kijken,’ gaf ze
toe.
‘Goed,’ zei hij opgelucht. ‘Je weet
wat we hebben afgesproken…’
‘Maar toen ik hoorde dat je het had gehaald,
heb ik naar de replay gekeken.’
‘Godver… ik wil niet dat je me ziet in
de wedstrijd,’ zei Roland V omdat hij wist hoe
pijnlijk het voor haar wel niet moest zijn om haar
man zo te zien afzien. Daarom ook had hij haar
opzettelijk nog niet ingelicht over alle gruwel die
ze niet te zien had gekregen. De injecties achter de
schermen, de vernederingen, de innerlijke kwellingen,
de leugens, al de rest.
‘Ik…ik weet niet hoe ik je dit moet
zeggen,’ begon hij te stamelen.
‘Wat is er, Roland V?’
‘Ik… heb het verknald.’
‘Waar heb je het over? Je hebt de halve finale
gehaald! Nog even en je hebt de hoofdvogel
afgeschoten.’
‘Ze gaan jou aanpakken, liefje,’ zei hij
onzeker en voor de tweede keer die dag kon hij zijn
tranen niet de baas. Hij zag hoe zijn coach, Mr. Kin
hem misprijzend zat aan te kijken terwijl hij
voorbereidingen trof om zijn pupil nog voor het
slapengaan een korte kotssessie te ondergaan.
‘Mij? Waarom?’
‘Ze willen me treffen waar het het meest pijn
gaat doen.’
‘Maar… wat zijn ze dan van plan?’
‘Ik weet het niet. Dat wilden ze niet zeggen.
Ik weet alleen dat ze jou zullen gebruiken om mij te
treffen. Jij bent mijn handicap voor de halve
finale.’
Ze zweeg.
‘Je hebt nog niets vreemds gemerkt?’
vroeg hij voor de zekerheid.
‘Neen, ik denk het niet.’
‘Dan zal het nog moeten komen.’
Nadat ze voor die nacht afscheid hadden genomen van
elkaar, kwam Mr. Kin weer op het bed afgestapt, met
in zijn hand een soort spalk. Roland V kende de trucs
al allemaal uit het hoofd. Om de eerste games van de
volgende rondes zonder kleerscheuren door te komen
zou de coach een lichamelijk letsel toebrengen zodat
de pijn een essentieel onderdeel zou vormen en Roland
V zich op een hoger niveau niet kon druk maken over
wat er met zijn vrouw zou gebeuren. Ook het nieuws
dat hij vanaf vandaag met alle mogelijke hepatitissen
besmet was, zou naar de achtergrond verdwijnen door
die oude truc van Mr. Kin.
‘God neen, Kin,’ bood Roland V weerstand.
‘Niet weer.’
‘Een primitieve pijn verdringt de echte
pijn,’ zei de coach op zijn Oosters.
‘Oké, maar doe me een plezier. Neem een arm dit
keer. Ik wil op mijn benen blijven staan.’
Zonder waarschuwing nam de coach de rechterarm vast,
legde die op de rand van het bed en zette er toen
zijn voet op. In één beweging brak hij met zijn volle
gewicht twee botten in de arm. Roland V schreeuwde
het uit, maar huilde voor het eerst die dag van
blijdschap omdat hij wist dat hij de volgende uren
meer aan die pijn zou denken dan aan zijn volgende
wedstrijd.
De volgende week speelde Roland V zijn halve finale
op diverse plekken en diverse tijdstippen. Men
verloor hem geen seconde uit het oog en een paar keer
ontmoette hij zijn tegenstander, Stick II, in het
winkelcentrum bijvoorbeeld of bij de ombudsman. Wie
van de twee de ander uitnodigde voor een
‘confrontatie’ in een van de vele kamers
van het spiegelgebouw, had de beste papieren want die
stond het sterkst, of beter gezegd: die had het
meeste meegemaakt. Wie dan in die kamer het onderspit
zou delven, stond de troostprijs te wachten: de dood,
wat op zich de winnaar als een spoetnik naar de
finale zou schieten.
Het zag ernaar uit dat Roland V uiteindelijk toch de
finale zou missen. Stick II was een doordrijver, meer
nog: de man leek een olifantenhuid te hebben en was
letterlijk niet uit het veld te slaan.
Tot er een anonieme tip binnenkwam die aantoonde dat
de man in kwestie doping gebruikte. Temidden van een
ontmoeting in een café waar de twee mannen hun
ongeluk trachtten te verdringen, gebeurde het.
‘Hoe staan de zaken ervoor?’ vroeg Stick
II gespeeld luchtig. ‘Nog altijd niet van plan
om op te geven?’
‘Ik ben geen opgever,’ zei Roland V maar
onder het oog van de miljoenen kijkers wist hij dat
hij zwart aan het liegen was.
‘Neen? Bewonderenswaardig,’ antwoordde
Stick II. ‘Ik heb nochtans gehoord dat ze je
vrouw in het spel hebben betrokken.’
‘Jij bent toch niet met haar
vreemdgegaan?’ vroeg Roland V opkijkend.
‘God, neen! Dat niet, maar het zal wel erg
zijn, neen?’
‘Ik weet niet. Ik heb er nog niets van
gemerkt.’
Het was zo. Een week lang was Roland V opgezadeld met
kleine ongemakken en tegenslagen, maar die grote
klip, in de vorm van zijn vrouw, was nog niet aan hem
verschenen. Ze leken het nog even uit te stellen.
Terwijl Stick II, uit goeie bron vernomen, wel al
twee gigantische opdoffers te verwerken had gekregen.
‘Hoe zit het met die beschuldiging van
pedofilie, Stick?’ vroeg Roland V op zijn beurt
luchtig.
‘Het is beter dan die geruchten die over mij de
ronde doen over doping.’
‘Ach ja,’ zei Roland V en net toen hij
wilde beginnen over de vermeende dopingaffaire werden
de geruchten in daden omgezet toen zonder
waarschuwing een paar officials en scheidsrechters
bij hen kwamen staan met de mededeling dat Stick II
werd gediskwalificeerd.
‘Hoe bedoel je, man? Laat los! Laat me
spelen!’
Maar het had geen zin meer. Roland V wist niet of hij
nu een gat in de lucht moest springen omdat het
ernaar uitzag dat hij in de finale zat, of mdedeleven
moest voelen omdat zijn tegenstander niets anders had
gekund dan naar de verboden middelen te grijpen.
‘Stick II, u wordt uit de wedstrijd gezet op
beschuldiging van doping, in de vorm van regelmatig
gebruik van opbeurende en oppeppende middelen zoals
Prozac en andere vormen van anti-depressiva.’
Toen Roland V samen met Mr. Kin in zijn hotelkamer al
zijn overwinning aan het vieren was, kwam hij nog te
weten dat Stick II al het hele tornooi zo
uitzonderlijk presteerde en alles kon verdragen omdat
hij gewoonweg geen hart meer had. De man had een
kunsthart laten plaatsen en daarbovenop had hij zich
geregeld suf en gevoelloos gesnoven dat het hem
allemaal niets meer uitmaakte. Wat er nu te gebeuren
stond, wist Roland V niet, aangezien het de eerste
keer was dat iemand uit het Tornooi was gezet.
‘Wat nu?’ vroeg Mr. Kin toostend.
‘Moet je hem nu niet doden?’
‘Ik weet het niet,’ zei Roland V.
‘Ze hebben hem meegenomen voor ondervraging.
Hij zal al zijn premies, sponsordeals en medailles
terug moeten inleveren, denk ik. Dat op zich is al
een stuk erger dan de dood, neem ik aan. Ik bedoel,
hij zal aan de schandpaal worden genageld.’
‘Ja, maar op die manier komt hij er makkelijk
vanaf. Het reglement wordt nu niet toegepast.’
Maar er was iets anders dat Roland V bezighield. Zijn
vrouw. Door deze plotse onderbreking en opgave,
hadden ze die factor nog niet aangewend. Het zou dus
iets worden voor in de finale. Tenzij ze met nog iets
beters op de proppen konden komen. Zonder het zelf te
willen bleef Roland V zich afvragen in welke vorm ze
zijn vrouw als obstakel hadden ingeschakeld. Het
prikkelde hem; het zette hem aan het denken en
vooral: hij werd ongelooflijk nieuwsgierig. Meer nog:
een tweede opgave in de finale zou hij niet
aankunnen. Hij moest het weten. Natuurlijk zouden ze
nooit het risico willen nemen om een finale zonder
spanning en actie af te leveren.
Toen Roland V dus die dag uit het hokje van de
officials kwam, waarbij een vorm van
hersenvliesontsteking bij hem werd ingeplant en ze
hem als vrijwilliger hadden aangemeld voor een
geheime oorlogsmissie op Venus, keek hij vooral uit
naar dé ingreep: zijn vrouw. Hij kon bijna niet
wachten om zijn opwachting te maken in de finale. Als
een bokser stond hij als het ware in zijn hoekje
touwtje te springen, klaar om met alles en iedereen
de grond aan te vegen.
Maar nog voor Roland V zijn tegenstander in de finale
voor het eerst te zien kreeg, wist hij hoe laat het
was. Hij wist hoe ze zijn vrouw hadden ingeschakeld.
Hij liep het spiegelgebouw binnen, uitgerust met de
elektronische sabel aan zijn heup, op weg naar een
kamer waar hij een eerste game zou uitvechten. Maar
halverwege de lobby zag hij haar. Zijn vrouw! Ze was
op post. Ze hadden haar inderdaad in de strijd
geworpen, alleen niet zoals Roland V het verwacht
had. Ze stond namelijk in de groep van de volgende
deelnemers!
‘Mijn god, neen!’ riep Roland V uit.
Hij liep op haar af en tikte haar op de schouder.
‘Lana VII!’
‘Liefje, wat doe jij hier? Moet jij je niet
voorbereiden op de finale?’
‘Wat doe jij hier? Zeg me niet dat je…
je hebt ingeschreven?’
Ze keek hem beneveld en angstig aan.
‘Jawel.’
‘Neen!’
Hij nam haar stevig vast en drukte haar boezem tegen
zijn borst aan, alsof hij nu al naar dat gevaarlijke
oorlogsfront moest vertrekken. Alsof hij haar nu al
had verloren, of liever: alsof zij hem nu al had
verloren. Maar het was zo. Hij had de finale al
verloren. Dit zou hij nooit te boven komen, dacht
hij. Ze hadden hem genekt. Deze achterstand zou hij
in geen week meer kunnen ophalen. Hij voelde zijn
hart wegteren. Hij was op. Hoe kon ze hem dit
aandoen? Wat stond er haar allemaal niet te wachten?
Haar leed zou het zijne worden. Het zou zijn
ondergang worden. Het zou hem de hoofdprijs kosten.
‘Waarom?’
‘Ik had een nachtdroom waarin…’
Maar Roland V hoorde de rest al niet meer. Hij wist
genoeg. Een nachtdroom. Zo hadden ze het dus gedaan.
Hij wist natuurlijk ook wel dat er opperste
geheimhouding werd verreist van de deelnemers. Lana
VII kon hem dus niet hebben ingelicht over haar
inschrijving. Hij liet haar los en zag haar bezorgde
blik.
‘Liefje, je kunt dit nog altijd winnen,
hoor!’
‘Vergeet het,’ zei hij hoofdschuddend.
‘Ik heb verloren. Ik heb jou verloren! Aan dit
ellendige spel!’
‘Niet waar! Je kan het!’
‘Ach, hou op.’
Hij gaf haar een laatste kus en keek haar nog een
laatste maal aan. Net toen hij op het punt stond er
de brui aan te geven en in de witte kamer tegenover
zijn tegenstander op de grond neer te zakken en om
genade te smeken, keek hij op. Verrek: ze had gelijk.
Hij was geen loser. Hij was een winnaar. Hij mocht
één zaak niet vergeten. De hoofdprijs. De beloning.
‘Je kan het, liefje. Ik geloof in je!’
Hij knikte en zocht daarna de weg doorheen de
drummende massa van reporters naar de bovenste
verdieping. Toen hij in kamer 365 aankwam, stond zijn
tegenstander, een gebroken oude man, al op hem te
wachten. Roland V kende zelfs zijn naam niet.
Misschien maakte dat ook allemaal niet meer uit. Het
voornaamste was dat de oude man amper nog op zijn
benen kon staan. Hém hadden ze helemaal
leegeplunderd, dacht Roland V. En tegelijk dacht hij:
dit kan ik nooit winnen. Een oude man die ondanks al
dat leed nog altijd de moed vindt om me hier te staan
opwachten, moet wel een heel bijzondere sportman
zijn.
‘Ik ben Roland V,’ stelde hij zichzelf
voor.
‘Ik… ik ben niemand meer,’
stamelde de oude man. ‘Ik ben een nietsnut. Ik
heb geen enkele betekenis meer in dit leven. Ik heb
niets meer.’
‘Je hebt bijna deze wedstrijd gewonnen,’
zei Roland V en op dat moment dacht hij er zelfs aan
om hem de finale te schenken. Misschien zou hij dan
niet gedood worden en konden hij en Lana VII toch nog
ontsnappen en op een lang verdiende vakantie gaan. En
zo hoefde zij ook niet deel te nemen aan de volgende
aflevering van dit tornooi. Maar toen dacht hij aan
de beloning, de prijs, de beker.
‘Ik denk niet dat ik het haal,’ pruttelde
het mannetje tegen. ‘Ik kan niet meer. Ik heb
kanker, alle mogelijke ziektes en ze hebben me ook
nog eens halfdood bestraald met radioactief
materiaal. Het maakt eigenlijk niet uit of ik nu win
of niet; dood ga ik toch. Ik ben eigenlijk al blij
dat ik het gehaald heb. Met de centen en het
prijzengeld van de finale kunnen mijn vrouw, mijn
kinderen en kleinkinderen een tijdje verder leven. Ik
heb tenminste niet voor niets geleefd, geleden en
gevochten.’
Roland V had niets meer. Hij kon niets meer zeggen.
Het was zoals het was. Het was de waarheid. Wat
restte hem ook nog? Maar nog voor hij zelf door de
knieën kon gaan, stuikte het mannetje al tijdens hun
eerste kamp neer. Het was niet zozeer een bewuste
beslissing, dacht Roland V. Het was eerder een
kwestie van niet meer kunnen. De handdoek werd in de
ring gegooid.
‘Wat doe je nu?’ vroeg Roland V bijna met
spijt.
‘Ik geef op. Je hebt gewonnen. Jij hebt het
grootste tornooi van de wereld gewonnen. Ik gun het
je. Je hebt het verdiend!’
‘Maar ik wil niet winnen,’ jammerde
Roland V ineens.
Maar terwijl hij het zei, was hij toch trots op
zichzelf dat hij had volgehouden. Een of twee
seconden langer dan deze oude, gebroken man. Dat
wilde toch iets zeggen. In gedachten zag hij zijn
vrouw Lana VII al een gat in de lucht springen, net
als de reporters die live verslag zouden uitbrengen.
‘We hebben een winnaar! Roland V heeft deze
week de zesendertigste editie van het Tornooi op zijn
naam geschreven! Na zijn schitterende overwinningen
in de achtste en kwartfinales moest hij het opnemen
tegen de topfavoriet Stick II, maar ook daar ging hij
losjes overheen. In de finale werd een keiharde,
gemene bikkelharde strijd verwacht, maar de kijkers
bleven wat op hun honger zitten want al tijdens de
eerste kamp hing Rolands tegenstander in de
touwen…’
Roland V nam de uitgestoken hand van de oude man aan
en trok hem op.
‘Ik zal er je eeuwig dankbaar voor zijn,
jongeman,’ smeekte de man met een blik op de
sabel.
‘Ik weet niet of…’
‘Je moet het doen!’
‘Ik dacht dat de verliezende finalist geen
troostprijs kreeg, maar gratie?’
‘Ik wil geen gratie! Ik wil die troostprijs en
wel nu! Doe het!’
‘Neen.’
Maar met het laatste restje moed en wanhoop hees de
oude man zich omhoog en nam hij de punt van de
elektronische sabel vast terwijl hij met zijn andere
hand, worstelend met Roland V die hem van zich af
wilde houden, de stroom aanschakelde. Roland V wilde
nog ingrijpen, maar het was te laat. Het oude ventje
greep de arm die niet de zijne was en bracht de sabel
in één beweging tot bij zijn voorhoofd. Zonder nog
iets te zeggen, drukte hij de punt als een askruisje
tegen zijn huid en werd hij dood geëlektrocuteerd.
‘Proficiat!’ klonk het van overal uit de
boxen en de schermen in de kamer. Roland V keek naar
buiten door het grote, brede raam en zag een
gigantisch scorebord voorbijdrijven in de lucht. Hij
las zijn eigen score en uitslag ervan af en liet de
verliezende namen allemaal stuk voor stuk aan zich
voorbijgaan. De top tien kon hij nog bijhouden, maar
de rest van het peloton was hij allang vergeten. Toen
hij naar beneden keek, zag hij de menigte op straat,
voor het grootste deel om hem te feliciteren, maar er
waren ook een paar portestgroepen bij die dit hele
verderfelijke spel een gebrek aan normen verweten.
‘Het is tijd voor de prijsuitreiking, Roland
V!’
Als een koning daalde de winnaar door de gangen, de
trappen en de lobby over een rode loper naar buiten
waar de beker hem al stond te wachten. Zijn hart
klopte dubbel zo hard.
‘Nog een geluk dat ik geen speech hoef te
geven,’ dacht hij nog.
Ergens halverwege passeerde hij zijn vrouw Lana VII
die naar hem knipoogde en gebaarde dat ze van hem
hield en altijd wel van hem zou houden. Roland V
kreeg het moeilijk en verloor bijna de controle over
zijn spieren. Maar hij moest volhouden. Hij moest als
een echte gladiator het hoofd hoog houden en zijn eer
in ontvangst nemen. Dus liep hij gestadig door en
genoot van de schouderklopjes, de handtekeningen die
hij onderweg uitdeelde en de bombastische fanfare die
hem muzikaal begeleidde tot het kleine, in elkaar
gebokste podium waarop de grote beker met de grote
oren stond. Het was een gouden beker waarin de
vijfendertig namen van de vorige winnaars in stonden
gegraveerd. Daar aangekomen schudde Roland V de hand
van de notoire organisator en bedenker van het spel.
Hij keek de massa in en merkte zijn coach op. Jammer
dat hij die niet meer zou kunnen bedanken.
Toen kreeg hij de beker overhandigd. Hij nam hem met
beide handen beet en stak hem als een krijger de
lucht in. Het publiek barstte los in luid applaus en
gefluit. Roland V besefte dat dit zijn gloriemoment
was. Hij kuste de beker en dacht aan de eeuwige roem
die hem dit alles zou opleveren.
Toen hield hij de beker voor zich uit en keek hij nog
één keer naar zijn vrouw Lana VII.
‘Mijn god,’ stond het hem ineens bij.
‘Dat ze dit moet aanzien maakt niet deel uit
van mijn ongeluk, het maakt deel uit van haar
voorbereiding! Mij aan het werk zien en de hoofdprijs
zien krijgen, is een test en haar eerste handicap
voor haar eerste ronde!’
Het werd hem ineens allemaal duidelijk. Er zouden bij
Lana VII geen injectiespuiten aan te pas komen bij de
aanvang van haar eerste ronde van het Tornooi. Dit
volstond.
‘Oké, dan,’ besloot hij achteloos.
‘Als het zo moet, dan is het maar zo.’
En met gesloten ogen zette Roland V, winnaar van het
Grootste Tornooi, zijn lippen aan de gouden kelk en
dronk in één teug het vergif op.
Een paar momenten later kreeg hij zijn beloning en
hoofdprijs.
© Bavo Dhooge
SLUIT ME ALSJEBLIEF EENS OP IN JE GEHEUGEN,
ALSJEBLIEF?
• Bavo Dhooge •
Het was niet zo dat Rik Harris een schaduw of een
grijze duif was; integendeel, hij was de gewiekste
huis-aan-huisverkoper die de firma Human Interest
ooit had gehad. Harris werkte al twee jaar in het
bedrijf en had een schijnbaar onuitwisbare indruk
nagelaten op zijn baas tijdens zijn
sollicitatiegesprek. Vooral zijn diplomatische
karakter, in combinatie met zijn zachte koppigheid,
had hem gebracht waar hij thuishoorde. Hij was een
van de top vijf verkopers in de sectie Pépé’s,
oftewel Persoonlijkheid Pakketten. En toch had Rik
Harris de indruk dat men hem over het hoofd zag.
Dagelijks. Een onuitwisbare indruk was misschien wel
wat teveel van het goede. En met men bedoelde Rik
zowat iedereen: van de secretaresses, zijn baas, zijn
collega’s tot en met zijn klanten. Hij wist
voor de zoveelste keer hoe laat het was toen hij die
ochtend in het kantoor van zijn baas Honter zat.
‘Hoe staan de zaken ervoor, Harris?’
‘Het gaat goed,’ zei Harris hoewel hij
niet graag pochte over zichzelf.
‘Hoever sta je met de introductie van die
nieuwe etherische persoonlijkheid?’
‘Het slaat nog niet echt aan, meneer,’
zei Harris naar waarheid. ‘Maar dat wil niets
zeggen. Toen we met die nieuwe reeks creatieve
persoonlijkheden begonnen en we die op de markt
brachten, moest men er ook niets van weten. Men was
nog steeds in de ban van de marketeers en managers.
En we weten allemaal hoe het die pakketten zijn
vergaan. We zitten nog altijd met een stock van hier
tot in Eneris.’
‘Je hebt gelijk, Harris,’ zei Honter
terwijl hij op zijn desktopscherm een staaltje bekeek
van het nieuwste prototype van een psychotische
persoonlijkheid. ‘Je hebt donders gelijk. Het
gaat allemaal zo snel tegenwoordig. Het ene moment is
de feministische persoonlijkheid weer helemaal in,
het andere moment moeten het weer allemaal
macho’s zijn. Ik snap het soms ook allemaal
niet meer. Maar zeg me eens, Harris, hoe gaat het me
de kinderen?’
‘Zeer goed, meneer,’ zei Harris.
‘Ze ontwikkelen momenteel hun eigen
persoonlijkheid.’
‘Goed, goed,’ zei Honter afwezig omdat
hij nog steeds in de ban was van het voorbeeld van de
psychoot. Op het scherm zag je een man ineens woedend
worden en zich afreageren door een computer door het
raam te gooien. ‘Een echte
persoonlijkheid?’
‘Dat mag ik hopen, meneer. Ik denk dat ze nog
wat te jong zijn om een pakket uit te testen.’
‘Goed, goed,’ herhaalde Honter weer.
‘Ze hebben nog de tijd, he? Wat zijn het nu
weer? Twee meisjes?’
‘Een jongen en een meisje,’ zei Harris en
hij vermeldde er voor de twintigste keer hun leeftijd
en naam bij, maar hij wist dat het boter aan de galg
was. Hij wist dat Honter geen oor had en dat zulke
zaken nooit bij de baas bleven hangen. Honter was de
enige –behalve Harris- in het bedrijf die zelf
nog nooit een eigen persoonlijkheid pakket had
uitgetest. Hij had met zijn eigen persoonlijkheid
genoeg: strak, zakelijk en koel. Harris deed dan ook
geen moeite meer om de namen van zijn kinderen te
herhalen. Maar die ochtend brak zowat zijn klomp toen
hij Honter hoorde vragen:
‘Weet je, Harris, ik ken eigenlijk nog altijd
niet je achternaam.’
‘Harris,’ zei Harris. ‘Dat is mijn
achternaam.’
‘Neen! Werkelijk! Dat meen je niet? Ik dacht
dat Harris je voornaam was.’
‘Neen,’ zei Harris die het wel kon weten.
‘Harris is mijn achternaam. Ik heet Rik. Rik
Harris.’
‘Wel heb je ooit, Rik. Mag ik je Harris blijven
noemen, Harris?’
‘Wat u maar wilt, meneer.’
Maar Harris staarde naar zijn schoenen. Hij had dit
gesprek al eens eerder gevoerd. Meer nog, hij had het
al meer dan tien keer gevoerd. Meer bepaald: elke
maand, het moment waarop hij zijn cijfers kwam
afgeven in dit kantoor en dit gesprek voerde, moest
hij zijn baas overtuigen dat Rik zijn voornaam was en
Harris zijn achternaam. Het bleef gewoonweg nooit
hangen. Hij, Rik Harris, bleef nooit hangen.
‘Meneer?’ vroeg hij voorzichtig.
‘Ja, Harris.’
‘Ik werk hier al twee jaar. Ik voel me hier
goed, begrijp me niet verkeerd, maar ik heb soms het
gevoel dat ik niet genoeg betrokken ben bij de
zaak.’
‘O?’
‘Ja.’
‘Waar wil je heen, Harris?’
Om een of andere reden wist Harris dat Honter zijn
voornaam alweer was vergeten. Dat was niet zo
verwonderlijk, net zoals het niet te verwonderen was
dat zijn collega’s zijn verjaardag nog altijd
niet op de digitale kalender hadden gezet, dat ze
niet wisten dat hij de enige was die met een oude
shuttle vloog en dat hij in de top vijf zetelde van
de Pépé’s.
‘Nergens, meneer,’ zei Harris en hij
stond op.
Misschien moest hij maar eens een van die
Persoonlijkheid Pakketten bij zichzelf inplanten. Zo
zou hij er op zijn minst zeker van zijn dat zijn
persoonlijkheid zou blijven plakken. Want zoals het
er nu naar uitzag, was Rik Harris, na twee jaar, nog
altijd een spook, een geest, een nobody.
Die dag zat Harris voor zijn zesde huisbezoek
tegenover een vent die een opvliegend karakter had
besteld. Hij had de hele boel twee maand geleden
betaald en een maand geleden laten inplanten, en
Harris was de man die moest nakijken of het pakket
goed functioneerde. Hij zat voor de man in kwestie en
overliep een vragenlijst.
‘U heeft dus geen grote klachten, meneer
Olson?’
‘Niet speciaal, neen. Ik had het me wel iets
heviger voorgesteld,’ antwoordde de man.
‘Maar eigenlijk valt het best mee. Ik heb
hooguit een paar borden en glazen kapot gegooid en
een paar keer heel luid geroepen, maar het is niet
alsof ik mijn vrouw al heb geslagen of
verkracht.’
‘Dat is niet de bedoeling, meneer Olson,’
zei Harris met een flauw lachje. Hij keek naar de
volgende vraag, maar zijn klant voegde eraan toe:
‘Ik ben evenwel heel tevreden met het
resultaat, als ik eerlijk mag zijn. Weet u, vroeger
zou ik bij het minste in mijn schelp gekropen zijn.
Ik zou het allemaal maar opgekropt hebben en als een
deurmat over me heen hebben laten gaan. Ik zou er een
tumor van gekregen hebben en het zou mijn hele leven
en systeem hebben verpest. Maar nu, door dat
agressie-pakket kan ik tenminste wat stoom afblazen.
Het geeft me weer vrijheid; ik spuug het eruit, ik
klop met mijn vuist tegen de muur en ik schop tegen
een paar dingen, maar daarna is het gedaan en kom ik
tot rust.’
‘Dat is de bedoeling,’ zei Harris.
‘Wij, van Human Interest, willen dat u zich
door een pakket beter in uw vel gaat voelen.
Letterlijk en figuurlijk. De natuur heeft een mens
een persoonlijkheid gegeven, maar dat betekent nog
niet dat dat uw meest natuurlijke persoonlijkheid is.
Ik zal u nu een paar vragen stellen met betrekking
tot uw lichaam en de respons die het geeft op die
agressie. Het kan namelijk zijn dat we de dosis nog
wat moeten bijstellen omdat uw lichaam en hart te
hevig reageren waardoor de kans op een hartinfarct of
een zenuwinzinking te groot is.’
‘Natuurlijk,’ zei de man die Olson
heette. ‘Maar als u het niet erg vindt, wil ik
wel eerst eens bellen naar mijn vrouw. Ze heeft me
gezegd dat ze nog wat boodschappen moest doen, maar
het is nu al na vijven en ik begin me eerlijk gezegd
een beetje zorgen te maken.’
Harris hield zijn vragenlijst klaar en zag hoe de man
zijn vrouw opspoorde met zijn zender. Het gesprek
begon vredig, maar al snel werd Harris duidelijk dat
de dosis agressie in het Persoonlijkheid Pakket te
groot was. De man schoot uit zijn kraam, vervloekte
zijn vrouw en begon tien minuten lang te tieren en
dingen kapot te gooien. Op een gegeven moment kwam
het zelfs zo ver dat Olson zijn schoen uitschopte en
als hamer gebruikte om tegen zijn eigen hoofd te
slaan. Het was ten slotte Harris die hem weer op het
appel riep. Traag en met een zwetend voorhoofd kwam
de man voor hem zitten.
‘Sorry dat je dit moest zien.’
‘Ik ben blij dat ik het heb gezien,’ zei
Harris. ‘Dat bespaart me een paar
vragen.’
Rik Harris begon de helft van zijn vragenlijst te
schrappen en aan het eind vulde hij in het laatste
hokje in:
‘Een evaluatie is aangeraden.’
Aan het einde van het gesprek trachtte Harris nog
even de mogelijkheid aan te kaarten om over te
schakelen van een Agressie Type 1 naar een Agressie
Light, maar de man hield voet bij stuk (een deel de
verdienste van het nieuwe pakket) en wilde de
agressie in zijn lijf blijven voelen. Toen hij Rik
Harris buiten liet, schudde hij hem de hand en zei:
‘Bedankt om langs te komen,
meneer…?’
‘Harris,’ zei Harris. ‘Rik
Harris.’
‘Harris? Ik dacht dat je anders heette.’
‘Neen, ik heet wel degelijk Harris,’
hield Harris met een venijnig lachje vol.
‘Wel, ik wil je bedanken, Harris. Dit heeft
mijn leven veranderd. Jij ziet eruit als een keurige,
evenwichtige perfecte persoonlijkheid. Jij bent een
wandelende reclame voor jullie producten,
zeker?’
Harris glimlachte alleen maar. Hij had geen zin om
over zijn eigen aangeboren persoonlijkheid te
beginnen. Waarom zou hij ook? Als hij dat zou doen,
dan zou hij afbreuk doen aan het bedrijf waarvoor hij
werkte. Hij kon zijn eigen persoonlijkheid dus maar
aanwenden als reclame, ook al was zijn
persoonlijkheid hem aangeboren, niet ingeplant.
‘Je hebt kinderen, he?’
‘Ja,’ zei Harris.
‘Ja, dat weet ik nog uit ons eerste gesprek
toen we het contract hebben getekend. Wat was het nu
weer? Een tweeling?’
‘Een jongen en een meisje. Ze schelen twee
jaar.’
‘Welwel, waarom zat ik nu de hele tijd met die
tweeling in mijn hoofd? Een mens heeft soms een
bepaald gedacht over een mens, he?’
‘Ja.’
‘Zeg, wat met de verzekeringen, Floyd?’
vroeg de man opeens.
‘He?’
‘Wat als ik mijn hand breek als ik weer maar
eens tegen een muur mep? Wat gebeurt er dan? Wordt
dat vergoed door de verzekering van Human Interest of
wordt dat op mijn rekening gezet? Wie is eigenlijk
verantwoordelijk? Ik of jullie?’
‘Wel…’
Harris probeerde zich te concentreren, haalde een
paar paragrafen in zijn hoofd boven uit het
standaardcontract dat hij de man twee maand geleden
had laten tekenen. Maar hij kon het niet. Waarom had
die man hem ineens zonder veel aanleiding Floyd
genoemd? Waar kwam die naam Floyd vandaan? Hij heette
Harris, Rik Harris!
‘Ik…’
‘Je hoeft het me nu niet te vertellen,
Floyd,’ zei Olson. ‘Ik zal het wel horen
als het zover is. Zoals ik het bekijk, heb ik de
zaken toch niet meer in de hand, nietwaar? Ik leef
vanaf nu op de rand. Maar het voelt goed. Het is een
bevrijding.’
Harris werd zachtjes buiten geduwd, maar het lag niet
in zijn persoonlijkheid om het hierbij te laten. Hij
was niet alleen een huis-aan-huisverkoper van
persoonlijkheden, hij was een opvolger, een buddy die
er zowel bij de verkoop als bij de installatie, de
operatie én de opvolging op toezag dat alles naar
behoren verliep. Een beetje zoals een reisbegeleider
naar Antros dag en nacht betrokken bleef bij de trip
van zijn klanten.
‘Ik zal het nakijken, meneer Olson,’ zei
Harris.
‘Oké, geen probleem, Floyd.’
Harris wilde doorlopen, zich niet meer omdraaien en
zich concentreren op de twee volgende klanten van die
dag, maar hij kon het niet laten. Het werd hem te
veel en het was de eerste keer dat zijn natuurlijke
persoonlijkheid –evenwichtig en diplomatisch-
werd verstoord. Hij kon het toch onmogelijk hierbij
laten? Hij heette Rik Harris! Hij kende geen Floyd.
Oké, het was de moeite niet om er een staatszaak van
te maken, maar hij was en bleef de contactpersoon
voor Olson en dus moest hij de puntjes wel op de i
zetten. Met een flauwe glimlach draaide hij zich om.
‘Weet u, het is trouwens Harris. Niet
Floyd.’
‘Wie is het?’
‘Wie is wat?’
‘Wie is Harris?’
‘Ik.’
‘Ik snap het niet, Floyd. Waar heb je het
over?’
‘Ik zeg je dat ik niet Floyd, maar Harris heet.
Rik Harris.’
‘Ja?’
‘Ik heb je daarnet toch net mijn naam
gezegd?’
‘Ach ja, vergeten wellicht.’
De man bleef hem even stomverbaasd aankijken. Harris
zag dat hij zich op gevaarlijk terrein begaf. De
agressie-factor in het bloed en de hersenen van Olson
begonnen te ratelen en kwamen in beweging. Hij moest
opletten.
‘Wat je maar wil, Floyd. Ik wil je best Harris
noemen, hoor…’
‘Dat is het net,’ zei Harris. ‘Ik
wil dat je me zo noemt en niet Floyd.’
‘Luister,’ begon Olson lichtjes
geïrriteerd en op het punt om ineens uit zijn kraam
te schieten. ‘Is dit weer een van die vragen
van je, Floyd? Is dit een test? Een test om te zien
of ik weer ga beginnen flippen en te zien of dat spul
van jullie zijn effect niet gemist heeft? Wel, ik kan
je vertellen dat het ding werkt, hoor. Ik heb er
namelijk genoeg van. Ik bedoel, je komt me hier
lastigvallen in mijn eigen huis terwijl mijn vrouw
alsmaar wegblijft en niet meer terugkomt, en dan heb
je nog het lef om me uit te dagen ook. Wel, als je
nog lang in mijn buurt blijft rondhangen, zal ik je
eens een staaltje tonen van dat Agressie Type 1. Je
zal dadelijk merken hoe effectief dat spul wel
is.’
Harris maakte zich uit de voeten. Hij voelde zelfs
niet de behoefte om te beseffen dat dit een zoveelste
Persoonlijkheid Pakket was dat werkte. Er leek iets
anders mis te zijn. Er was iets mis met zijn eigen
persoonlijkheid. Meer bepaald: hij leek er gewoon
geen te hebben!
Diezelfde avond ging hij, voor hij naar huis vloog,
langs op kantoor. De meesten hadden al uitgecheckt
voor het weekend. Harris trof er alleen nog de
schoonmaakploeg aan, de twee robozuigers, en een
oudere vrouwelijke collega die in haar kantoor zat te
snotteren. Harris klopte zachtjes tegen de
openstaande deur en vroeg:
‘Wat scheelt eraan, mevrouw Nipkin?’
‘Oh, Harris. U bent het.’
Harris glimlachte. Meteen ging er een zucht van
opluchting door zijn lichaam. Ze had hem Harris
genoemd! Het was een opsteker van jewelste. Er was
dus toch nog iemand die zich hem leek te herinneren.
‘Ja, ik ben het,’ zei Harris en hij moest
zich inhouden om eraan toe te voegen: ik ben het, Rik
Harris.
‘Het zit me niet mee,’ ging mevrouw
Nipkin verder.
‘O?’
‘Neen, helemaal niet. Ik denk dat ik te snel
ben overgeschakeld op die emotionele
pakketten.’
‘O, jeetje,’ zei Harris omdat hij wist
wat dat te betekenen had. ‘U hebt toch vier
weken gewacht, mag ik aannemen?’
‘Wel…’
Het was duidelijk dat mevrouw Nipkin er helemaal
ondersteboven van was. Het gerucht deed al een tijdje
de ronde dat Nipkin verslaafd was aan de pakketten.
Ze had ze allemaal één voor één uitgetest, omdat ze
zogezegd moest weten wat ze verkocht en waarmee ze de
baan opging, maar de laatste tijd volgden die
persoonlijkheden elkaar zo snel op, dat de
incubatietijd van vier weken wachten niet meer werd
gehaald. Zo was het dat mevrouw Nipkin in de laatste
maand al drie verschillende persoonlijkheden had
opgenomen. Ze leed aan een meervoudige
persoonlijkheid.
‘Ik weet dat de seksueel gefrustreerde
persoonlijkheid nog niet volledig was uitgewerkt toen
ik het onderdanige, huiselijke karakter liet
installeren. Dat gaf al een paar problemen thuis,
ziet u. Maar nu is daar ook nog eens de impulsieve
persoonlijkheid aan toegevoegd en ik weet met mezelf
echt geen raad meer, Harris.’
‘Alsjeblief… noem me maar
gewoon…’
‘Oké,’ ging mevrouw Nipkin verder.
‘Ik zal het zeggen waarop het staat, meneer
Floyd. Ik heb het gevoel dat die persoonlijkheden mij
aan het overmeesteren zijn.’
‘Wacht ’s even,’ zei Harris en hij
deinsde achteruit.
Maar mevrouw Nipkin stond op en kreeg een soort
helder licht in haar ogen. Ze leek er compleet door
te zitten, maar niettemin vond ze toch de kracht om
te beantwoorden aan de lokroep van haar drie
persoonlijkheden. Ze kwam op Harris af en greep zijn
handen vast.
‘Meneer Floyd…’
‘He, wat is dit?’
‘Zou je het erg vinden mocht ik je oraal
bevredigen?’
Harris wist niet goed waar hij het had. Dit dametje
sprak niet alleen wartaal, het belangrijkste wat was
blijven hangen, was die naam. Meneer Floyd. Waar had
ze het over?
‘Wacht ’s even,’ herhaalde hij met
klem en hij duwde haar handen terug weg. Beangstigend
en voor het eerst echt in paniek keek hij haar
doordringend aan.
‘Waarom noem je me Floyd? Ik zei toch dat ik
Harris heette?’
‘Natuurlijk heet je Harris. Dat weet ik
toch!’
‘Waarom noem je me dan anders?’
‘Waarom noem je me dan meneer Floyd?’
‘Meneer Floyd, wat is dit?’
Harris stond zowat op het punt om zich de haren uit
het hoofd te rukken.
‘Dat kan ik beter vragen!’
‘U heet toch Floyd én Harris. Harris Floyd: dat
is toch uw naam? uw voor – en
achternaam?’
Harris bekeek mevrouw Nipkin met een mengeling van
weerzin en ontzag. Het was normaal dat een vrouw die
verslaafd was geraakt aan verschillende
persoonlijkheden ze allemaal niet meer op een rijtje
had, maar dit was meer dan dat. Dit had meer te maken
met zijn persoonlijkheid. Wat was er aan het
gebeuren? De naam Rik bestond blijkbaar niet meer.
Het was alsof er een ketting in gang was geschoten.
Harris, begonnen als achternaam was nu een voornaam
geworden, gevolgd door Floyd.
‘Mevrouw Nipkin,’ hervatte Harris in de
hoop de sereniteit in het kantoor terug te vinden.
‘Rustig maar. Ik wil u best helpen. Maar dan
moet u eerst even een paar vragen
beantwoorden.’
‘U wil toch niet dat ik de vragenlijst
beantwoord, meneer Floyd? U gaat me toch niet
verlinken?’
‘Neen, ik heb het over een paar persoonlijke
vragen. Over mijn persoonlijkheid.’
‘Uw persoonlijkheid? Waarom zou ik dat doen?
Wat heb ik daarmee te maken?’
Harris haalde diep adem en vroeg zich af waarom ze
dat inderdaad zou doen. Maar mevrouw Nipkin was het
perfecte proefpubliek om zijn eigen persoonlijkheid
te testen. Of althans, wat daarvan overbleef. Harris
had haar gedurende de hele twee jaar dat hij bij
Human Interest werkte, bijna dagelijks gezien. Nu hij
er dieper over nadacht was zij degene waarmee hij het
meest had gepraat. Ze moest hem dus wel kénnen. Meer
nog, als er iemand wist wie Rik Harris, of Harris
Floyd, zoals hij te horen kreeg, was, dan was het dit
dametje wel.
‘Mevrouw Nipkin, eet ik hier elke dag mijn
lunch of niet?’
‘Wat?’
Hij zag hoe de vraag, hoe ongewoon ook, haar vreemd
genoeg wat kalmeerde.
‘Of ik hier elke dag op kantoor eet of
niet?’
‘Eh… ik weet niet waar u op
doelt?’
‘Antwoord op de vraag!’
De stem van Harris, oftewel Harris Floyd zoals ze hem
noemde, bulderde door de verlaten gangen van het
kantoor. De robocleeners keken niet op.
‘Ik denk dat u buitenshuis eet. Ik kan me
alleszins niet herinneren u hier in de kantine veel
gezien te hebben.’
‘Dank u wel. Volgende vraag, mevrouw Nipkin.
Ben ik getrouwd?’
‘Wat?’
Harris deed zijn best zo dreigend mogelijk te kijken.
Het werkte. Mevrouw Nipkin stamelde:
‘Eh, ik denk het wel, neen?’
Ze vormde een pijnlijke frons om aan te geven dat ze
het eigenlijk niet echt wist en alleen maar een gokje
waagde.
‘Maar dat hoeft niet in de weg te staan. Ik kan
u nog altijd oraal…’
‘Volgende vraag. Mevrouw Nipkin, drink ik wel
eens een kop koffie?’
‘Wel, ik meen me te herinneren…’
‘Waar werk ik in dit kantoor? Waar ligt mijn
vertrek? Voor welke afdeling werk ik? Blijf ik hier
of ga de baan op? Vlieg ik of rij ik? Werk ik soms
tot ’s avonds laat of kom ik eerder een uur
vroeger werken? Ben ik een macho of ben ik eerder
vrouwvriendelijk? Welke opleiding heb ik gevolgd?
Maak ik graag grapjes, ben ik een prater of een
luisteraar…’
Harris wilde zijn hele cv van zijn hele leven
opdreunen en in vraag stellen tot mevrouw Nipkin
letterlijk naar adem hapte.
‘Heb ik kinderen, mevrouw Nipkin?’
‘Dat is een makkelijke: ja.’
‘Hoeveel kinderen?’
‘Dat weet ik: drie, neen? Twee jongens en een
meisje.’
‘U heeft me echt geholpen, mevrouw
Nipkin,’ zei Harris zacht terwijl hij op het
punt stond de deur van haar kantoor zachtjes te
sluiten. En jij kan je multipersoonlijkheidsproblemen
of overdosissen zelf oplossen, armzalige trut, dacht
hij erbij.
‘He, meneer Floyd, ik bedoel, wat was je
voornaam nu weer?’
Harris deed geen moeite meer om te antwoorden.
‘U gaat me toch vertellen of ik juist ben? Ik
zat erop, toch. Ja, toch, he?’
Harris haalde zijn schouders op en trok de deur
achter zich dicht. Hij deed alsof het hem niet veel
kon schelen of mevrouw Nipkin een goeie score had
gehaald. Maar de waarheid, de ongelooflijke waarheid
was dat hij het zelf niet eens meer wist! Drie
kinderen? Het was in zichzelf ook gaan schemeren: het
begon allemaal zo hard te vervagen dat hij het zelf
niet meer kon bijhouden.
‘Mijn god,’ dacht hij in zichzelf terwijl
hij naar huis vloog, of althans, naar de plek waarvan
hij dacht dat het zijn huis was. ‘Ik ben de
greep op mezelf verloren. Wie ben ik in
hemelsnaam?’
Thuis lag Harris’ vrouw al te slapen. Het deed
hem deugd dat hij in alle stilte en op zijn eigen
tempo zijn eigen vertrek, zijn eigen woning en zijn
eigen gezin in alle rust kon opnemen en
‘verifiëren’. Hij herkende alles; het was
niet alsof ze met zijn geheugen of hersenen hadden
geknoeid. Hij had evenmin een nieuw
persoonlijkheidspakket getest; het was gewoon één
grote grap geweest die hem aan het wankelen had
gebracht. Harris nam een douche, kroop in zijn
thermische slaapjas en ging nog even kijken bij zijn
kinderen. Het waren er inderdaad twee, zoals hij
altijd al gedacht had.
‘Een jongen en een meisje,’ fluisterde
hij zichzelf in toen hij met een warm hart zijn
spruiten in dromenland bekeek.
Pas toen hij de deur weer dichttrok, drong het tot
hem door dat het inderdaad een tweeling was. Maar het
waren een jongen en een meisje, neen? Was het
belangrijk dat het om een tweeling ging? Wellicht
niet. Hij had het in ieder geval niet belangrijk
genoeg gevonden om ermee te koop te lopen. En toch.
En toch had mevrouw Nipkin hem aan het twijfelen
gebracht toen ze zei dat hij drie kinderen had. Maar
hij had er geen drie! Hij had nergens een derde kind
rondlopen. Geen bastaard, geen kunstmatig en zelfs
geen spermatozoïde in de bank. Harris besloot het
allemaal te laten rusten en kroop onder de wol.
In afwachting van de slaap die elk moment kon komen,
bereidde hij zich voor op het gesprek dat hij de
volgende ochtend wel weer zou hebben in de kantine
met een van zijn collega’s. Misschien zelfs
weer, zoals gebruikelijk was, met mevrouw Nipkin.
Hij, Harris Floyd, zou niet veranderd zijn;
integendeel: alles zou alweer gewist zijn uit het
geheugen van de rest van de wereld: zijn baas, zijn
collega’s, zijn klanten. Hij zag het zo alweer
voor zich. Hij zag zichzelf al binnenkomen. Mevrouw
Nipkin zou opkijken en vragen:
‘O, goeie morgen, Floyd. Ook een kopje
koffie?’
En net zoals elke ochtend zou Harris gaan zitten en
het mens moeten duidelijk maken dat hij koffie
haatte. Hij zou beleefd zijn hand opsteken en
weigeren.
‘O, niet in de mood vandaag?’
‘Neen, ik moet de baan op vandaag,’ zou
Floyd zeggen. ‘Ik zou te nerveus worden.’
‘Jeetje, meneer Banks moet de baan op, hoor. Ga
je eigenlijk veel de baan op, Floyd? Ik mag je wel
Floyd noemen, he?’
Het zou een zoveelste herhaling worden. Steeds weer
dezelfde routine, dezelfde vragen, dezelfde situatie,
alsof Harris steeds weer dezelfde dag herbeleefde.
Maar dat was het probleem niet. Hij had het al eens
vroeger gecheckt. Hij had op de digitale
verjaardagskalender gekeken en die ging wel degelijk
vooruit. De dagen verstreken. Het zou trouwens bij
diezelfde digitale kalender zijn dat hij weer maar
eens op zoek zou gaan naar zijn naam en zijn
geboortedatum.
‘Weet u, mevrouw Nipkin, waar sta ik ergens in
die verjaardagskalender?’
‘Weet ik veel, Floyd. Wanneer is het je
verjaardag?’
Het was een test, het kon niet anders. Hoeveel keer
had hij zijn collega’s al niet gezegd wanneer
hij verjaarde. Twee keer al had hij op die dag een
mandje met kunstmatig fruit meegebracht om het alsnog
te vieren en toch waren ze het weer vergeten. Meer
nog: Floyd had zijn verjaardag zelf ingevoerd in het
systeem! Hoe kon dat dan weer zomaar verdwenen en
gewist zijn?
‘Het maakt eigenlijk niet veel uit,’
hoorde Floyd zichzelf weer zeggen als vanouds. En het
mààkte ook zo gek niet veel uit, als het maar één
keer zou voorkomen, maar na twee jaar zou je toch wel
verwachten dat ze het weten.
Die nacht sliep Floyd weinig. Hij werd wakker met een
bonkend hoofd en merkte dat zijn vrouw al was
opgestaan. Hij nam een douche en besefte terwijl hij
het warme water over zich liet stromen dat hij
gisterenavond al een douche had genomen. Hij vergat
zich te scheren en maakte op de roltrap naar beneden
de bedenking dat hij zich gisterenavond niet had
geschoren. Hij was in de war. Wanneer nam hij een
douche en wanneer schoor hij zich? Wat waren zijn
gewoonten? Die hele vreemde bedoening had hem zelf
aan het wankelen gebracht.
‘Goeie morgen, liefje,’ sprak zijn vrouw
hem slaperig toe. ‘Wil je je eieren hard of
zacht gekookt?’
Floyd strompelde op zijn stoel, liet de vraag tot
zich doordringen en dacht dat hij nog steeds aan het
slapen was en een vreemde nachtmerrie had. Dit was
zijn vrouw! Dit was de vrouw waarmee hij al tien jaar
getrouwd was en met wie hij twee (of waren het nu
toch drie) kinderen mee had. Zij moest hem toch
kennen en toch was ze blijkbaar vergeten dat hij geen
eieren op zijn nuchtere maag kon verdragen!
‘Eh, schatje, ik heb geen zin eieren, ik dacht
dat je dat al wist.’
En terwijl hij zijn antwoord zo beleefd mogelijk
formuleerde, besefte Floyd dat hij misschien zelf de
schuldige of althans de aanleiding tot deze reeks
misverstanden was geweest. Misschien was hij zelf op
kantoor, op de baan, bij zijn klanten en misschien
zelfs ook thuis zodanig beleefd en vaag geweest dat
hij hen niet had duidelijk gemaakt wat zijn
persoonlijkheid was. Ook nu weer had hij braafjes het
aanbod voor roereieren, spiegeleieren of welke eieren
dan ook afgewezen, alsof het alleen vandaag niet
wenselijk was. Dat deed zijn vrouw, zijn baas, zijn
collega’s misschien denken dat het op een
andere dag voor Floyd wèl opportuun of gebruikelijk
was om eieren te eten. Of in het geval van mevrouw
Nipkin, om koffie te drinken.
‘Neen?’ vroeg Floyds vrouw voor de
zekerheid. ‘Voel je je wel goed, Bankie?’
Bankie? Wie was Bankie? Een soort afkorting voor
Banks? Dat kon, maar wie was Banks? Hij heette Harris
Floyd, neen?
‘Ik denk het niet,’ antwoordde Floyd.
‘Ik voel me eerlijk gezegd een beetje vreemd.
Afwezig. Ik denk dat ik maar onmiddellijk naar het
werk vertrek.’
Hij stond op, liep op zijn vrouw af en gaf haar een
vluchtige kus op haar voorhoofd.
‘He, wacht even, Bankie. Zo makkelijk kom je er
niet vanaf, jongen.’
‘Neen?’
‘Neen. Wie gaat de kinderen ophalen in de
leercentra?’
‘Ik?’
‘Wel, iemand zal Cider moeten ophalen.’
‘Oké,’ zei Floyd nietsvermoedend en snel
omdat hij op hete kolen zat en zo snel mogelijk deze
chaos, deze wanorde wilde verlaten. ‘Pik jij
Cider maar op, dan zorg ik er wel voor dat ik Cyan en
Ryan ophaal.’
En op dat moment raasde Floyd of eerder Floyd Banks,
zoals zijn vrouw hem over één nacht ijs leek te gaan
noemen, uit zijn eigen woning omdat het een labyrint
werd waar hij kop noch staart aan kreeg. Hij haastte
zich in zijn shuttle en eenmaal op de kantoren van
Human Interest, liep hij gelijk de kantine door. Een
paar collega’s, waaronder mevrouw Nipkin, keken
amper op en iemand vroeg:
‘Hela, goeie morgen, Banks. Een kopje
koffie?’
Maar Floyd Banks negeerde alles en iedereen en
balanceerde op het randje van de onbeleefdheid. Hij
liep gelijk door naar de provisiekamer waar de
digitale verjaardagskalender aan het ratelen was. Met
kloppend hart en bevende handen zocht Banks, oftewel
ex-Floyd oftewel ex-Harris, naar zijn eigen
verjaardag. Hij had zijn eigen datum van geboorte
ooit eens ingegeven, daar was hij zeker van. Hij liet
de verschillende werknemers van de firma Human
Interest passeren. Hier en daar klikte hij op een
naam waardoor het profiel en de polaroid tot leven
kwam, en het leven van de werknemer in kwestie in één
minuut tijd werd samengevat, vertrekkende van de
geboorte, over het eerste liefje, de schooljaren, het
huwelijk, de geboorte van zijn of haar eigen
kinderen, het werk, de vakanties, het pensioen, enz.
Banks begon ervan te zweten. Hij vond zichzelf niet
meer! Hoe kon dat nu?
‘Godverdomme, dit kan toch niet! Ik moet er
toch instaan. Ik besta toch!’
En plots was het daar! Daar stond het.
‘Hier: Rik Harris,’ las hij hardop en hij
liet alle spanning uit zijn lichaam ontsnappen in de
vorm van een luide bulderlach. Hij klopte zelfs met
een hand op het apparaat.
‘Zie je wel! Ik ben helemaal niet gek. Ik ben
Rik Harris. Er is helemaal geen Harris Floyd of Floyd
Banks of…’
Maar lang duurde de vreugde niet. Want net voor hij
de digitale verjaardagskalender wilde uitschakelen,
merkte hij op dezelfde geboortedatum nog een andere
werknemer op die op dezelfde dag verjaarde: 17 april
2234.
‘Wat in hemelsnaam…?’
Banks prevelde een paar woorden die sterk leken op
een gebed.
‘Harris Floyd?’
Meteen ging hij weer achter de machine zitten en ging
gretig op zoek naar de andere namen waarmee men hem
had opgezadeld.
‘Floyd Banks? Banks Rover? Rover Ditter? Ditter
Reno? Reno…’
Er kwam een hele lijst tevoorschijn met mensen,
mannen en namen die allemaal op dezelfde dag als hij
waren geboren en hier in ditzelfde bedrijf, Human
Interest, hun verjaardagsdatum hadden ingegeven en
dus hadden gevierd! Dit was onmogelijk! Wie waren die
mensen? Niemand kende die mensen. Hijzelf had ze nog
nooit gezien… tenzij… Tenzij hij zelf
al die mensen was! Maar…
‘Ik heb toch geen meervoudig
persoonlijkheidssyndroom?’ vroeg Banks zich
luidop af en hij staarde verweesd naar zijn eigen
gezicht in de reflectie van de digitale jaarkalender.
Er bestond inderdaad geen mogelijkheid dat dit
allemaal stuk voor stuk verschillende
persoonlijkheden waren die in zijn bovenkamer
kampeerden. Daarvoor was Rik Harris, of hoe hij op
dit moment ook mocht heten, net niet gek genoeg.
Integendeel: hij was een ordinaire man, de meest
normale werknemer van Human Interest. Indien dat wel
het geval was geweest, dan zou geen van die
persoonlijkheden toch op dezelfde dag geboren zijn?
Dan zou geen van die synoniemen, zeg maar, dezelfde
voorkeuren hebben, dezelfde manieren, dezelfde
levenshouding en dezelfde eigenschappen als Rik
Harris. Terwijl dat net wel het geval was. Het geval
wilde dat Rik Harris zelf de enige was die wist dat
hij geen koffie dronk, geen eieren op zijn nuchtere
maag lustte, een tweeling als kinderen had. Maar het
pijnlijke was dat de rest van zijn omgeving dat niet
leek te onthouden… omdat hij elke week of elke
dag zelfs, iemand anders werd voor hen!
‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg Banks
zich af.
Hij stond op. Het laatste wat hij deed, was de lijst
afgaan. De ketting, de schakels met als enige rode
draad: zijn eigen persoonlijkheid. De lijst met namen
was twee jaar geleden begonnen met een zekere Dirg
Gets en was momenteel opgelopen tot Banks Rover.
Banks begreep er niets van, maar hij wist één ding.
De hele wereld leek hem keer op keer te vergeten.
Zijn persoonlijkheid verscheen elke dag als een
laagje mist in de ochtend, maar tegen de middag was
de mist opgetrokken en bleef er niets meer van over.
‘Er moet toch iemand zijn,’ zei Banks.
Tegen de middag had Banks al zijn afspraken met
klanten afgezegd en had hij voor zichzelf een
afspraak gemaakt met de interne psycholoog van Human
Interest. Het ging om een kerel die Dr. Bliss heette
en die instond voor de ultieme goedkeuring van de
Persoonlijkheid Pakketten. Hij was ook de man die in
crisissituaties, klachten of zelfs processen op het
appel werd geroepen om het bedrijf te redden. Er
waren immers altijd wel klanten die na inplanting van
bijvoorbeeld een melancholische persoonlijkheid
onbewust terug verlangden naar hun vorige
persoonlijkheid. Een ingebouwde en ongewilde paradox
of bug, zoals Dr. Bliss het noemde.
Banks moest niet wachten in de wachtkamer en liep
onmiddellijk het kantoor van de psycholoog binnen.
Een tiental minuten later had hij de hele vreemde
zaak in geuren en kleuren uitgelegd.
‘Hm,’ besloot Dr. Bliss. ‘U hebt
dus de indruk dat uw persoon dagelijks weer vanaf nul
moet beginnen. U denkt dat u bij de mensen en uw
omgeving niet blijft hangen?’
‘Ja, dat wist ik al langer dan vandaag,’
zei Banks. ‘Maar de laatste tijd is er nog iets
bijgekomen.’
‘Ja?’
‘Ik weet het zelf ook allemaal niet meer. Ik
heb het gevoel dat ik mezelf continu aanpas aan mijn
omgeving, als een soort kameleon. Met andere woorden:
als de mensen me Floyd noemen, ook al weet ik dat ik
niet zo heet, ben ik geneigd daarin mee te gaan. Ik
begin mijn eigen persoonlijkheid af te breken om mijn
omgeving niet tegen de borst te stoten. Het wordt op
de duur ook zo vermoeiend om alsmaar in herhaling te
vallen, weet u, doc.’
‘Hm, ik begrijp het,’ zei Dr. Bliss.
‘Dit doet me eerlijk gezegd denken aan een heel
eigenaardige zaak. Het was een éénmalig feit dat me
altijd is bijgebleven en ik moet toegeven dat ik in
de twintig jaar dat ik hier werk, nooit meer zoiets
heb meegemaakt, meneer…? Sorry, ik ben uw naam
vergeten.’
‘Ach, het maakt niet uit,’ zei Banks de
schouders ophalend. ‘Welke zaak?’
‘Wel, ik herinner me een klant die de eerste
reeks van Pépé’s wilde testen. We spreken over
een tijd geleden toen het hele handeltje nog niet
eens op de markt was en het materiaal nog allemaal
moest worden uitgetest. Wij van Human Interest
sprongen een gat in de lucht. De klant was heel
tevreden en werd een van onze beste klanten tot hij
een aantal jaren geleden het idee kreeg dat het
allemaal niet genoeg was. Hij was ook verslaafd
geraakt aan de Persoonlijkheid Pakketten en wilde
méér.’
‘Meer?’
‘Ja, om de een of andere reden vond hij die
verschillende persoonlijkheden te relatief en te
soft. Hij wilde harder spul.’
Banks schoof onrustig en ongemakkelijk heen en weer
op zijn stoel. Waar doelde de psycholoog op? Drugs?
Hallucinaties?
‘Ik weet dat dit misschien heel onaards zal
klinken, maar op dat moment kreeg ik van de directeur
groen licht om behalve de Persoonlijkheid Pakketten,
nog een andere divisie op te starten in dit bedrijf.
Een geheim product, zeg maar, dat in dezelfde lijn
lag, maar dat nog een stuk verder ging dan de gewone
persoonlijkheid implantaties.’
Banks slikte. Hij was dit kantoor binnengestapt om
meer te weten te komen over zijn eigen dolgedraaide
persoonlijkheid, en kreeg te horen dat er een of
ander mysterieus, belangrijk geheim experiment bij
Human Interest werd uitgevoerd.
‘U moet begrijpen dat dit… experiment
nooit het daglicht heeft gezien. Het is te zeggen:
het is nooit naar buiten gebracht omdat het feitelijk
nog steeds aan de gang is. Ziet u, in deze nieuwe
divisie ging het niet om pakketten persoonlijkheden,
maar om pakketten… zielen.’
Banks slikte nu niet meer. Hij verslikte zich. Dr.
Bliss liet een portie gezuiverd water uit het plafond
neerdalen en knikte naar Banks. Maar Banks stak
weigerachtig een hand op.
‘Het gaat wel. Zielen, zei u?’
‘Ja. In wezen kwam het hierop neer: de klant
kreeg geen verschillende persoonlijkheden, maar bood
zichzelf aan als een soort van tussenstation tussen
leven en dood. Mensen die waren gestorven werden als
het ware opgeslagen in zijn of haar lichaam en geest,
in afwachting van hun reïncarnatie naar een ander,
nieuw geboren lichaam.’
‘Een tussenstation? Reïncarnatie?’
Banks had natuurlijk wel al gehoord over de
verschillende vormen van religie en godsdienst, maar
hijzelf hield er een vrij duidelijk geloof op na: hij
geloofde namelijk in niets. Zelfs niet in
reïncarnatie.
‘Dit is een grap, neen?’
‘Neen, waarom zou het een grap zijn? Ik zeg ook
niet dat uw zaak een vorm van deze voorlopige
reïncarntie inhoudt. Het kan evengoed iets anders
zijn.’
Banks keek Dr. Bliss strak aan. Er was iets in de
manier van praten en kijken dat hem aan het denken
zette. Hij voelde de achterdocht in het kantoor. Hij
vroeg zich af wat voor persoonlijkheid de psycholoog
zelf had. Had hij een natuurlijke persoonlijkheid of
droeg hij een pakket in zichzelf? Was hij getrouwd,
hield hij van koffie of thee en huilde hij wel eens
of was hij rationeel ingesteld? Banks kon het niet
weten want hij kende de man niet echt goed, ook al
wist hij dat Dr. Bliss bij Human Interest werkte.
Maar… er ging plots een kleine schok door hem
heen! Toen hij zich naar het kantoor van Dr. Bliss
had begeven, moest hij een digitale plattegrond
raadplegen en de interne computer volgen om de weg te
vinden. Bovendien kende hij niet eens de voornaam van
Dr. Bliss, ook al hadden ze elkaar al een paar keer
gezien in de kantine, op de parking van de shuttle en
zelfs tijdens een of ander bedrijfsfeestje. Het werd
langzaamaan zonneklaar: het was niet alleen Banks
Rover die niet in dit bedrijf bleef hangen, ook Dr.
Bliss, en wellicht ook de rest van de werknemers
waren gedoemd om zich elke dag weer opnieuw bloot te
geven en te bewijzen. Alsof ze elke dag weer opnieuw
aan hun eerste werkdag begonnen.
‘Weet u,’ begon Banks Rover voorzichtig.
‘Ik denk niet dat ik veel over u weet,
doc.’
‘Dat klopt,’ grijnsde Dr. Bliss.
‘En toch hebben wij elkaar al veel gesproken.
Vreemd, he?’
Wat was er aan de hand bij Human Interest? Eén grote
brainwash-operatie die ervoor zorgde dat de
werknemers stuk voor stuk elke dag weer opnieuw
genoodzaakt waren met een schone lei te beginnen en
zodoende als een verse kracht, in hun eigen geest,
aan de slag moesten gaan? Alsof ze letterlijk
dagelijks werden vervangen door… nieuwe
krachten. Of in dit geval: nieuwe… zielen?!
‘Ik denk dat u meer over deze zaak en mijn zaak
weet dan u zelf wilt toegeven, nietwaar, doc?’
‘Dat kan best zijn. Het enige wat ik
weet,’ gaf Dr. Bliss toe. ‘is dat u,
evenmin als ik, weet of ik graag sport of niet, of ik
rook of niet, of mijn ouders nog in leven zijn of
niet, of ik jongens of meisjes als kinderen heb,
of…’
‘Ja, ik snap het al,’ zei Banks Rover.
‘Of eerder: ik snap het niet. Waarom?’
Dr. Bliss zweeg en keek voor zich uit.
‘Wat is bedoeling van deze ziel-paketten? Het
kan toch niet alleen een tekort aan
‘gastheren’ geweest zijn? Het kwam
volgens mij Human Interest goed uit dat jullie die
zielen in jullie werknemers konden laten logeren als
het ware, nietwaar? Op die manier werden het
dagelijks nieuwe recruten. Maar de keerzijde is dan
natuurlijk wel dat de echte persoonlijkheid vervaagt
tegen de achtergrond van die voortdurende
veranderende zielen.’
Dr. Bliss bleef zwijgen. Hij stond op en liet Banks
Rover buiten. Het enige waarmee hij deze sessie
besloot was:
‘U hebt er goed aan gedaan dit… ongemak
te melden, Rover.’
Banks Rover besefte toen al dat Dr. Bliss op zodanige
persoonlijke voet was overgeschakeld dat hij hem bij
zijn voornaam noemde. Banks Rover was al niet meer.
Banks Rover was al verhuisd naar een definitief
lichaam. De volgende ziel die in zijn lichaam
kampeerde was Rover Ditter. Maar dat betekende
dat…?
‘Ik was de klant die al die tijd geleden met de
Persoonlijkheid Paketten begon, nietwaar,
dokter?’
Dr. Bliss knikte zelfvoldaan.
‘Bestaat er een betere manier om producten aan
de man te brengen door ze zelf uit te testen? Alleen
zo weet je waarover je spreekt en hoe je die dingen
kan verkopen.’
‘En dus was ik het ook,’ besloot Rover
Ditter, ‘die bereid was mezelf open te stellen
voor de bewaring, de tussentijdse bewaring van de
gestorven zielen.’
‘Ja, maar je bent niet de enige meer, Rover. We
zouden je allemaal heel dankbaar moeten zijn want je
hebt de weg voor ons geopend. We hebben ons nu
allemaal na verloop van tijd opengesteld voor zielen.
Het is… verrijkend, nietwaar? Je zal merken
als je werkelijk rondvraag doet en je collega’s
probeert beter te leren kennen, dat ze al evenmin een
persoonlijkheid hebben als jij. Je had het gewoon
veel te druk om zelf op onderzoek te gaan. Je was
ietsje te veel met jezelf bezig, Diller, om te merken
dat iedereen hier bij Human Interest niets meer is
dan een vaag omhulsel.’
Met dit slotakkoord dat nog een tijdje in het hoofd
van Rover Diller bleef nazinderen, liet de psycholoog
hem uit. Daarna ging Dr. Bliss weer achter zijn
bureau zitten; hij dronk zelf het zuivere water uit
het kopje dat hij voor de eerste, echte werknemer van
Human Interest had besteld op en vroeg, via de
videofoon, de directeur van de firma naar het
voorplan:
‘Meneer? We zitten met een probleem.’
‘Is het het probleem dat we al verwacht
hadden?’
‘Ja, ik vrees van wel. We hebben een code
rood.’
‘Het is…hem, he?’
‘Ja.’
‘In welk stadium is hij beland?’
‘Hij zit in het stadium Rover Diller,
meneer.’
‘Oké, Bliss. Je hebt er goed aan gedaan dit te
melden. Ik zorg er wel voor dat deze zaak wordt
opgelost.’
En op die manier werd Rover Diller later die dag naar
de kantine geroepen voor zijn laatste kopje koffie
–ook al kon hij dat zwarte spul nooit door zijn
keel krijgen- alvorens hij in een magazijn in de
kelder met een spuitje werd afgemaakt, als een zieke
hond, en zodoende voorgoed het laatste restje
persoonlijkheid verloor wat hem nog restte. Rover
Diller was niet meer en werd nu zelf overgeplaatst
naar een transferlichaam. En op de digitale
verjaardagskalender kreeg de rest van de schakel of
de ketting meteen een aangepaste geboortedatum.
© Bavo Dhooge
VOOR EEN STUKJE VAN JE HUID
• Eddy C. Bertin •
Wilfrid en Brian waren twee keiharde vrienden. Ze
hadden samen school gelopen, en woonden in hetzelfde
kleine gehucht vlak bij Greyhuysen. Wilfrid was
slager en Brian werkte bij de post. Geen van de twee
was getrouwd, ze bezochten liever samen de pub
‘s avonds om er vogelpik te spelen en grote
pinten bier te hijsen. Ze hadden ook dezelfde passie:
beide waren fervente jagers, en elk had boven zijn
bed een groot jachtgeweer hangen, altijd keurig
opgepoetst. In deze tijd van het jaar werden die
geweren van de muur gehaald.
Brian was maar een gelegenheidsjager die meer gaten
in de lucht schoot dan dat hij iets raakte, behalve
soms een boom, want die kon niet opzij gaan. Maar
Wilfrid was een echte fanaat. Zijn beroep deed daar
natuurlijk iets aan, hij was gewend met dode dieren
om te gaan. Hij bezat zelfs een kleine jachthut,
vlakbij het een tiental mijlen verder gelegen bos.
Natuurlijk was het wettelijk niet toegelaten in dat
bos te jagen want dat hoorde toe aan een baron, en
die man had zelfs een jachtopziener om stropers weg
te jagen. Je kon in de gevangenis gegooid worden voor
stropen in die tijd!
Maar Wilfrid kende de jachtopziener, en wist die
altijd keurig te ontwijken. Hij reed met zijn fiets
naar de jachthut, en verborg de fiets vlug binnen. En
hij fietste vaak terug met een paar hazen of
patrijzen, of soms zelfs groter wild. Dat vlees
verkocht hij dan in het geheim in zijn winkel aan
zijn beste klanten, die wel best eens een stukje wild
wilden proeven.
Zo ook dat jaar. Wilfrid had al twee hazen
buitgemaakt, en het begon al te schemeren. Hij was
halfwege het bos en dacht eraan om terug te keren
naar zijn hut. Op dat ogenblik kwam plots een mooie
reebok tevoorschijn. De wind blaasde in Wilfrids
richting en het dier had hem niet bespeurd.
Dadelijk bleef Wilfrid stokstijf staan. Wat een
prachtig dier, dacht hij. Heel traag bracht hij zijn
geweer omhoog en in aanslag. Over de metalen loop
keek hij recht naar de reebok, en op dat ogenblik zag
deze ook de jager. Het dier verstarde, en even keken
de jager en de prooi elkaar in de ogen. De reebok had
grote, zwarte ogen die Wilfrid star aankeken. Het was
bijna alsof hij hem uitdaagde.
BANG !
Zonder een geluid viel het dier op de grond. Wilfrid
dankte zijn gesternte voor zijn geluk, en sleepte het
dier naar zijn hut. Het was een zwaar dier, hij
zweette van het sjouwen. Maar intussen rekende hij al
uit hoeveel profijt hij zou maken van al dat mooie
vlees.
In de hut stak hij de haard aan, en vilde het dode
dier. Het vlees deed hij keurig in zakken, en de huid
hing hij te drogen aan een haak. Dan ging Wilfrid
rustig slapen.
Maar halfwege de nacht werd hij wakker. Hij bleef
roerloos liggen, en vroeg zich af wat hem had doen
ontwaken. Een geluid...
Dan hoorde hij het opnieuw.
DRUP DRUP DRUP...
Ach, dacht hij, het is maar wat bloed dat van de huid
druppelt. Niks om me zorgen over te maken.
PLOF.
Iets viel op de vloer. Verdomme, er is iemand in mijn
hut, dacht hij. Wilfrid bleef roerloos liggen. Hij
wilde niet laten merken dat hij wakker was. Een
inbreker? Wat zou die hier willen stelen? Het vlees
misschien, er schuilden regelmatig zwervers in het
bos. Of misschien zijn geweer...
Dan hoorde hij nieuwe geluiden. SWISCH SWISCH...
Schuifelende, vreemde geluiden over de houten
plankenvloer, schuifelende NATTE geluiden. Ze kwamen
dichterbij het bed.
Wilfrid grijnsde. Wie de insluiper ook was, die ging
wat meemaken. Ik wacht tot hij vlak bij mij is, en
dan grijp ik hem, dacht Wilfrid.
De soppende geluiden naderden, waren vlakbij het bed.
Wilfrid spande zijn spieren en wilde rechtspringen...
en kon niet bewegen.
Het was alsof hij helemaal verlamd was. Zijn hersens
bevalen zijn spieren: spring recht! maar er gebeurde
niets. Zijn lichaam gehoorzaamde niet. Het zweet brak
Wilfrid uit. Hij kon alleen zijn ogen bewegen, maar
het vuur in de haard was bijna helemaal uit en
verspreidde slechts nog een heel vaag schijnsel in de
kamer.
SWISCH SOP SPLATS
De geluiden waren bij het bed. Vanuit zijn ooghoeken
zag Wilfrid een donkere massa die zich oprichtte,
maar niets als een mens. Het was een slappe, vormloze
massa die zich op het bed trok. De donkere gedaante
duwde de dekens weg en kroop op het bed. Wilfrid
voelde een kleverig harig gevoel op zijn tenen, dan
zijn voeten en benen. Het kittelde een beetje maar
voelde vooral nat en vies aan. De weeë geur van bloed
drong ijn zijn neusgaten.
Het kleverige ding kroop hoger, over zijn buik en
borst, en nog steeds kon Wilfrid zich niet bewegen.
Dan, toen het vlak bij zijn gezicht kwam, zag hij wat
het was.
De huid! Het was de afgestroopte, bloederige huid van
de reebok!
De verlamming week, Wilfrid zwaaide met zijn armen en
benen, maar de huid bedekte die al volledig. Wilfrid
opende zijn mond en schreeuwde, en dan richtte de
huid zich op en hij zag de kop van de reebok, met de
lege holtes waar de ogen geweest waren, en het grote
gat daartussen dat zijn kogel gemaakt had. De huid
viel voorover en drong in zijn mond, verstikte hem.
Wilfrid schreeuwde en schreeuwde, en viel uit het
bed. Hij bleef even verward liggen. Het daglicht viel
door het raam naar binnen.
Wilfrid kreunde opgelucht. Een nachtmerrie, dacht
hij, het was maar een nachtmerrie, maar wel eentje om
nooit te vergeten.
Hij steunde op zijn handen en knieën en kroop naar de
deur. Hij moest dringend frisse lucht hebben, in zijn
neus stonk het naar bloed en het was alsof hij in
zijn mond nog de vieze smaak van de huid voelde.
Hij stak zijn hand uit en duwde de deur open, en dan
bleef hij roerloos zitten. Zijn hand... was geen hand
meer. Het was een hoef, en zijn arm was een harige
poot.
Ik ben behekst, dacht hij, ofwel droom ik nog. Hij
wilde in zijn arm knijpen maar hij had geen vingers.
Hij probeerde rechtop te gaan staan maar viel altijd
terug op vier poten. Wilfrid wankelde naar buiten en
knipperde tegen het felle morgenlicht.
Daar kwam een man aangewandeld. Brian, zijn vriend
Brian! Natuurlijk, die kwam hem eens opzoeken om te
zien hoe de jacht geweest was. Brian had zijn geweer
losjes in zijn hand. Hij zag Wilfrid en bleef staan.
“Brian! Ik ben het! Help me!” riep
Wilfrid. Dat wilde hij roepen, maar er kwam alleen
een schor dierlijk geluid uit zijn keel.
Brian begon te glimlachen. “Nee maar, wat een
kanjer,” riep hij.
Hij tilde zijn geweer op en legde aan. Heel even keek
Wilfrid in doodsangst recht in het zwarte gat van de
geweerloop.
BANG !
© Eddy C. Bertin